HEPCAT RECORDS

In spanning wachten we elke keer af wat de volgende worp re-issues zal zijn van Hepcat records uit Orange, Californie. Ook deze keer hebben ze weer wat bijzonders weten te vinden voor de nieuwe worp heruitgaven die ondertussen van dit label wel bekend zijn. De grote namen uit vooral het bluesgenre, die bij hun de laatste jaren verschenen zijn talrijk. Het mag dan ook voor de bluesliefhebber een gouden greep genoemd worden dat Hepcat deze schitterende heruitgaves uitbrengt en daarbij garant staat voor tijdloze kwaliteit. Voor Mike Morgan and the Crawl, James Harman Band, Anson Funderburgh and the Rockets en Snooks Eaglin blijven we begin de jaren negentig steken enkel voor Earl King & Roomful of Blues gaan we terug tot 1986.

 

SNOOKS EAGLIN

TEASIN’ YOU

De nieuwe reeks beginnen we met de blinde blues- en R&B-zanger/gitarist Snooks Eaglin die spijtig genoeg dit jaar overleden is in de maand februari. Hij was geboren in 1936 als Fird Eaglin Junior in New Orleans/Louisiana en is ook aldaar overleden ten gevolge van een hartaanval. Hier in zijn geboortestad was hij bekend als de 'human jukebox', omdat hij elk gevraagd liedje direct kon reproduceren.

Eaglin werd als kind van één jaar getroffen door de ziekte glaucoom, waardoor hij blind werd. Vier jaar later leerde hij zichzelf gitaarspelen door naar de radio te luisteren (zijn bijnaam dankt hij door de radiopersonage 'Baby Snooks'). In 1947 won het blinde talentje met 'Twelfth Street rag' de talentenjacht van het radiostation WNOE. Drie jaar daarna werd hij beroepsmuzikant en sloot zich aan bij The Flamingoes, de band van Allen Toussaint. Zijn eerste plaatopnames maakte Snooks Eaglin in 1953; als gitarist van James 'Sugar Boy' Crawford. Een ontmoeting met Harry Oster leidde tot een eigen platencontract. Spoedig verschenen er Snooks Eaglin-platen op labels als Folkways, Folklyric en Prestige/Bluesville.

De typische New Orleans R & B stijl van de blinde musicus kreeg vaste vorm toen hij van 1960 tot 1963 opnames maakte voor Imperial en werd begeleid door pianist James Booker en drummer Smokey Johnson. Van deze opnames - veel is geschreven door Dave Bartholomew - verscheen het album "The Complete Imperial Recordings", meteen het eerste album van Snooks Eaglin.

De meest consistente periode van Eaglin was zijn tijd bij Black Top Records, van Nauman en Hammond Scott. De vruchtbare samenwerking leidde tot vier studioalbums en één live-plaat, want met zijn fabelachtige fingerpicking-stijl en onuitputbare repertoire heeft hij op podia over de hele wereld gestaan. Het ene album is al beter dan het andere, maar beluister uit deze reeks vooral "Out Of Nowhere" (1989) en het drie jaar later verschenen "Teasin' You", met een fraaie verzameling uit zijn rijke liedjes archief waarbij deze veteraan medewerking kreeg van de saxofonisten Grady Gaines en Mark "Kaz" Kazanoff.

"Teasin' You" is misschien wel zijn beste album voor het Black Top label, waarvan de opnames zich bewegen tussen blues, R&B en funk en waarin Snooks Eaglin laat horen dat behalve hij een goeie zanger ook een zeer virtuoos gitarist is, of beter gezegd was, want we zullen zijn zeer aanstekelijke blues missen. De twee onuitgegeven bonustracks die deze plaat afsluiten maken dan ook van "Teasin' You" een verplichte aanschaf.


MIKE MORGAN AND THE CRAWL

MIGHTY FINE DANCIN’

Mike Morgan & The Crawl kunnen zowel in de U.S.A. als in Europa rekenen op een grote en trouwe aanhang, maar voor de mensen die Mike Morgan nog niet zo goed kennen: Hij is geboren in Dallas 30 November 1959, en opgegroeid in Hillsboro, Texas, luisterde in zijn jeugd veel naar Otis Redding en Wilson Pickett. Later ZZ Top en AC/DC en realiseerde zich dat hij vooral aangetrokken was door de bluesy getinte songs. De kenmerkende ooglap heeft Morgan te danken aan een raceongeluk met zijn motor, toen de muziek nog op de achtergrond stond, maar spoedig raakte hij in de ban van grootheden als Steve Ray Vaughan, Anson Funderburgh en Ronnie Earl.

