ARCHIEF

JANUARI 2007 - FEBRUARI 2007 - MAART 2007 - APRIL 2007


ROBBIN THOMPSON - JUST A BLUR IN THE REARVIEW

JENNY OWEN YOUNGS - BATTEN THE HATCHES

TWO GALLANTS - THE SCENERY OF FAREWELL

THE TRIFFIDS - IN THE PINES / CALENTURE

DAVID GOGO - ACOUSTIC

TWO COW GARAGE - III

OTIS GRAND - HIPSTER BLUES

HELL'S KITCHEN - DOCTOR'S OVEN

EDDIE READER - PEACETIME

ALEX TINTINALLI BAND - NOTHING TO LOSE



ROBBIN THOMPSON
JUST A BLUR IN THE REARVIEW
Website: www.robbinthompson.com
www.myspace.com
robbin@robbinthompson.com
Info: Hemifran Sweden (www.hemifran.com)
Label: eigen beheer
www.cdbaby.com

 

 


 

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse, van oorsprong uit Virginia afkomstige singer-songwriter Robbin Thompson schijnt zijn aanhang vooral in Richmond te hebben, en hier wordt Thompson door een kleine groep zeer fanatieke fans bijna vereerd, maar bij het grote publiek is deze Thompson ondanks een handvol bejubelde cd’s, nog altijd volslagen onbekend. Volkomen onterecht, want Thompson manifesteert zich op zijn nieuwe studioplaat "Just A Blur In The Rearview" als een buitengewoon getalenteerd singer-songwriter. Zijn muziek valt moeilijk te omschrijven, omdat vreemde eend in de bijt Thompson uit meerdere van elkaar gescheiden bronnen put. Verwacht van Thompson niet een stoffig folkproduct, maar eerder een schijfje waarop elementen uit de beste Americana, akoestische blues/rock, gospel en country versmolten zijn met hedendaagse soulvolle rock. En voelbaar is zijn streven de liedjes toegankelijk te houden. Hij is een singer-songwriter met een lekker warme stem, die best weet zijn teksten namelijk te voorzien van verrassende arrangementen, die hem soms richting pop brengen, zoals in de ambitieuze openende titeltrack, een song co-written met Nashville songwriter, Phil Vassar. Maar de variatie is wel groot op deze plaat. Tracks die de luisteraar zullen aanspreken zijn zeker de soulvolle nummers als "Standin’ in the Rain" en "I Won’t Quit”, songs die teruggrijpen naar de soul-scène van de laat jaren 60. "I Won’t Quit”, is trouwens geschreven en opgenomen, samen met Carter Beauford en Butch Taylor van de Dave Matthews Band en tevens te horen in de film, "The Fighting Temptations". Feit is dat sommige van Amerika’s diepste emoties vast liggen in zijn DNA en ze komen eruit via songs die recht op het hart mikken, de geest prikkelen en naar de heupen zakken. "Just A Blur In The Rearview" is fraai geproduceerd en zit vol muzikale hoogstandjes (al schuwt Thompson ook de naakte akoestische songs niet), maar de songs staan gelukkig altijd centraal. Songs die ondanks hun diepgang lekker in het gehoor liggen en stuk voor stuk tijdloos klinken. Thompson zat vroeger als leadzanger in de band Steel Mill, één van de eerste bandjes van Bruce Springsteen, met wie ik deze Thompson wel wil vergelijken, maar dan wel de akoestische Boss. "Just A Blur In The Rearview" is zo divers dat we ook een flink aantal andere namen zouden kunnen noemen. Namen die zo uiteenlopen dat vergelijken eigenlijk zinloos is. Kortweg: op "Just A Blur In The Rearview" valt alles op z’n plek in stevige poprock composities die het mooiste van rock en roots in zich bergen en deze cd van Robbin Thompson is volgens ons de beste tot dusver en verdient absoluut om in bredere kring gehoord te worden.



