PHOENICIAN DRIVE - PHOENICIAN DRIVE

Dik anderhalf jaar geleden, 21 april 2017 om precies te zijn, had ik het genoegen voor dit magazine uitgestuurd te worden naar het verre Roeselare, voor een concert-annex-interview met de Malinezen van Tamikrest. Daar was ik toen niet geweldig onder de indruk van het voorprogramma, dat me wel bekoorde qua klank, maar dat telkens gigantisch veel tijd liet verlopen tussen de nummers, met als gevolg dat elk beetje opbouw uit de set weggleed en de band zichzelf als het ware verplichtte steeds weer opnieuw te beginnen. Aan het eind van de rit bleef zowat iedereen met een onvoldaan gevoel zitten: “het” had wel iets, maar dat was er die avond duidelijk niet uitgekomen. Daar dacht ik niet eens aan, toen ik, nietsvermoedend, deze CD in de lader schoof: ik had, om heel eerlijk te zijn, de naam van de band niet genoteerd, maar al na een half nummer had ik een flashback naar die avond in Roeselare: die band van toen was namelijk dezelfde als die van deze CD.

Een Brussels internationaal gezelschap -dat is, gelukkig maar, dagelijkse kost in onze hoofdstad- met roots in Chili, Spanje, Frankrijk en België,heeft in dat anderhalf jaar kennelijk enorme stappen gezet en komt vandaag met een heuse stadsplaat op de proppen. Dit is de eerste full-CD van de band en er wordt een fijne mix gepresenteerd van Balkan, Flamenco, Jazz, Psychedelica en New Wave. Nee, voor één keer geen hip-hop uit Brussel, maar echte mengelmoesmuziek, die heel knap gemaakt is en dito ingespeeld wordt. Dat merk je al van bij opener “Almadraba”, dat als krautrock begint en gaandeweg een oriëntaals laagje opgekleefd krijgt: stilaan krijgt de oud een prominentere plaats, worden de ritmes wat complexer en evolueren de nummers van, pakweg de seventies, naar overmorgen. Onderweg krijg je een ter plekke bedacht nieuw genre te horen, waarvoor, naar mij weten, nog geen labeltje is gevonden, wellicht omdat er ook surf-invloeden, Morriconemomenten en woestijn-twang in zitten. “Paradise in My Veins” is daar een prima voorbeeld van: oud en darboeka gaan hand in hand met simpele baslijn en klassieke surfgitaar in een instrumentaal nummer, dat smeekt om gebruikt te worden voor filmsoundtracks.

In dezelfde lijn gaat “Kraken Doesn’t Crack a Crocodile” verder, maar hier neemt de rock stilaan de bovenhand, terwijl in “Musselove” de samenvatting gemaakt wordt van alles waar Phoenician Drive vandaag voor staat. In dit nummer komt namelijk alles samen en als je de band dus wil leren kennen, mag ik u aanraden met deze track te beginnen, al kan ik u ook ten zeerste “Onouba Twist van harte aanbevelen. Mits voldoende luid gespeeld, is dit de perfecte soundtrack voor een feestje waar de ogen op de wereld gericht zijn en niet naar binnen blijven kijken: heerlijk nummer met bijzonder veel radiopotentie, durf ik te denken, waarna weer in Dick Dale-modus geschakeld wordt voor “Bicky Beach”.

Afsluiter “Slowfish” duurt een dikke zeven minuten, maar had eigenlijk net zo goed in twee nummers opgesplitst kunnen worden: een traag, intrigerend eerste deel en een veel sneller, opzwepend eindstuk, dat doet wat een slotnummer van een plaat -of van een concert- hoort te doen: ervoor zorgen dat de laatste noten in het hoofd van de luisteraar blijven rondspoken. Dat lukte zeer aardig, moet ik zeggen en er kwam de voorbije dagen nog een toemaatje: ik kwam bij een voorstelling van “Trap Town” terecht, de nieuwe dansproductie van Wim Vandekeybus. En wat bleek: naast Trixie Whitley tekende ook Phoenician Drive voor een deel van de straffe muziek waar die voorstelling op gedanst wordt. Ze zijn dus van vele markten thuis, deze Brusselaars. Ik ben wàt blij, dat ik -ongeweten- vooral hun evolutie mag meebeleven en die is zondermeer positief te noemen. Ik schat dat de volgende plaat van deze jongens een heus meesterwerkje zal zijn. Nu houd ik het bij: een spannende muzikale rondreis zonder oogkleppen noch oordopjes!

(Dani Heyvaert)


 

Artiest info
Website  
 

label: EXAG' Records

video