Morgan ontwikkelde toch zijn eigen stijl en richtte samen met Darrell Nulisch the Crawl op in 1986. Darrell had veel kennis van bluesmuziek en bracht Mike in kennis met de Chicago bluesscène. Al snel werd Mike Morgan and the Crawl één van de beste bands in Texas met zelf geschreven songs en covers die ze speelden met hun eigen geluid. Nadat Nulisch de band heeft verlaten gaat Mike op zoek naar een vervanger en die wordt gevonden in de persoon van Lee McBee, die bovendien ook nog mondharmonica speelt en The Crawl een nog voller geluid geeft. Na hun debuutalbum in 1990 "Raw and Ready" volgen nog "Mighty Fine Dancin' ", "Full Moon over Dallas", "Ain't Worried No More", "Let the Dogs Run", "Looky Here!" en "The Road" voor het Black Top label. "Mighty Fine Dancin' " is dus het tweede album uit deze reeks met zijn beste kompaan Lee McBee, een samenwerking die duurde tot 1999, tot Lee McBee zelf zijn eigen band formeerde, voor Mike tijd om zelf de vocals te doen.

Mike Morgan is één van de leidinggevende gitaristen in de hedendaagse Texaanse bluesscène. De befaamde 'Texas Shuffle' is kenmerkend op al zijn platen en ontbreekt zeker niet op "Mighty Fine Dancin' ". Zijn uiterst inventieve gitaarwerk, de onderlinge chemie en de speelse swing die de oorspronkelijke twaalf swingende Rhythm & Blues nummers kleuren zijn een must voor de liefhebbers van de Texas Shuffle Blues. De opener "Losing Ground" spreekt meteen boekdelen, maar ook de overige nummers van de plaat knetteren uit de boxen. Voeg daarbij de vier bonus tracks op deze re-release - waarbij gast Anson Funderburgh in het afsluitende "Honey I need Your Lovin' " even als gitarist zijn intrede doet en Morgan zijn kunsten op drums demonstreert – en we kunnen voluit genieten van deze plaat die zich met gemak kan meten met de beste cd’s die Mike Morgan and the Crawl maakte en daarbij wordt Lee McBee algemeen aanzien als de beste blanke blueszanger van deze generatie.

JAMES HARMAN BAND

BLACK & WHITE

Dat James Harman zijn muzikale hoogtepunten kende in de jaren 90 bij het Black Top label, was reeds reden genoeg voor het Hepcat Label om reeds een aantal platen wederom uit te brengen. Van de nu 62-jarig James ‘Icepick’ Harman, de meester op mondharmonica, bespraken we dit jaar uitvoerig zijn bio bij de heruitgave van cd "Cards on the Table" uit 1994 (zie recensie).

Op deze cd bewijst hij zijn klasse met een pak eigen nummers, trouw aan zijn bluesroots, waarin hij weigert te imiteren maar innoveert des te meer. "Black & White" uit 1995 is dan ook een logische opvolger van dit succesalbum en bevat weerom mooie bluesharparrangementen en verfijnd gitaarwerk van Robby ‘Sugar Boy’ Eason. Verder weet hij zich te omringen door Joe Leaon op bas, Lee Campbell op drums en een stel zeer goede gastmuzikanten, waaronder een speciale vermelding voor Norman Harris op Hammond en Fred Kaplan op akoestische piano.

De opener "Too Right To Run" belooft veel goeds. Toch hebben we het nog meer voor de titeltrack, de twee zeer uitstekende toch zeer verschillende tracks "The Four Questions" en "Cold Tile Floor", en het superbe "Lock Doctor". Allemaal eigen werk, waarin hij bewijst dat hij kan componeren, want alle songs zijn stuk voor stuk zorgvuldig opgebouwd. Het schitterend bluesharp-geluid en de aanwezigheid van gitarist Robby ‘Sugar Boy’ Eason laat ons gewoon genieten van veertien songs die in het verlengde liggen van zijn vorige release, zijn hoogdagen/jaren bij het Black Top label en dan weet je wel wat u te wachten staat.

ANSON FUNDERBURGH AND THE ROCKETS feat. SAM MYERS

TELL ME WHAT I WANT TO HEAR

Op 15 jarige leeftijd begon Anson Funderburgh gitaar te spelen in lokale clubs. Hij kwam daar in contact met andere Texas gitaargrootheden als Jimmie en Stevie Ray Vaughan. In 1978 richtte hij zijn eigen band The Rockets op. Anson speelt pure Texas blues, met messcherpe maar nooit overdreven gitaarsolo’s.