 

 

 

JENNY OWEN YOUNGS
BATTEN THE HATCHES
Website: www.jennyowenyoungs.com
www.myspace.com/jennyowenyoungs
Mail: jenny@nettwerk.com
Label: Nettwerk Productions
Distr.: Munich Records
www.munichrecords.com

 

 

"Batten The Hatches" is een album dat in 2005 reeds een eerste keer in eigen beheer in Amerika is uitgebracht en nu opnieuw wereldwijd gelanceerd wordt door het Nettwerk-label. Jenny Owen Youngs is een singer-songwriter uit Montclair, New Jersey die popsongs brengt met recht-toe-recht-aan teksten (getuige daarvan "F**k Was I", hetgeen haar album het label "Explicit Lyrics" oplevert). In de jeugdjaren maakte ze kennis met de muziek door fluit en tuba te gaan studeren, maar toen ze veertien was greep ze naar de gitaar en begon ze eigen nummers te schrijven. De pers linkt haar muziek aan deze van Elliott Smith, Cat Power, Regina Spektor, Jolie Holland en Joanna Newsom, maar ze heeft toch een ietwat eigen sound die haar toch op ruime afstand van deze gevestigde waarden houdt. Deze CD swingt binnen met "Porchrail", een vrolijke meezinger. Daarna wordt het allemaal wat rustiger en experimenteler, o.a. in "Lightning Rod" en "Voice On Tape". Het nummer "P.S." wordt gezongen met begeleiding van cello en banjo en neigt naar bluegrass, zeker als later ook nog eens blazers opduiken. In enkele teksten out Jenny Owen Youngs zich als feministe en durft ze behoorlijk hard van leer te trekken tegen ex-liefjes, zoals in "Drinking Song" en "Coyote" ("1-2-3, I hate me / 4-5-6, Oh it makes me sick"). Opvallend is dat ze er in slaagt om van de 12 songs op dit album geen enkel liefdesliedje te brengen. Enkel "Keys Out Lights On" komt een beetje in de buurt maar is er zo duidelijk over dat het meer cynisch bedoeld moet zijn. Tenslotte staan er op dit album ook nog 2 versies van hetzelfde nummer "Woodcut" maar ik moet eerlijk zijn en zeggen dat geen van beiden indruk maakt. Jenny Owen Youngs is een behoorlijk extraverte tante, als je het mij vraagt. Naast haar solo-carrière maakt ze ook nog deel uit van een band The Robot Explosion, mocht het je eventueel interesseren.
(valsam)


TWO GALLANTS
THE SCENERY OF FAREWELL
Website: www.twogallants.com
www.myspace.com
Mail: ruth@bestest.co.uk
Label: Saddle Creek
www.saddle-creek.com
Distr.: Munich Records
www.munichrecords.com
VIDEO 1
VIDEO 2

De beide heren van Two Gallants uit San Francisco zijn nu 26 jaar oud en sinds jaar en dag beste vrienden op en naast de podia. Vorig jaar traden ze samen meer dan 200 keer op. Tussendoor schreven Adam Stephens en Tyson Vogel een verzameling songs die voornamelijk akoestisch getint waren met blues- en folkinvloeden. Die hebben ze nu op plaat gezet voor een mini-CD "The Scenery Of Farewell". Normaal geven deze 2 heren van jetje als ze optreden met behoorlijk wat elektronica in de nummers verwerkt. Hierdoor is er een dualiteit tussen de verschillende stijlen die Two Gallants live brengen. Maar blijkbaar herontdekken ze zichzelf soms door de songs haast volledig van instrumenten ontdaan te brengen. En laat dat nu juist zijn hoe ik ze het best kan genieten. In de onvervalste stijl van hun Saddle Creek-platenbaas Conor Oberst van Bright Eyes brengen ze op deze CD vijf zéér mooie liedjes, waarvan het eerste nummer "Seems Like Home to Me" nog het meest swingt. Daarna volgen "Lady" en "Up The Country" dat meermaals aan Springsteens' Nebraska herinnert. Laat dat vooral een compliment zijn. De slotsong "Linger On" is pure dramatiek over een verloren gegane liefde. De vocale prestatie van Two Gallants roept bij mij vergelijkingen op met die andere schurende scharnier Vic Chesnutt. Vorig jaar scoorden zij nog hoog met hun tweede CD "What The Toll Tells". In september 2007 komt hun derde full-CD uit waar ze momenteel de laatste hand aan leggen. Als dat iets in deze stijl wordt durf ik de 2 heren een zeer mooie toekomst te voorspellen. Voor dit soort muziek bestaat er een zeer loyaal publiek dat van Two Gallants best een gevestigde waarde zou kunnen maken.
(valsam)



 

 

 

 


THE TRIFFIDS
IN THE PINES- CALENTURE
www.thetriffids.com / www.myspace.com
Label: Domino Records www.dominorecordco.com
Distr.: Munich Records / www.munichrecords.com

 

 

