RUPERT WATES – AT THE LOSERS’ MOTEL

Mooi, uitzonderlijk mooi… De pogingen om met een paar rake, intelligent gekozen adjectieven ‘At The Losers’ Motel’ van Rupert Wates te omschrijven heb ik moeten staken. Er is namelijk geen beter gekozen bijvoeglijk naamwoord als ‘mooi’ om deze klus te klaren. De akoestische folk van Wates maakt indruk, niet in het minst omwille van de lichtjes fantastische arrangementen.

De titeltrack, die meteen dienst doet als opener, is een prima voorbeeld van mijn stelling. Enkel bijgestaan door contrabas, begeleidt Rupert Wates zichzelf op akoestische gitaar. ’s Mans stem komt op die manier uitzonderlijk goed tot zijn recht. Vanaf het eerste nummer ben je ontegensprekelijk mee en leidt Wates de luisteraar op zijn eigen manier rond in zijn kleine wereldje.

Het instrumentarium op ‘At The Losers’ Motel’ is beperkt tot de eerdergenoemde gitaar en contrabas, aangevuld met percussie en een occasionele cello of viool. De akoestische artfolk, zoals Wates het zelf noemt, mag dan al bogen op een beperkt aantal instrumenten, leeg klinkt het nooit. De songs op ‘At The Losers’ Motel’ zijn alle twaalf van een ongezien niveau. Persoonlijke favorieten heb je echter altijd. Zo weten ‘When Love Came To Stay’ of ‘Be Near me’ telkens weer opnieuw uw dienaar te raken tot in het diepst van zijn vezels en is het haast onmogelijk om stil te zitten op ‘Waiting To Begin’. En als ‘Bird Of Dawn’ door de luidsprekers klinkt, is het al helemaal onmogelijk om niet mee te gaan in de trip van deze songsmid. Elke song op deze plaat heeft wel iets waarbij je teruggrijpt naar dat ene woord: ‘mooi’…

Verantwoordelijk voor al dit, jawel, moois, is dus Rupert Wates. De man werd geboren in Londen en is sinds 1992 full-time songschrijver. Hij schreef liedjes in allerlei verschillende stijlen voor nog meer verscheiden artiesten. Zo werkte hij in de jaren negentig met jazz-zangerers Liz Fletcher. Die jazzinvloeden zijn op ‘At The Losers’ Motel’ trouwens nooit ver weg.

In 2001 verhuisde hij naar Parijs, waar hij zich vooral toelegde op zijn rol als zanger en performer. Hij vormde zijn eigen groep en in 2005 nam hij zijn eerste album op als soloartiest. Een jaar later werden de Verenigde Staten zijn thuisbasis, waar zijn muziek warm werd ontvangen. Om een voorbeeldje te geven: de man won tussen 2007 en 2011 maar liefst 25 awards omwille van zijn songschrijverscapaciteiten. Nu sta ik eerlijk gezegd nogal sceptisch ten opzichte van ‘prijzen’ als het gaat om zoiets subjectief als muziek, maar het geeft aan dat er wel meer mensen zijn die het werk van Rupert Wates weten te waarderen.

In 2010 bracht Wates ‘Joe’s Café’ uit, een plaat met vijftien eigen songs, gebaseerd op waargebeurde verhalen. Elke song werd vertolkt door een andere zanger. Doorheen de nummers en verhalen wordt op die plaat de geschiedenis van de Verenigde Stagen verteld. ‘At The Losers’ Motel’ is dus het meest recente wapenfeit van deze moderne troubadour en ondanks het feit dat ik perfect kan stellen dat dit een van de mooiste platen is die ik dit jaar al heb gehoord, valt het me ontzettend zwaar om juist aan te duiden waarom dat zo is. Zijn het de topmuzikanten die meespelen op deze plaat, of is het net het gegeven dat de bezetting zo bescheiden is dat mij weet te bekoren? Is het de met momenten breekbare stem van Wates, zijn fijnzinnige en perfect afgemeten teksten of zijn onberispelijk gitaarspel dat van ‘At The Losers’ Motel’ zo’n topplaat maakt? Ik denk dat u het met mij eens zal zijn als ik zeg dat deze cd ongeveer alles heeft wat een goede cd in huis moet hebben. Nu het grote publiek nog overtuigen…

(Preach)

Artiest info
Website  
 

Label: Bite Music