JOHN HIATT - THE OPEN ROAD

Lyle Lovett en John Hiatt vulden de vorige maand zowat 2,5 uur lang de AB met prachtige songs. Levende legendes uit de Amerikaanse rootsmuziek die samen op één podium staan. Reden genoeg dat de Ancienne Belgique afgeladen vol zat. En geen mens die achteraf spijt had dat hij zich door de sneeuw had gewaagd: het werd een bloedmooi concert. Met zijn vaste band, Kenny Blevins op drums, Patrick O'Hearn op bas en Doug Lancio op gitaar heeft hij in zijn tot studio omgebouwde garage de rock en blues op zijn nieuwe album "The Open Road" lekker vet aangezet. De gitaren zijn krachtiger, soms donkerder en die typerende stem is nog scherper dan anders, waarvan we getuige waren tijdens dit concert in de AB.

John Hiatt is het levende bewijs dat ongelukkige omstandigheden niet altijd de grootste creatieve inspiratiebron zijn. Na afgekickt te zijn van zijn alcohol- en drugsverslaving en de zelfmoord van zijn eerste vrouw verwerkt te hebben maakt hij zijn absolute meesterwerk "Bring The Family". Dit betekent ook zijn doorbraak naar het grote publiek met de single "Have A Little Faith In Me". We schrijven hier 1987 (de single breekt twee jaar later door) en Hiatt heeft er al vijftien jaar songwriterschap opzitten. Ook in deze voorgaande periode levert hij, later vaak vergeten, vakwerk af.

Zijn eerste twee albums "Hangin’ Around The Observatory" (1975) en "Overcoats" (1976) zijn voorbodes van vakmanschap in wording, maar laten ook het zoeken naar een stijl horen. "Slug Line" (1979) en "Two-Bit Monsters" (1980) laten horen dat hij sterk beïnvloed is door Elvis Costello. Hiatt ondervindt veel last van de hierboven genoemde problemen en dat horen we terug op "All Of A Sudden" (1982). "Ridin’ With The King" is een revanche met een aantal zeer sterke nummers. Het is misschien ook wel zijn meest Amerikaanse album en hierdoor een cruciale plaat voor de liefhebbers van Americana. "Warming Up The Ice Age" (1985) lijkt een tussendoortje maar is zonder meer de moeite waard. Totdat in 1987 "Bring The Family" verschijnt, deze cd verdient een plaats in ieders muziekcollectie. Hiatt gedijt goed onder dit succes, hij toert en doet ook Belgie en Nederland aan voor een aantal memorabele concerten. En hij gaat door met cd’s uitbrengen van bijzonder hoge kwaliteit "Slow Turning" (1988) met begeleidingsband The Goners, kan wedijveren met zijn voorganger. "Stolen Moments" (1990), "Perfectly Good Guitar" (1993) en "Walk On" (1995) zijn stuk voor stuk Appelation Hiatt Controlée. Het succes van "Have A Little Faith In Me" wordt niet meer geëvenaard maar zijn fans blijven trouw en waarderen Hiatt als grootste songwriter van zijn generatie. Tussendoor manifesteert Hiatt zich nog met de supergroep Little Village. Ondanks de sterbezetting (Ry Cooder, Nick Lowe) en een verdienstelijke cd komt het project niet van de grond. Het na deze reeks volgende "Little Heads" (1997) kent een aantal goede nummers maar is toch niet zo sterk als zijn voorgangers. Het is niet gek dat "Crossing Muddy Waters" (2000) drie jaar op zich laat wachten. Hiatt is druk met zijn gezinsleven, hij is nog altijd hevig verliefd op zijn tweede vrouw en vindt het prachtig om zijn dochtertje Georgia Rae (vereeuwigd op Slow Turning) op te zien groeien. Maar uiteindelijk is "Crossing Muddy Waters" een ijzersterk album dat terugvoert naar de roots van Hiatt’s bestaan. Precies een jaar na dit magistrale album verrast Hiatt ons met zijn zeventiende opus "The Tiki Bar Is Open" (2001). De voorganger werd overwegend akoestisch gespeeld, maar het gepolijste "The Tiki Bar Is Open" samen met The Goners is duidelijk een elektrisch werkstuk en is misschien wel één van zijn meest toegankelijke cd’s, maar ging weer roemloos ten onder. Op “BeneathThis Gruff Exterior” (2003) is Hiatt met diezelfde Goners echter weer ouderwets recht voor z’n raap. Gesteund door slide-virtuoos Sonny Landreth, nam hij dit album in acht dagen live in de studio op. Resultaat : ongecompliceerde rock & roll. Voor "Master Of Disaster" (2005) trok Hiatt naar de Ardent Studios in Memphis, de geboortestad van de rock ‘n’ roll en één van de heilige plaatsen van de blues. Een uitstekende omgeving dus om een plaat op te nemen. Hiatt klinkt op deze plaat dan ook ouderwets gedreven, een cd die zich kan meten met "Bring The Family". Maar ook "Same Old Man" uit 2008 liet een stijgende lijn horen, waardoor zijn 21ste album "The Open Road" aardig dicht in de buurt komt van zijn vorige releases en zelfs deze voorgangers met verve overtreft.

"The Open Road" is dan ook een typische John Hiatt plaat in zijn eigen bekende mix van blues en rock gecombineerd met tal van andere invloeden als folk en country tot zelfs invloeden uit de jazz. Vergeleken met de vorige releases is "The Open Road" net iets luider wat steviger, luister maar even naar de rockers "What Kind Of Man" en "Haulin'" met steeds die beschaafd ronkende gitaren tot de spetterende bluesrock opener. Al heeft de plaat ook zijn wat meer ingetogen momenten als de bluesy sleper "Fireball Roberts" krijgen we hier het hoogtepunt in de vorm van een onvervalste tearjerker "Wonder Of Love", een klassieker in wording!

Zijn teksten zijn verhalend, ontroerend en geestig als altijd, steeds in de perfecte songstructuur, waarbij terug kijkend naar zijn leven door een achteruitkijkspiegel de inspiratie was voor Hiatt's nieuwe album. Tot de andere hoogtepunten behoren het countryrockende "Homeland" en de stompende blues "Like A Freight Train", een nummer dat we reeds konden horen tijdens zijn concert in de AB begin februari (zie clip). Zijn 21ste album is gewoon verpakt in elf tracks met veel variatie, die staan als een huis. Hiatt's rauwe stem en op de mooiste momenten een lekkere slide blijven Hiatt's unieke kenmerk, het broeit wederom op "The Open Road".

 

Artiest info
Website  
 

Label: New West Records
Distr: Sonic Rendezvous

video