Op 23 en 24 juni 2006 was er het exclusieve reüniegebeuren "An Evening with The Triffids" - In Remembrance of David McComb - in het Kunstencentrum België in Hasselt. Maar voor Rootstime is het laatste woord over The Triffids in deze kolommen nog niet geschreven. Daar zijn enkele goede redenen voor. Vorig jaar verscheen het epische "Born Sandy Devotional", volledig geremasterd en aangevuld met een heleboel outtakes, de eerste re-issue in een lange reeks. Gespreid over een periode van twee jaar werdt vanaf juni 2006 het hele Triffids-oeuvre (1978-1989) opnieuw uitgebracht via Domino Records, waarvan we nu "In The Pines" en "Calenture" onder de loupe nemen.
"Wide Open Road", "Bury Me Deep In Love", "Stolen Property", "Keep Your Eyes On The hole" ... Bij wie ouder is dan een jaar of dertig roepen deze popparels ongetwijfeld de melancholische droomwereld van The Triffids weer op. Het belang van The Triffids in de muzikale ontwikkelingen vanaf de jaren '80 en hun invloed op diverse muziekstromingen nadien is moeilijk te vatten. Opererend vanuit hun iets 'te' idyllische thuishaven, het zonovergoten Australische Perth, leidde hun immer durende zoektocht via Londen, Berlijn en Amsterdam naar de rest van de wereld. Geïnspireerd door de no-nonsens en de 'do it yourself' spirit van de punk evolueerden The Triffids naar een voor die tijd hoogst eigenzinnig muzikaal en instrumentaal samenspel: pop, folk, R&B, jazz... violen, orgel, lapsteel... Geen platgetreden paden toen maar cross-overs 'avant la lettre' waarmee ze een eigen universum ontwikkelden, tussen Velvet en country. En natuurlijk was er David McComb, een songschrijver pur sang die als geen ander een desolate sfeer kon oproepen en waarbij nagenoeg alles draaide rond afscheid en verlies. Ironisch genoeg bleef McComb zelf weinig of niets bespaard: op zijn drieëndertigste onderging hij een harttransplantatie, in 1999 liet het veelzijdige rastalent op amper 36-jarige leeftijd het leven ten gevolge van ernstige complicaties bij een auto-ongeval. McComb was met zijn prachtige lyrics en charismatische zangstijl jarenlang het boegbeeld van The Triffids. Maar vooral ook was hij deel van een hechte, talentrijke vriendengroep. Broer Robert McComb als veelzijdig instrumentalist en zanger, Alsy McDonald op drums, 'Evil' Graham Lee met zijn wonderlijke gitaararrangementen, Jill Birt met het aftandse orgeltje en een hemels zangtalent... en last but not least bassist Martin Casey, het vroegere zorgenkind bij uitstek, maar niemand minder dan huidig toeverlaat en rechterhand van Nick Cave bij The Bad Seeds. Ondanks hun thuisloosheid, hun voortdurend geldgebrek en een chaotische, puur op emotie drijvende levensstijl evolueerden The Triffids tot een hechte, mysterieuze band. Zakelijke keuzes waren hun vreemd, waardoor ze met hun wonderlijke popmuziek, doordrongen van droefheid en weemoed, heen en weer bleven slingeren in een soort niemandsland. Tussen kleine alternatieve clubs en de grote concertzalen en festivals (o.a. Werchter 1987 en Pukkelpop 1988), tussen 'independent' en 'major'. Dit geschipper was een bewuste keuze, één van de weinige punten waarop ze het lot en het toeval niet lieten spelen.
Na "Born Sandy Devotional" (uitgebracht in 1986) zijn nu ook "In the Pines" (1986) en "Calenture" (1987) heruitgebracht. Geremasterd, afgestoft, met extra tracks. Twee compleet verschillende platen, maar allebei puur goud. "In The Pines" vervolgt het ingezette verhaal, en heeft de band teruggebracht tot zijn essentie, zowel muzikaal als productie-technisch. Dit album is opgenomen in een verlaten schuur deep down in de badlands van Australië, met een budget van nauwelijks duizend dollar en een achtsporenrecorder. Het mag geen wonder heten dat het de rauwste plaat is die The Triffids ooit hebben gemaakt. Countryblues by nature. Voorzien van genoeg drank werden uit de losse pols prachtige composities als "Kathy Knows" en "Suntrapper" gebracht, met een arrangement volledig haaks staand op de orkestrale volheid van hun vorige plaat. In de extra’s, vroege versies van o.a. "Jerdacuttup Man", waarmee vooral blijkt dat "In The Pines" een zeer geslaagde vingeroefening was voor opvolger "Calenture". Een hoogtepunt zoals er slechts weinigen zijn. Compositorisch bereikte de emotionele diepgang van McComb een hoogtepunt, de gospel en soul invloeden die we horen in o.a. "Bury Me Deep In Love" en "Trick Of The Light" zorgen ervoor dat zijn warme, donkere stem rechtsreeks je ziel ingedragen worden en feitelijk geweldige liedjes zijn wanneer ze niet door allerlei productionele onzin gladgestreken worden. Opnieuw is het orkestrale pathos niet van de lucht, maar nergens wordt er uit de bocht gevlogen. Alsof McComb weet dat hij gedoemd is jong te sterven, legt hij zijn hele ziel en zaligheid bloot op de weg naar verlossing. Op CD 2 van "Calenture" horen we een hoop mooie dingen voor de fans, maar dan ook alleen voor de fans. Trekken de aandacht: een door de frêle toetseniste Jill Birt gezongen versie van "Open for You", het lichtvoetige en tot dusver onbekende "Burned", en een nagenoeg refreinloze, lichtjes vals gezongen demoversie van "Bury Me Deep in Love". Voorzien van alle B-kantjes en deze extra CD is dit de ultieme uitgave. Wellicht dat u deze plaat de eerste keer miste, nu is er geen excuus meer. In elke platenkast, onder het kopje "Meesterwerken"! Met deze twee CD's en het vorig jaar al verschenen "Born Sandy Devotional" hebben we nu de drie klassieke Triffids-platen op een rijtje!



