MAKAN BADJÉ TOUNKARA - DABA

Zelden aan een recensie begonnen met minder informatie dan aan deze hier. Madan Tounkaré blijkt een kleinzoon te zijn van de grote griot Djeli Baba Sissoko en heeft samengespeeld met de groten uit het genre, van Salif Keita over Baaba Maal en met zijn tante, Mah Damba, met wie hij twee platen opnam. Onder eigen naam is deze “Daba” zijn derde CD, maar datgene waar Makan vooral om vermeld en geprezen wordt, is zijn idee om de ngoni, die traditioneel vier snaren telt, met drie extra snaren uit te breidelen op die manier de kloof met de kora enigszins te overbruggen. Die innovatie blijkt haar effecten te hebben, want vandaag bespelen zowat alle mandingué-griots een zevenjarige noni. Dat is meteen het belangrijkste kenmerk van deze CD: de solo’s op ngoni zijn een pak toegankelijker dan wat je vroeger wel eens placht te horen en waarbij de monotonie al eens door de ontvankelijkheid door onze Westere oren kwam fietsen.

De CD bevat elf nummers, die op heel traditionele wijze, de rol van de griot vertolken: de griot staat tussen de mensen, maar heeft een brede kijk op mens en maatschappij en becommentarieert de gebeurtenissen, geeft raad, wijst op de banden met het verleden, toont de weg naar de toekomst, adviseert het publiek over hoe het zich het best gedraagt in deze of gene situatie…enfin, hij is “de wijze man”.

Opener “Bélédougou” is een hommage aan de gelijknamige regio in Centraal-Mali, bevolkt door mensen die van de landbouw leven. Vandaar ook de titel van de plaat: “Daba” is de typische Afrikaanse hak, waarmee de grond omgewoeld wordt, zodat hij bezaaid en beplant kan worden. Dat instrument is van levensbelang voor de volkeren waar Makan zich toe richt. In “Foula” richt de wijze man zich tot dat volk, om erop te wijzen dat we in dit leven eigenlijk altijd in kringen draaien, klein of groet. Het leven is één grote cirkelbeweging en vroeg of laat zullen we van deze wereld verdwijnen, wat we ook ondernemen. In “Mogo GNouma” geeft hij de luisteraars goede raad over hoe ze zich in de samenleving moeten gedragen: het tegengestelde van een integere man is een idioot…

De bijzondere positie die de hond inneemt in het leven van de Diarra wordt bezongen in “Nogon Kele”, terwijl “Ocean” opgedragen is aan allen, mannen, vrouwen, kinderen, die het leven gelaten hebben op zee. In “San Sene” roept Tounkara alle migranten op om naar huis terug te keren en zich met de aarde te verzoenen: het is de aarde, de grond, die ons allemaal voedt en we moeten er dus niet van weglopen. “Mousso” is dan weer een ode aan de vrouw en haar heupen: zodra ze die beweegt, vergeten mannen al hun zorgen: zonder vrouw is er geen leven….

U merkt het: dit is pure Griot-muziek, die heel traditioneel van concept is en dus ook alle kenmerken van het genre vertoont: verhalende songs met veel herhalingen erin, één stem, die de boodschap brengt en simpele instrumentatie, die beperkt is tot zang, bas en milde percussie. Heel knap gespeeld en gezongen, zonder bijzonder vernieuwend te zijn, maar op tijd en stond mag en moet aan de grondprincipes herinnerd worden. Dit is, met andere woorden een fijne plaat, die niet meteen grensverleggend, maar wel bijzonder degelijk gebracht en een heel leuke kennismaking met het genre, voor wie er nog niet vertrouwd zou mee zijn.

(Dani Heyvaert)

 


Artiest info
Website  
 

label : Buda Musique
distr.: Xango