|
|||||||||
|
De persoonsontdubbeling die H.T. Roberts een paar jaar geleden inzette en die anderhalf jaar geleden leidde naar “Achter de Wind”, krijgt een vervolg met deze “Meigem Songs”, waarbij alvast de plaattitel niet helemaal naar het Gents vertaald wordt. Maar verder kan ik u met veel plezier meedelen dat die nieuwe worp van ”Hermannetje” wat mij betreft een heus schot in de roos is. Toegegeven: ik had het niet altijd even makkelijk om de details van de Gentse teksten te begrijpen, maar één mailtje volstond om de vertaling van de teksten naar het Nederlands toegestuurd te krijgen en vervolgens te kunnen vaststellen dat het al met al nogal meeviel met dat begrijpen van het Gents. Tot zover deze inleiding, al kan ik ook deze keer niet om de hoestekening heen: een geweldig herkenbaar schilderij van de hand van Gerard van Menxel, waar je Mance moeiteloos in herkent. De elf liedjes van deze Meigem-plaat zijn helemaal Mance Robert, zoals we hem intussen al jaren kennen: uitgepuurde liedjes, over hier en nu en wat had kunnen zijn. Ik kan het niet helpen, maar, nu ik ruim twee weken lang geen kilometer met de auto reed zonder deze plaat te horen, komt de naam van Townes Van Zandt keer op keer voor mijn geestesoog opduiken. Herman heeft altijd al ook voor een bepaald soort details gehad, dat typisch is voor de goeie observator. Die heeft nauwelijks één oogopslag nodig om een situatie te doorgronden en in dit geval komt daar nog het vermogen bij om de dingen kort, krachtig en kernachtig te formuleren. Tel daarbij op dat vier van de songs mee ingespeeld werden door wat we stilaan “Mance’s Dream Team” mogen noemen: drummer David Broeders -de subtiliteit zelve-, vormt samen met bassist Serge Bakker een tandem die er voor zorgt dat je als zanger helemaal je ding kunt doen, zeker als oude gabber Bruno Deneckere klaar staat om met zijn gitaarkunsten de ruimte te creëren, die sommige songs nodig hebben om van folk naar de Gentse vorm van Americana te evolueren. Met ietwat slecht karakter zou je kunnen zeggen dat de plaat in twee delen op te splitsen is. Waar de al genoemde muzikanten aantreden -“Verre Vijsters”, “God” - met de heerlijke slotzin “God zijn doet geen zeer…”-, “Lochristi”, -voor mij het absolute hoogtepunt van de plaat, waar ik verwijzingen naar het Crematorium in vermoed- en ”Blues van de Kleine Man”, waarvan ik denk dat het de ideale afsluiter is voor een live-concert- herken je het makkelijkst de stijl van H.T. Roberts. De Townes-gerichte songs doen daar allemaal niet voor onder: de tristesse van opener “Vluchteling”, de schrijnende eenzaamheid van “Goeste Noar Elders”, de schoonheid van het oeuvre van Raveel in “Machelen an de Leie”…het zijn evenveel bewijzen van het vermogen van Mance om op ogenschijnlijk simpele wijze de dingen te verwoorden en tot leven te brengen. Ik heb sowieso de neiging om een boon te hebben voor mensen die hun eigen taal gebruiken om te vertellen wat ze te zeggen hebben. Wat Mance echter bijzonder maakt, is zijn talent -hij etaleerde het al uitgebreid in zijn Engelstalige songs- zijn observaties uit te puren tot alleen de essentie overblijft. Ik zwijg dan bewust even uit die uit duizenden herkenbare stem en over het geweldige gitaarspel en ik wil het ook bewust niet hebben over het vermogen van Mance om melodieën te bedenken waarvan je als luisteraar zou willen er zelf te zijn achter gekomen. Dat zijn allemaal dingen die maken dat HT, zoals ik hem gemakshalve nog even blijf noemen, met deze tweede Gentse plaat, helemaal zijn eigen plek aan ons muziekfirmament gevonden heeft. In “Blues van de kleine man” klinkt het:”ons Heer moet zijn getal hebben, ’t moeten van soorten zijn”. Zo is het maar net: Mance Robert is uniek en dus herkenbaar tot en met en een mens mag blijven hopen dat hier of daar een radiomaker deze plaat deftig beluistert en begint te pluggen. (Dani Heyvaert)
|
||||||||