DAVID GOGO
ACOUSTIC
Official Bootleg Series - Volume 2
Website: www.davidgogo.org
Label: Cordova Bay Records
www.cordovabay.com
Info: Hemifran Sweden (www.hemifran.com)

 

 

Toen de Canadese gitarist David Gogo, ter ondersteuning van "Dine Under The Stars" in 1999 voor het eerst naar Europa kwam waren de verwachtingen erg hoog gespannen. Gogo werd ons toen voorgespiegeld als de spectaculairste gitarist die Canand sinds Jeff Healey had voorgebracht, en zou dat even later op het Moulin Blues komen bewijzen. Na dit optreden werd het in Europa lange tijd stil rond David Gogo. Tot in 2002 zijn album, "Skeleton Key", verscheen voor het Dixiefrog-label. Op dit album waren 11 nummers te horen waaronder vijf eigen composities die van grote maturiteit getuigden en covers van o.a. Willie Dixon, Otis Rush en Albert Collins. In 2004 was het de beurt aan Gogo's zevende album, "Vibe". Naast eigen nummers waren hier ook weer songs geschreven door o.a. Tom Wilson, Craig Northey (The Odds/Colin James) en John Capek ( gekend van het nummer, "Rhythm of My Heart" van Rod Stewart). Uitschieters op deze plaat waren voornamelijk de nummers "I'll Do Anything" en "300 Pound Shoes", waarin hij zowel vocaal als op gitaar het meest schitterde. Gast Jeff Healey was ook te horen met een prachtige gitaar solo in "She's All Right". Deze plaat verscheen bij Cordova Bay Records, het label waar nu ook zijn nieuwe album "Acoustic (Official Bootleg Series - Volume 2)" verscheen. Op deze nieuwe plaat krijgen we een andere artiest te horen: bedaarder, rijper en beter. Gogo hoeft zich niet meer zodanig te bewijzen, en dat loont. Hij brengt hier, zoals de titel al aangeeft, tien akoestische nummers, waaronder vijf originals en vijf covers, songs waarin hij op een perfecte manier gebruik maakt van zijn 1930 National Steel -, 1915 Gibson - en een gewone '12-string' gitaar. Onder de covers zijn enkele van zijn lievelingsliedjes, zoals de Paladins' "Years Since Yesterday", een nummer dat hij vooreest live speelde op 19- jarige leeftijd. "She's Breakin' Through", is een country-blues en zelf geschreven nummer, gebaseerd op het tragisch mijnongeval uit 1915 in South Wellington naast Nanaimo, BC waar David's grootvader zijn leven verloor, en dit samen met achttien andere mijnwerkers. David reisde ook naar Nashville om samen met Gary Nicholson (Delbert McClinton, Dixie Chicks, Bonnie Raitt, Willie Nelson) het nummer "All I Can Do" te schrijven. Het afsluitende "That’s How Strong My Love Is" dat we ook kennen in een versie van Buddy Miller behoort ook tot de hoogtpunten van deze cd, een cd die veel meer aandacht verdient dan hij vermoedelijk zal krijgen. Wij bevelen "Acoustic (Official Bootleg Series - Volume 2)" hierbij echter zeer nadrukkelijk aan.



