SUGARCANE COLLINS – GOING BACK TO CLARKSDALE

 

“ What do Australia, South Louisiana & the Mississippi Delta have in common?...
“ (“Sugarcane”!)

De muzikale roots van de Noord Australische singer-songwriter / gitarist Andy “Sugarcane” Collins liggen geworteld in het diepe Zuiden van de Mississippi. Collins is sterk geïnspireerd door de Delta blues van Charlie Patton (1891-1934), de slide blues van gitarist Eddie James “Son” House Jr. (1902-1988), de frisse ragtime van “Blind” Arthur Blake (1896-1934) en de zanger Huddy William Ledbetter aka “Lead Belly” (1885-1945).

Ook voor Collins begint zijn muzikale carrière in het plaatselijk kerkkoor. Dit verandert snel, als hij van zijn vader toen hij zeven was, een gitaar krijgt. Door met zijn zakmes over de snaren te schrapen, speelt hij zijn eerste slides. Zijn verdere toekomst als rondtrekkende blues zanger, is toen al verzegeld. Op zijn achttiende, in de late jaren ’70, vertrekt hij naar het Noorden richting Cairns, de laatste stad in het noordoosten van Queensland. Cairns is bekend als exporthaven van suikerriet (sugarcane!) en om de lokale pubs aan de kust, waar vaak muzikanten optreden. Collins leert er van de oudere geroutineerde muzikanten als Geoff Munton, Donny Andrews en Chuck Hutchin en was snel klaar, om er zelf nummers van Southern country blues mannen te brengen. In de jaren ’70 en ’80 was het muziekleven in Cairns heel levendig. Collins speelt er samen met mondharmonicaspeler Steve Gilbert en de banjo speler Jules Williamson.

Met de “Barron River Drifters”, een zeskoppige cowboy jazz band, haalt Collins tussen 1987 en 1992 zijn eerste grote successen. De band heeft ook veel succes in Tamworth, de hoofdstad van de country muziek in Australië. In 1992 verlaat Collins de groep, om in Europa solo te gaan touren onder de naam “Black Cat Tail”. In die periode schrijft hij ook zijn eerste nummers. Als hij naar Australië terug keert neemt hij in 1999 met producer James Mann zijn debuut album “Baron Delta Blue” (met de hit song “Pascoe River”) op. Collins wint dan zijn eerste Awards. In 2003 wordt “Lake Street Serenade” uitgebracht. Het album haalt drie ‘Sunnie’ awards en Collins zelf wordt ‘Songwriter of the Year’. Collins treedt daarna op in de voornaamste festivals in Australië en vertrekt in 2005 naar de US, voor zijn eerste solo tour. Hij treedt er op samen met Coco Montoya, WC Clark en jamt er met de legendarische pianospeler Pinetop Perkins. Sugarcane Collins wordt snel een wereldvedette en tourt verder de wereld rond, van de juke joints in Mississippi tot in de bars van Buenos Aires…

“Going Back To Clarksdale” is het zesde studio album van Collins. Op dit album heeft Collins, naast drie eigen nummers, enkele van zijn favorieten standards herwerkt en opnieuw opgenomen met Amerikaanse en Australische muzikanten. De opnamen gebeurden in New Orléans, Clarksdale en Cairns. Dit album is na “Way Down The River” (2007), waarmee hij de nominatie ‘Australian Blues Album of the Year’ won, zijn derde blues album. Met zijn vorige album “Downunder The Blues” (2013) won hij in 2014 de ‘Australian Male Blues Singer of the Year’ nominatie.