Na het overlijden van Sam Myers in 2006 - hij was toen 70 - vervoegde hij de rij van reeds eerder overleden collega's en ging de geschiedenis in. De roots van deze visueel gehandicapte zanger/mondharmonicaspeler lag in Jackson, Mississippi. Al in 1957 schreef hij 'Sleeping In The Ground', later gecoverd door ondermeer Robert Cray, Blind Faith en Eric Clapton. Met zijn slepende stem en harmonica’s brengt hij sprankelende en flitsende harmonica blues.

In 1986 begonnen Anson en Sam samen te spelen, en zo volgde dan ook in dat jaar hun eerste release "My Love is Here To Stay" uit een reeks van acht van dit duo. Myers zijn geschiedenis is dan ook onlosmakelijk verbonden met gitaarwizard Funderburgh, ook al liepen de wegen van deze twee niet altijd samen.

De bescheiden wijze waarop Anson - die als gitarist een grote naam heeft - Myers' Delta harmonica en vocals assisteert, getuigt van klasse en feilloos vakmanschap. Begin jaren ’90 werden ze zelfs gelauwerd als "Blues Band Of The Year". Op hun laatste cd die Funderburgh en zijn maatje Myers voor Black Top maakten is het niet anders, de muzikale afstemming hapert nergens. Anson Funderburgh en The Rockets hebben voor dit label een niet onaangenaam klinkend album afgeleverd, geholpen door The Kamikaze Horns. De plaat werd: "Tell Me What I Want To Hear" gedoopt en werd opgenomen in de Goodnight Studios in Dallas, Texas in 1990. De twee bonus tracks die deze re-release afsluiten werden eerder opgenomen in Dallas in 1987. Samen goed voor een onvervalst schijfje bluesmuziek, met shuffles, ballads en boogie-woogie dat net geen uurtje duurt.

Anson schreef een aantal nummers samen met Myers, maar ook brachten ze afzonderlijk een paar songs aan. Anson’s gitaarsolo's zijn geen vulkaanuitbarstingen, maar beheerst en boeiend, hetgeen ook al duidelijk bleek uit de vorige heruitgaves van dit Hepcat Label. Sam Myers zingt daarentegen alsof hij hiervoor is geboren. Een oude bluesman als Myers kan nog vervaarlijk uithalen met de mondharmonica en bluesteksten overtuigend brengen, zonder ze als clichés te laten klinken. Zijn warme, hese stem die van diep komt en zijn stembanden doordrenkt met soul missen we dan ook sinds zijn overlijden, drie jaar geleden.

De toetsenist, Matt McCabe pingelt leuke solo's bij elkaar op piano. Jim Milan (bas) en Danny Cochran (drums) zijn de laag die nog onder de piano zit en ze doen hun ritmeplicht op trouwe wijze, zonder veel franjes. The Kamikaze Horns, een vierkoppige blazerssectie, spelen op een aantal nummers mee, maar het is wel Mark "Kaz" Kazanoff (tenor sax) die solerend kan uitblinken.

De openende titeltrack zorgt meteen voor een mooi klanktapijt, een song die ook gebruikt werd in de film "China Moon". "Rent Man Blues" is echter een sterk hoogtepunt, een humoristische dialoog tussen Myers en gastvocaliste Carol Fran. Het nummer "Happy Man" is tevens een song geschreven door deze Fran, waarin we echter haar vocals moeten missen, maar het is hier gastgitarist Clarence Holliman die in dit nummer de band komt versterken. Een cover van Elmore James kon natuurlijk ook weer niet ontbreken, die we hier terugvinden in de eerste bonustrack: "Make A Little Love Tonight".

Anson Funderburgh en zijn Rockets hebben dan ook een pracht van een plaat afgeleverd, met een rijke klank en een verscheidenheid aan talenten die aan bod komen. Ze weten diversiteit te brengen binnen het geheel van het album, zonder stijlbreuk te plegen of hun eigen sound te verliezen. Anson Funderburgh en Sam Myers waren tot wonderbaarlijke dingen in staat, iets wat eenieder zal bevestigen die hen ooit live zag optreden.

Deze reissue laat beide heren in topvorm horen, gerugsteund door een perfecte ritmesectie. Black Top had met hen prijsbeesten in huis, en wat dat opleverde aan top materiaal is terug te vinden op "Tell Me What I Want To Hear". Dit is toegankelijke muziek - zeker niet de hardste exponent van de hedendaagse blues - Texas jump blues & Delta blues gemaakt volgens de regels van het vak.