TWO COW GARAGE
III
Website: www.twocowgarage.com
www.myspace.com
Label & Distr.: Distr.: Sonic Rendezvous
www.sonic.nl

 

Zopas werden we verblijd met een fantastische gitaarrockplaat van de band Two Cow Garage. Dit trio, jonge honden uit Columbus, Ohio levert met hun derde plaat, "III", één van de betere rootsrock-platen af van 2007. De plaat draait lekker weg en wordt met iedere draaibeurt beter. De composities zijn van een constant hoge kwaliteit en doen niet onder voor voorbeelden in dit genre. Waar op hun debuut "Please Turn The Gas Back On" (2003) nog echo’s van Uncle Tupelo en The Replacements doorklonken, op het album "The Wall against Our Back" (2004) de band sterk liet denken aan het vroegere Slobberbone horen we nu een band die muzikaal beslist volwassener is geworden (denk Drive by Truckers en Lucero) en ons nu een gevarieerd geluid laat horen, dit voornamelijk door het toevoegen van o.a. piano, orgel, en blazers in een serie hele overtuigende songs. De prima productie was wederom in handen van Brent Best (Slobberbone, The Drams). Hij produceerde deze plaat samen met Matt Pence (Centro-Matic), en samen wisten ze achter de knoppen de gruizige stem van Micah Schnabel en zijn raggende gitaarpartijen op de juiste wijze op de plaat vast te leggen, ze hebben gewoon het authentieke geluid van Two Cow Garage in ere gehouden. Micah Schnabel, Shane Sweeney en Dustin Harigle gaan er vanaf de eerste noten goed stevig tegenaan en houden dit samen met de gasten Scott Danbom (toetsen), Dave Pierce (trombone) en Josh Fox (sax), de hele cd moeiteloos vol. De energie en passie waarmee Two Cow Garage speelt, doet geregeld aan de reeds vernoemde bands denken, al verwerken de heren aanzienlijk meer R&B -invloeden in hun muziek, waardoor het ook regelmatig raakt aan Bruce Springsteen met een op volle kracht draaiende E-Street Band (zoals in "Now I Know"), al is Two Cow Garage gelukkig ook de rauwe rootsrock trouw gebleven. "III" weet best de stampende rocksongs, de onversneden cowpunk, die zonder opsmuk en uit volle borst gespeeld worden weer te vangen en blinkt ook nog eens uit door dertien songs, waarin de uitschieters voor ons meer de rustiger momenten zijn, zoals "Should’ve California" waarin de hoofdpersoon vertelt dat hij het leven verkeerd heeft aangepakt of "Camaro" over eindeloze autoritten met de Who op de radio. Songs waarin de band bewijst dat ze niet enkel muzikaal volwassener geworden zijn, maar ook tekstueel gerijpt zijn. Sterkste troef van de band is zanger Schnabel, die met zijn doorleefde en gruizige stem, zingt alsof zijn leven er van af hangt en die het ene na het andere briljante gitaarloopje uit zijn snaren tovert. Het resulaat is het best te beschrijven als een mengeling van energieke rock en country zonder pretenties, maar met ballen.

 



OTIS GRAND
HIPSTER BLUES
Website: www.otisgrand.com
Email:otis@otisgrand.com
Label: Bliss Street Records
Foto: www.bobtjeblues.com
www.cdbaby.com/cd/otisgrand

 

