KAIPA DA CAPO - DÅRSKAPENS MONOTONI

Vroeger, heel lang geleden, toen we nog jong en mooi waren -het “jong- ligt intussen een tijdje achter ons-, was er een muziekgenre dat toen nog niet progrock heette, maar waartoe bands als Yes, Genesis en Pink Floyd gerekend werden. In het jeugdhuis, waar ik toen nogal wat dagen en avonden placht te slijten, hadden we één kerel -hij is inmiddels al een tijdje niet meer onder ons-, die de hele scene werkelijk door en door kende en die enige missioneringsdrang vertoonde. Had hij weer iets nieuws ontdekt -of dat nu uit Brazilië kwam of uit Australië maakte niet uit, hij kende het en hàd het-, dan bracht hij dat mee naar de club en dan eiste hij met zachte dwang de draaitafel -zo heette dat toen nog- op en liet ons kennis maken met zijn nieuwste trouvaille.

Op één van die avonden kwam hij aanzetten met een elpee van Kaipa, een ons allen toen totaal onbekende band uit het Zweedse Uppsala. Na veertig jaar herinner ik me zelfs de titel van die plaat nog: “Inget Nytt Under Solen”, net zoals ik me de hoesfoto, met een soort maanlander erop nog voor de geest kan halen. Ik weet zelfs nog dat de eerste kant van de plaat maar één nummer bevatte: “Skenet Bedrar”, een lange suite van meer dan twintig minuten, die we eindeloos vaak beluisterden, of minstens als achtergrond hoorden in de hele late uurtjes.

Waarom nu deze hele lange inleiding? Wel simpelweg omdat Kaipa sinds enige tijd uit z’n asse herrezen blijkt te zijn en al een aantal jaren opnieuw live optreedt. Dat gebeurde in den beginne nog met het songmateriaal van toen, dat live herwerkt werd, maar vandaag is er dus een heuse, echte nieuwe CD met nieuw werd, onder een nieuwe, wat voor de hand liggende naam. “Da Capo” betekent in muziektaal zoveel als “opnieuw” en dus vinden we in de kleine lettertjes van het CD-boekje de namen terug van de oudjes van Kaipa: Roine Stolt, Ingemar Bergman en Tomas Eriksson, die twee nieuwe gezichten meebrengen, namelijk leadzanger Michael Stolt (iets zegt mij dat hij de “zoon van” of “broer van” is) en toetsenist Max Lorentz.

Deze nieuwe CD is dus eigenlijk een soort comebackplaat geworden en als je ze beluistert, denk je dat de tijd heeft stilgestaan. De klank van nu is de klank van toen, de melodieën worden op precies dezelfde wijze opgebouwd, dit is vintage progrock, maar tegelijk sluipt er een frisse wind doorheen, die ik, met mijn beperkte woordenschat, “goesting” zou durven noemen. Je hoort dat het vijftal er zin in heeft, dat ze genieten van het samenspelen en vooral dat ze echt “samen” spelen. Ze werken met z’n allen een idee uit tot een vaak lange song, die weliswaar deel uitmaakt van het geheel van de plaat, maar ook perfect op zichzelf kan blijven bestaan.

Dat leidt tot -en ik wik mijn woorden, want ik ben echt een bijna-onbeschreven blad in het genre- een fijne, ultra-beluisterbare plaat, die ik vanwege mijn ondeskundigheid nergens mee kan vergelijken, als denk ik wel eens aan Yes of Genesis, maar die vooral een paar heel mooi nummers bevat. Ik citeer er twee: “Det Testa Guldet” en “Tonerna”; Ze duren samen bijna een half uur, maar ze vormen, volgens mij, de ruggengraat van deze redelijk episch klinkende plaat die het -dat durf ik dan weer wél beweren- heel goed zal doen in wat overblijft van “de” kringen van toen.

(Dani Heyvaert)

 

 

Artiest info
Website  
 

video