EARL KING & ROOMFUL OF BLUES

GLAZED


Deze nieuwe reeks heruitgaven van het Hepcat label sluiten we af met Earl King die zoals Snooks Eaglin ook geboren is in New Orleans en aldaar overleden, maar dan wel in het jaar 2003 aan de gevolgen van diabetes. Hij was 69 jaar. King is in de begin jaren '60 vooral beroemd geworden door het nummer "Come On Let The Good Times Roll", dat ook is opgenomen door mensen als Jimi Hendrix en Stevie Ray Vaughan. Earl King heeft vooral als songschrijver een enorme staat van dienst opgebouwd, om nog enkele van zijn honderden nummers te noemen: "Street Parade" en "Trick Bag", maar ook de bekende standaard "Big Chief" gecoverd door Professor Longhair. Deze nummers vormen een deel uit zijn oeuvre dat nog altijd schreeuwt om een cd-reissue, al was het maar omdat uit deze periode "Trick Bag", zijn laatste en grootste hit, dateert. In die periode wordt hij dan ook naast Snooks Eaglin beschouwd als één van de meest belangrijke figuren in de New Orleans R&B muziek scène en omgeving.

In '72 maakte hij eindelijk een eigen LP, die werd geproduceerd door Allen Toussaint. Het titelnummer "Street Parade" uitgebracht als single op Kansu, werd opnieuw een lokaal Mardi Grass succes, maar de LP zelf bleef tot '81 op de plank liggen. De investeringen daarin stonden in geen verhouding tot de snelle sessie voor de Sonet LP die Sam Charters in '77 met hem deed. Twee triomfantelijke tracks op de souvenir-dubbel-LP van het New Orleans Jazz & Heritage '76 deden hem meer recht, al was met een complete plaatkant daarop Allen Toussaint zowel kwalitatief als kwantitatief zijn meerdere.

Een lelijke smet op zijn professionele reputatie wierp hij in '87 tijdens het North Sea festival. Of het nu alcohol, dope of vrouwelijk vermaak was, is nooit helemaal opgehelderd. In elk geval had hij op dat moment andere prioriteiten, zodat hij - gekoppeld aan Roomful of Blues in hun aller finest hour - niet verder kwam dan drie nummers. Toch had hij toen net zijn eerste Black Top, "Glazed" (1986) uit, met begeleiding van datzelfde Roomful. Dit album was de eerste in een serie waarmee hij eindelijk de regelmaat, de exposure en de distributie te pakken had die een artiest van zijn kaliber toekwam. Zijn tweede LP voor dit label "Sexual Telepathy", kwam uit in 1990 met Snooks Eaglin als gast op twee tracks en ook de steun van Ronnie Earl & The Broadcasters op een aantal tracks. Zijn derde release voor dit label was "Hard River To Cross" (1993) met hier George Porter, Jr., David Torkanowsky, en Herman V. Ernest, III als backing.

Gitarist Duke Robillard en pianist Al Copley waren de initiatiefnemers van Roomful of Blues die in 1967 werd opgestart. Het repertoire omvatte vooral blues-rock, maar onder invloed van Robillard koos men resoluut voor jump blues om vervolgens in 1970 een blazerssectie aan de groep toe te voegen, die onder andere Greg Piccolo (tenor sax), Doug James (bariton sax) en trombonist Porky Cohen omvatte. Deze blazers kregen dan ook versterking van Rich Bataille (alto sax) en Bob Enos (trompet) om te fungeren als de Roomful of Blues blazerssectie bij de opnames van King's eerste Black Top LP, "Glazed", een groep die ook vooral gekend én erkend was als een prima backing band voor artiesten als Eddie ‘Cleanhead’ Vinson en Big Joe Turner.

Zoals B.B., Albert, en zelfs Freddie voor hem, bracht ook Earl King met "Glazed" een gedreven album op de markt, niet alleen door toevoeging van al deze blazers, maar ook door het verfijnde gitaarwerk van Ronnie Earl. Dat Earl King toen al goed was voor dertig jaren songwriting, is duidelijk aan zijn songkeuze, want vele originals als "It All Went Down the Drain", "Iron Cupid" en "Love Rent" passeren hier, waarbij de bijgevoegde bonustrack "Don't Leave Me Here To Cry" met vocals van Cutis Saldago een heerlijk toemaatje is.

 

Artiest info
Website  
Myspace  

Label: Hepcat Records
Distr.: Parsifal

 

Snooks Eaglin

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mike Morgan

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

James Harman

 

 

 

 

 

 

 

Anson Funderburgh

Sam Myers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Earl King