Otis Grand, "the Gentle Giant of the Blues", zijn muzikale carrière loopt al bijna dertig jaar. Otis werd geboren in 1950 in Beiroet en begon op zijn dertiende met gitaarspelen. Dat waren de hoogdagen van de surfmuziek, maar hij luisterde naar eigen zeggen jarenlang naar niets anders dan BB King en Robert Johnson. Vanaf dat moment was hij vastbesloten bluesgitarist te worden. Otis Grand & the Big Blues Band domineerden al vlug de landelijke blues scene en er volgde Europese erkenning tijdens een intensieve tournee op het vasteland. Amper enkele maanden daarna verzorgde hij voorprogramma's van John Lee Hooker, BB King, Albert Collins, Stevie Ray Vaughan en Steve Winwood. Hij speelt al die jaren een belangrijke rol in de evolutie van de hedendaagse Britse blues scene en het Amerikaanse bluesstijdschrift, Blues Revue, noemde Otis de levende schakel tussen de overleden bluesartiesten en de hedendaagse jonge bluesmuzikanten. Het voorbije decenium ontving Otis meerdere onderscheidingen in de blueswereld, werd o.a. uitgeroepen tot Best UK Blues Gitarist in 1991, 1992, 1994 én 1996, kreeg de Award voor Best Foreign Blues Album in ’92 en in 1995 behoorde hij officieel tot de UK Gallery of the Greats (een Award die gegeven wordt na 5 jaar opeenvolgend winnen – alleen Bonnie Raitt deed het hem voor). De Blues Association of France riep hem uit tot Best Blues gitarist van Europa zowel in 1998, 1999 als 2002. In 2001 werd Otis gerekend tot de TOP 50 van best blues gitaristen ter wereld en hij heeft het ‘numero uno’ status in Europa. Hij was de gitarist en Band Leader gedurende de 2 jaar dat hij samen speelde met Ike Turner & the Rythm Kings. Bewijs genoeg dat deze talentrijke man wéét wat van een bluesmuzikant verwacht wordt! Jump-, Chicago- of Texasblues, hij beheerst het allemaal en past er zijn typische soleerstijl op toe. Na zijn eerste soloplaat "Always Hot" (1998), zijn album "Guitar Brothers" (2001), samen met Joe Louis Walker, zou zijn nieuwe album "Hipster Blues", zijn veertiende album zijn waarop Grand zijn kunsten op gitaar nog meer tot uiting komen. Otis kan gezien worden als het Britse antwoord op Duke Robillard en Ronnie Earl, en als zoals deze laatste is de gelijkenis ook dat Otis het zangwerk liever uitbesteedt. Op zijn nieuwe CD horen we: Curtis Salgado, Sugar Ray Norcia, Jimmy Thomas, Reuben Richards en George Bisharat. Voor de verdere begeleiding op dit vette bluesalbum kon Grand rekenen op een all-star band bestaande uit: Neil Gouvin (drums), Mudcat Ward (bas), Anthony Geraci (piano & B3), Bruce Katz (piano), Jonny Henderson (Hammond B3), Gordon Beadle (tenor & bari sax), Mike Peake (trompet), Lee Badau (alto sax) en Barri Martin (tenor sax). Jump en swing blues krijg je voorgeschoteld, beginnende met de swingende shuffle "Three Time Loser", pure 60’s R&B. Een sound die u kan terugvinden over alle 14 tracks. Otis zegt zelf : “I hope you enjoy the kind of real music that I grew up listening to in the 60’s and still love the best. This is the only kind of music that is a cure for today’s MTV from hell”. En zeker, dit is genieten, met nummers als "Slo-Mo-Shun", dat best op een plaat van Freddie King had kunnen staan, het soul/jazzy "Hipster Blues #5", een versie van F. King's "Overdrive" en de rustige 'low-down' blues van "Satan’s Blues". Kortweg: Variërend van swing- & jump-blues en instrumentals komt het stilistische veelzijdige gezelschap onder Grand's gitaarwerk uit, ze geven steeds goed weerwerk en swingen regelmatig hard onder zijn solo’s door. Het overkomt mij zelden dat ik zo in de ban raak van zo'n plaat. "Hipster Blues" is weggelegd voor iemand die van meer dan alleen maar bluesmuziek houdt!


Iedereen die ooit Otis Grand & the Big Blues Band in actie zag ((Ge)Varenwinkel Blues & Roots Festival 2006) kan getuigen van het overdonderende effect dat hij en zijn band op het publiek kunnen uitoefenen. Zijn optredens zijn legendarisch en worden geapprecieerd zowel door de puristen als door diegenen die alleen maar uit zijn op een paar uurtjes amusement. Was u er niet bij in (Ge)Varenwinkel vorig jaar, ga dan zeker dit jaar naar Puurs. Want op 26 mei staat onze stergitarist samen met zijn Big Blues Band wederom in Belgenland op de planken

 

DUVEL BLUES PUURS
26 mei 2007
Nine Below Zero
Otis Grand & Big Blues Band
Guy Forsyth
Catfish Keith
Hell's Kitchen
The Big Four
Meer info:
www.duvelblues.be

 



 

HELL'S KITCHEN
DOCTOR'S OVEN
Website: www.hells-kitchen.ch
E-mail: info@hells-kitchen.ch
laurencevinclair@hotmail.com
Label:Urgence Disc Records

