LUCKY BONES - MATCHSTICK MEN

Je blijft je maar afvragen waarom de ene band het wel maakt en de andere niet. Neem nu de Ierse Lucky Bones, het vehikel waarmee Eamon O’Connor zijn muzikale waar aan de wereld tracht te slijten, maar dat, na wat verhuizingen en vervangingen uit niet minder dan zes muzikanten blijkt te bestaan, die zich allemaal met veel passie en overtuiging op de songs van O’Connor werpen. Ik hoor op de dagelijkse radio een heleboel dingen, die geplugd en gepromoot worden, maar niet eens tot aan de enkels reiken van de songs die op deze derde plaat van het Ierse gezelschap staan.

Derde plaat, schreef ik, maar eigenlijk is dat een ietsje teveel eer voor een verzameling van acht songs, die samen op rond de 35 minuten afklokken, maar tot daar aan toe. Uit het bijgevoegde promoblaadje verneem ik dat Eamonn heel veel over heeft voor zijn muziek: hij ging zelfs een tijdje in Austin wonen en kwam er links en rechts wat “juiste” mensen tegen, die zijn muziek wel genegen leken.

Die muziek, dat zijn eerder weids klinkende melodieën in War on Drugs-idioom, die getekend worden door de stem van O’Connor, die duidelijk in dezelfde fabriek gebouwd werd als die van Mike Scott van The Waterboys. Het wat zweverig-Keltische zit erin, zij het dat dat niet meteen door fiddle, harp of doedelzak geproduceerd wordt, maar veeleer door klagerige gitaren en goed gekozen synthesizerklanken, die ook een zweempje Cure aan de mix toevoegen.

De verzamelde Nederlandse gespecialiseerde pers lijkt het niet zo op Lucky Bones begrepen te hebben en het is me een raadsel waarom. Het zal allicht aan mij liggen, want ik hoor op dit plaatje best wel wat aangename dingen: de teksten zijn erg fraai, op geheel Ierse wijze van heel mooie klankpatronen voorzien en helemaal in klassieke rijmschema’s uitgewerkt. De muziek mag dan niet altijd even vernieuwend klinken- wat niet hoeft te verbazen, want er wordt heel veel uitgebracht waar je van denkt “dit heb ik al eens eerder gehoord”) maar je betrapt er jezelf wel op dat je, als je de moeite doet de plaat méér dan één keer te beluisteren, sommige nummers al snel kan mee neuriën. Dat wijst op vlotte melodieën en het is me niet duidelijk wat daar nu ineens verkeerd zou mee zijn.

Hoe dan ook, waar de openende titelsong wat aarzelend begint, ontvouwt hij zich al snel tot een nummer dat van Mike Scott had kunnen zijn en “I Can Feel It Coming” heeft onmiskenbaar veel radiopotentieel. Als je enkele keren helemaal luistert, hoor je een goeie plaat, die wellicht weinig rimpels in de muziekvijver zal veroorzaken, maar die zeker niet slechter is dan drie kwart van wat we vandaag de ether horen ingestuurd worden. Ten behoeve van de promomensen, toch één kleine opmerking: invloeden van Ryan Adams? ’t Kan aan mij liggen, maar die hoor ik echt niet in deze verder simpelweg leuke plaat!

(Dani Heyvaert)

 


Artiest info
   
 

video