CESARIA EVORA - MISS PERFUMADO

Er zijn zo van die artiesten die veel meer doen dan zingen en muziek maken. Ze staan symbool voor hun land, voor hun volk. Omdat ze ijverige redenaars zijn die hun volk met muziek vooruit willen helpen, of gewoon omdat ze zo’n mooie muziek maken. Dat laatste is het geval voor Cesária Évora, een naam die meteen opkomt als je het over Kaapverdië hebt. De ‘diva op blote voeten’ was uitgegroeid tot de Creoolse Billie Holiday en was samen met Miriam Makeba ongetwijfeld één van Afrika’s grootste zangeressen, maar sinds 2005 ging het niet goed met haar gezondheid, en onderging ze een aantal operaties. Daarom zong Évora twee jaar geleden haar laatste concert, in Lissabon. Twee dagen na dat optreden werd zij getroffen door een hartaanval. Zij herstelde in haar thuisland, op het eiland São Vicente, maar moest even later na een beroerte haar definitieve afscheid van de internationale podia aankondigen. Op 17 december 2011 overleed Évora op 70-jarige leeftijd aan de gevolgen van hartfalen.

Vanaf haar late ontdekking in 1987 tot kort voor haar overlijden, bespeelde de Kaapverdische de grote wereldzalen en bracht zij het publiek tot tranen met haar weemoedige liederen, gedrenkt in levenspijn en melancholie. Évora kon zo groot worden omdat zij in haar muziek werelden samenbracht. De zangeres zong de Kaapverdische 'morna', een liedvorm die Afrikaanse ritmiek koppelt aan Braziliaanse, en aan de fado, het Portugese levenslied. Een stijl dus met een tragische achtergrond van kolonialisme en slavenhandel, maar ook één met een helende werking. Wie zich overgaf aan de 'saudade' van Évora kon de eigen grote pijn tijdelijk vergeten en gelouterd voorwaarts.

Cesária Évora werd geboren op 27 augustus 1941, in het havenstadje Mindelo . Het gezin Évora leefde in grote armoede en nadat vader was overleden in 1948, en moeder de zorg voor haar zes kinderen niet meer aankon, werd Cesária op 10-jarige leeftijd afgestaan aan de armen- en wezenzorg. De jonge Évora zong de ellende van zich af in het koor van het weeshuis, en zij deed dat niet onverdienstelijk. Op 16-jarige leeftijd ontmoette zij de zeeman Eduardo, volgens Évora later 'de liefde van haar leven'. Hij onderwees Évora in de traditionele Kaapverdische zangstijlen als de morna en de coladera, en Évora wist de smartelijke liederen als geen ander te vertolken. Al snel dook Évora het café in, om voor wat geld te zingen voor de bootwerkers en matrozen in de havenkroegen van Mindelo. Later werd Évora gecharterd door de cruiseschepenbranche, waar zij met haar authentieke morna's en couleur locale de scheepstoeristen kon behagen. In die tijd raakte Évora aan lager wal. Zij zwoer bij alcohol en sigaretten en bouwde een stevige verslaving op die zij ook in later jaren maar moeilijk wist te bestrijden. Haar talent werd lokaal wel erkend maar Évora wist niet los te breken uit het kroegmilieu, waar zij bleef zingen voor een paar glazen drank, aan de bar, sigaretje in de hand.

Pas halverwege de jaren tachtig, na een tiental volgens Évora 'zwarte jaren', kwam er enig licht in de zangcarrière van de Kaapverdische. Zij werd uitgenodigd door de zanger Bana, die zoals vele Kaapverdianen na de onafhankelijkheid van de eilandengroep in 1973 waren geëmigreerd naar de Portugese havenstad Lissabon, om te komen zingen in, alweer, het kroegcircuit. In 1987 stapte de Frans-Kaapverdische producent José da Silva een café in Lissabon binnen, waar Évora net smartelijk aan het zingen was geslagen. Évora werd uitgenodigd in Parijs, trok bij het gezin Da Silva in, en samen maakten ze een ronde langs de grote platenmaatschappijen, maar gezien deze niet toehapten stak Da Silva zich diep in de schulden en bracht in 1988 in eigen beheer Évora's debuutalbum "La Diva Aux Pieds Nus" uit, een titel die verwees naar Évora's favoriete verschijningsvorm als zangeres: op blote voeten. Het werd een sensatie. Van de plaat werden in een paar weken duizenden exemplaren verkocht. De interesse van de platenmaatschappijen was nu wel gewekt en Évora tekende bij Sony, waar ze honderdduizenden platen zou verkopen. Haar grootste succes werd de plaat "Miss Perfumado" uit 1992.

Op deze plaat, "Miss Perfumado",  kwam de kruisbestuiving tussen Afrikaanse blues, Portugese Fado en Braziliaanse Bossa Nova volledig tot haar recht , een plaat waarmee ook commercieel gescoord werd, niet in de laatste plaats door bekendheid van het nummer "Sodade". Om dit te vieren, brengt Legacy Recording nu 20 jaar later, nl. op 29 oktober,  een 2CD special edition van "Miss Perfumado" uit, die voor de eerste keer het orginele geremasterde album bevat, evenals een tweede CD met een compilatie van haar eerste drie albums: "La Diva Aux Pieds Nus" (1998), "Distino Di Belita" (1990), "Mar Azul" (1991), plus een niet eerder uitgebracht nummer "Papa Joachim Paris".  In totaal dus 17 geremasterde tracks en een boekje van 56 pagina’s. De ontwikkeling die Évora doormaakte is daarmee goed te horen. In het materiaal van haar debuut "La Diva Aux Pieds Nus" is het nog zoeken naar de juiste vorm, hoewel dit wel georkestreerde parels als "Cabo Verde Terra Estimada" oplevert. Later vindt ze haar eigen geluid, gedomineerd door bandoneon en blaasinstrumenten, culminerend in het meesterwerk "Miss Perfumado", en altijd voorzien van melancholie en verlangen. Ook al versta je er niets van, toch voel je de tristesse doorheen elk nummer doorsijpelen, ook tijdens de iets snellere nummers. Maar tegelijkertijd blijft alles mooi en lieflijk klinken. Die combinatie maakt haar muziek onweerstaanbaar.

 

 

 

 

Artiest info
   
 

Label: Legacy Recording
Distr.: Sony Music

video