 

 

Enkele weken geleden besprak ik de nieuwe cd van de Franse band "Jesus Volt" waar ik behoorlijk enthousiast over was omdat ze zo een vernieuwend geluid brachten in hun bluesnummers.Vandaag dropte de postbode de laatste cd van de Zwitserse band "Hell's Kitchen" in mijn brievenbus, en weer was ik uitermate verrast door de vernieuwende en zeer originele benadering van de blues die de laatste tijd vanuit Frans-sprekende hoek lijkt te komen. Deze opnames zijn iets meer dan een jaar oud, maar de cd zal nu pas hier verdeeld worden. "Doctor's Oven" opent zeer sterk met "My house" en laat ons al dadelijk kennismaken met de eigenzinnigheid van de band, aparte vocalen vechten met scheurende slide gitaren, dobros en percussie met olievaten, aambeelden en hamers.Vervolgens "Jack Is A Writer" herinnert aan Tom Waits en Mistery Slang, en "Brick of My Body" doet dat mogelijk nog meer. Dan nemen we even gas terug met "Dance Machine" en "Stay In My Block", maar ook deze songs zijn verre van normale bluesdeuntjes, altijd weer zorgen de aparte vocalen en percussie ervoor dat dit geen seconde vervelend wordt. Soms zijn er sterke invloeden van de Fat Possum releases, alles is rauw en ruw, vooral de duivelse stem van zanger Bernard Monney. Het duidelijkst horen we dit in "Lumpi Is My Dog" waar Bernnard in ruige Howlin' Wolf stijl zijn stembanden foltert terwijl hij zijn slide gelijktijdig aan flarden probeert te spelen in een nummer wat sterk herrinnert aan "How Many More Years" van the Wolf himself. "Lumfo" is ook weer heel apart, een echte worksong, je hoort zo de slaven aan ’t werk aan een of andere spoorlijn in aanbouw, met het gehamer en de rammelende ketens op de achtergrond. Als je de groepsbezetting bekijkt lees je ook niet percussie of drummer achter de naam van Cédric Tailleferre, maar "Hammering", en dat is om in dezelfde beeldspraak verder te gaan de nagel op de kop. Kortom deze driemansformatie heeft ons met "Doctor’s Oven" laten kennismaken met een van de meest onvoorspelbare en origineelste bluesopnames van de laatste jaren. Meer van dat!
(RON)


HELL'S KITCHEN LIVE

- Centre Culturel - Lessines - 25 mei 2007
- Duvel Blues festival - Ruisbroek - 26 mei 2007


EDDIE READER
PEACETIME
Website: www.eddiereader.co.uk
www.myspace.com
Mail: jane@eddiereader.com
Label: Rough Trade Records
www.roughtraderecords.com
Distr.: Konkurrent
www.konkurrent.nl

"It's got to be ...Perfect" zong de nu 48-jarige Eddie Reader in 1988 bij de Schotse groep Fairground Attraction waar ze de scene nog moest delen met muzikale grootheid Mark E. Nevin. Pril, jong en schoon ros als ze toen al was, wist ze destijds al dat je ook in de muziek de perfectie moet nastreven om langdurig succes te kunnen blijven hebben bij het grote publiek. De groep heeft het maar enkele jaren uitgezongen, kwestie van teveel ego's allicht. Eddie Reader is nu bezadigder geworden en heeft solo haar pad geëffend door verschillende hele goede albums uit te brengen, waarvan de laatste "Sings The Songs Of Robert Burns" in 2003 een ...schot (sic) in de roos was. Vier jaar later heeft deze grote muzikale dame een schitterend nieuwe solo-album uitgebracht onder de titel "Peacetime". Daarop een aantal zelfgeschreven songs, enkele traditionals in pure folkstijl en ook enkele covers die allen getuigen van een grote liefde en respect voor het songsmid-beroep. De schitterende ballad "Muddy Waters", die geschreven werd door haar eigen gitarist Boo Hewerdine is het eerste hoogtepunt op dit album, meteen gevolgd door de traditional "Aye Waukin-O", een nummer van Robert Burns uit de 18e eeuw. Later brengt ze nog twee andere songs van deze legendarische schrijver "Ye Banks and Braes O' Bonnie Doon" en "Leezie Lindsay". Samen met gitarist John Douglas zingt ze tussendoor een prachtig duet, geschreven door deze laatste : "Prisons" over vergiffenis schenken en krijgen. Zelfs over een klein kabbelend riviertje dat door haar dorpje in Schotland loopt zingt ze een ode in "The Afton". Daarna komt één van de toppers uit dit album, zijnde Eddie Readers' versie van "Galileo (someone like you)", een nummer dat we enkele maanden ook al de hemel in prezen in de nog mooiere versie van de schrijver van deze wereldsong, de Ierse zanger Declan O'Rourke. "Peacetime" is close to ...Perfect, maar ik raad haar aan om toch vooral door te gaan in het streven naar het optimale. Deze CD hoort in je collectie thuis, hetgeen je na een beluistering zeker alleen maar zal kunnen beamen.
(valsam)