”Flip Flop Fly” opent “Going Back To Clarksdale” met New Orléans flair, doet je swingen en je zorgen verdwijnen. Aaron Fletcher is hier de saxofonist van deze mini big band, met naast hem Glenn Hall III op trompet en Terrance Taplin op trombone. Richard M. Jones aka Richard Marigny Jones (1892–1945) was een jazz pianist, componist en producer. Hij schreef o.a. dit mooie, wat trieste en met frustraties doordrenkte ”Trouble In Mind”, dat Collins samen met saxofonist Ruedi Homberger heel knap en overtuigend brengt. Naast Collins op akoestische gitaar is ook Paul Green op elektrische gitaar, met enkele solo’s te horen. Wat hierna volgt zijn twee van mijn favorieten. Eerst is er ”Creole Belle” van Mississippi John Hurt, met naast fingerpicking Collins, enkel Kirk Steel op accordeon. Dit is pure klasse als je niet meer nodig hebt, om de juiste gevoelens over te brengen. In de traditioneel ”St. James Infirmary Blues” die hierna volgt, gaat Collins nog een stap verder, door het origineel opnieuw te herschrijven. "St. James Infirmary (Blues)" is gebaseerd op een 18e-eeuws traditioneel Engels volksliedje “The Unfortunate Rake”. "The Unfortunate Rake" gaat over een zeeman die zijn geld verkwanselt aan prostituees en vervolgens overlijdt aan een geslachtsziekte. Ditzelfde thema wordt opgenomen door verschillende versies van het lied, vaak met een moraliserende strekking dat een jongeling zijn gezondheid en zijn leven verknoeit. In Amerika werden onder die verderfelijke zonden ook gokken en alcohol genoemd in de tekst. Het nummer begint als een tragedie. De intro is heel atmosferisch en orgel klanken vullen de ruimte, waar de klarinet van Homberger, de piano en het orgel van Bill Malcow, heel subliem in de sfeer kerven. Het verhaal gaat over een geliefde die overleden is "zo bleek zo koud en zo eerlijk". Als de overige muzikanten invallen, slaat de sfeer om en wordt alles even vrolijk. Voor Big Joe McKinney (die er in het nummer in de bar bij was) is dit een wandeling langs de hel, waarbij de gemoederen nog meer verhit geraken. Het nummer eindigt met een mompelende, weg deinende New Orléans band, die langzaam verdwijnt in de verte en stilte van de nacht. De titel song ”Goin’ Back To Clarksdale” is een van de drie eigen composities. Collins, Stan Street op harmonica, drummer Lee Williams, Paul Green en bassist Wil Kepa, nemen ons mee voor een lange rit met de Greyhound bus naar Clarksdale. Een rit, die vele blues mannen zeker ook al gedaan hebben. Van de Mississippi Sheiks is het bekende rustige ”Sitting On The Top Of The World”, dat een Collins / Stan Street nummer is. Hierna volgt ”Baby It Must Be Love” van Blind Willie McTell, dat opnieuw fingerpicken voor gitaristen met snelle vingers betekent. Naast ragtimer Homberger is er ook Peter Ella voor het eerst op mandoline te horen. Nog meer nieuwkomers zijn er te horen in ”Hungry, Broke & Blue”. Giles Smith op ‘bull fiddle’ (een variant van de staande bas, die vaak in bluegrass gebruikt wordt) en Nigel Pegrum die met match box autootjes schudt. Na een derde eigen compositie (een hommage aan) ”Blind Willie” volgen er Son House’s ”Walking Blues”, dat ook een update kreeg en als afsluiter ”Memphis Town” van Leroy Carr. Ella is er voor Son House de laatste keer bij op mandoline, Paul Green op slide gitaar en Stan Street op harmonica. Voor het afsluitend feestje zijn dit Bill Malchow op piano, Homberger op sax.

Als muzikant brengt Sugarcane Collins een mix van New Orléans jazz, ragtime en Delta blues en is hij, gezien zijn afkomst, vrij uniek. Wat hij al enkele albums doet, bewijst hij met bravoure met zijn nieuwe album “Going Back To Clarksdale” opnieuw. Collins spreekt en zingt de oude blues met klasse en gemak, alsof hij er geboren is.

Rest nog één detail te vermelden over de foto van het ‘Riverside Hotel’ in Clarksdale, die op de voorkant van de CD booklet afgedrukt staat. Ben je ooit van plan eens naar Clarksdale te gaan en je kan er overnachten in het Riversdale Hotel, vraag dan niet naar de Muddy Waters of Howling Wolf Room, maar naar kamer 2A, de Sugarcane Collins Room. Plug je oortelefoon in en luister, terwijl je ontspannen op je bed ligt, naar “Going Back To Clarksdale” van Collins, “a wonder, from downunder”... (om hier even de woorden van Rainy Wetnight te gebruiken). Ik ga dit zeker eens doen!

Eric Schuurmans

 

 

Album track list: 1”Flip Flop Fly” [Calhorn/Turner] - 2”Trouble In Mind” [Richard M. Jones] - 3”Creole Belle” [Mississippi John Hurt] - 4”St. James Infirmary Blues” [trad. arr. A.Collins] - 5”Goin’ Back To Clarksdale” - 6”Sitting On The Top Of The World” [Mississippi Sheiks] - 7”Baby It Must Be Love” [Blind Willie McTell] - 8”Hungry, Broke & Blue” - 9”Blind Willie” - 10”Walking Blues” [Son House] - 11”Memphis Town” [Leroy Carr]– Songs by A. Collins, or as [noted: 2,3,6,7,10,11] – Produced & arranged  by Sugarcane Collins

Album Line-up:
Sugarcane Collins: vocals, acoustic guitar
Paul Green: electric guitar (2,5,10)
Peter Ella: mandolin (7,8,10)
Giles Smith: bull fiddle (8)
Cornell Williams: bass (1,4)
Wil Kepa: bass (2,5,10,11) & drums (2)
Kindler “Mac” Carter: drums (1,4)
Lee Williams: drums (5,10,11)
Ben Hakalitz: percussion (4)
Nigel Pegrum: matchbox (8)
Bill Malchow: piano (1,4,11), Hammond (1,4)
Kirk Steel: accordion (3)
Stan Street: harmonica (5,6,10,11)
Aaron Fletcher: sax (1,4)
Glenn Hall III: trumpet (1,4)
Terrance Taplin: trombone (1,4)
Ruedi Hornberger: sax (2,4,11), clarinet (4,7)

Discography:
2015 - Going Back To Clarksdale
2014 - Way Up North - CD/DVD
2013 - The Bush Cook - DVD
2013 - Downunder The Blues
2007 - Way Down The River
2003 - Lake Street Serenade

Artiest info
Website  
 

video