 


ALEX TINTINALLI BAND
NOTHING TO LOSE
Website: www.alextintinalli.com
www.myspace.com
E-mail: alex@alextintinalli.com
Label : Scarlet Dragon
www.cdbaby.com
VIDEO

 

 

Er is weer een veertienjarige gitaarvirtuoos opgestaan, een van die jongens die samen met de moedermelk ook een grote portie blues mee naar binnen gekregen moet hebben, want hoe kan je anders verklaren dat deze jongen die op zijn elfde nog geen gitaar aangeraakt had, anderhalf jaar later reeds zijn eerste shows gaf en nu zijn eerste cd op veertienjarige leeftijd mag uitbrengen en dat nog wel wereldwijd op 't Canadese Scarlet Dragon Label. Net als enkele van zijn jonge voorgangers maakt deze Alex Tintinalli nu een kritieke periode door, want al is hij een virtuoos gitarist, een natuurtalent, de stem is natuurlijk een probleem momenteel. Hij zingt met feeling en helemaal niet slecht, maar tijdelijk nog 2 octaven te hoog, de pubertijd zal hem,de juiste stem wel brengen, alleen is er nog die tussenperiode met de "uitschieters" waarbij ik hem zou aanraden enkele shows met pure instrumentals te doen. De moeder van Alex zegt, hij speelt met zo'n gemak gitaar dat 't lijkt of die gitaar een verlengstuk van zijn lichaam is, en dat hoor je wel, want wat deze jongen op gitaar laat horen heb ik nog maar eenmaal op zo jonge leeftijd gehoord, namelijk op "Smokin'" van Jonny Lang, diens debuut, hij was veertien en ik kon toen ook, net als nu mijn oren niet geloven. Alex heeft alle nummers zelf geschreven, behalve “Voodoo Thing” (Colin James) en “Life By The Drop” van Stevie Ray Vaughan. Een Canadese plaatselijke journalist, die bij één van zijn optredens erbij was een jaar geleden, beschrijft het mooi, hoe hij bij een open-podium optreden dat om 21.00 uur begon, met puppy oogjes naar zijn moeder keek en vroeg ”We gaan straks toch dadelijk naar huis, want ik ben moe, en morgen heb ik ’t eerste uur wiskunde.” Waarbij hij nog eens van zijn flesje fruitsap dronk, terwijl hij vijf meter, maar toch ook 6 jaar van de bar verwijderd was, waar ruige motorbinken de biertjes achterover sloegen. Enkele minuten later beklimt hij het podium, gaat gedurende het 2de nummer tekeer als een door de wol geverfde guitar-slinger en laat iedereen met open mond achter. Hij komt van het podium, doet zijn jas aan en gaat met ma naar huis, want het is bijna halftien, zijn bedje in, en dromen van zijn eerste cd, veel optredens en groupies natuurlijk. Ondertussen is die cd er al, de optredens beginnen volop te komen en met die groupies zal het ook wel in orde komen. Zoals ik dus al zei, deze cd staat vol met stevige, vooral op SRV gelijkende bluesrocknummers, en is een staalkaart van wat dit piepjonge gitaristje in zijn mars heeft voor de toekomst, als eens die stem, die nu reeds vol soul zit, twee octaven lager komt en op het niveau van zijn fenomenaal gitaarspel komt. Vanaf dan zal er geen houden meer aan zijn, en zullen wij fier kunnen zeggen, net als bij Jonny Lang, Eric Steckel, Josh Smith en Tyler Bryant, dat we al cd’s hadden van hun toen ze nog maar veertien waren. Rootstime houdt zoals steeds, de vinger aan de pols. Overtuig jezelf en kijk naar de 5 minuten durende videoclip, na 2 minuten komt Alex helemaal op dreef! (het optreden was trouwens het voorprogramma van the Yardbirds.)
(RON)