ARCHIEF

JANUARI 2007 - FEBRUARI 2007 - MAART 2007 - APRIL 2007 - MEI 2007

JUNI 2007 - JULI 2007 - AUGUSTUS 2007 - SEPTEMBER 2007 - OKTOBER 2007


ANDERS OSBORNE - COMING DOWN

COWBOY JUNKIES - TRINITY REVISITED

BOB DYLAN - THE OTHER SIDE OF THE MIRROR / LIVE AT NEWPORT FOLK FESTIVAL 1963-1965 (DVD)

MARK OLSON - THE SALVATION BLUES

GRAYSON CAPPS - SONGBONES

SHANNON CURFMAN - FAST LANE ADDICTION

CHUCK PROPHET - SOAP AND WATER

NEIL YOUNG - CHROME DREAMS II

DIAMOND DAVE & THE DOODADDIES - LONELY PART OF TOWN


 

 

ANDERS OSBORNE
COMING DOWN
Website
Label. PepperCake
Dist:: ZYX / zyx@cuci.nl


 

Met een stem als een jonge Van Morrison, en ook nummers die qua stijl sterk hieraan herinneren, brengt de 41 jarige Anders Osborne ons zijn negende cd. Hij werd in Zweden geboren, maar kort daarna verhuisden de Osbornes naar Gotland, een eiland in de Baltische zee. Een prachtig mooi gebied, en het dekor voor veel Bergman films. Anders vader, een drummer die tourde met veel jazz en rockbands, bracht van zijn reizen door Europa, tapes mee van bootleg opnames met Little Richard, Fats Domino, Miles Davis, Charlie Parker en Jimmy Smith. Natuurlijk was de jonge Osborne een gretige consument van deze dingen, en als je naar zoveel kwaliteit luistert is de verleiding groot om er net als vader ook aan te beginnen. Hij begon ook met zingen en nam allerhande muzieklessen, zodat hij nu met alle instrumenten vlot overweg kan. Schreef eigen nummers en begon op te treden met eigen werk en covers van Van Morrison, Dylan en Neil Young. Anders verliet het ouderlijk huis op zijn zestiende en begon doorheen Europa, en wat later doorheen zowat alle continenten te reizen. In 1985 belandde hij in Louisiana. In New Orleans meer bepaald, zijn grootvader, had er van 1920 tot 1940 gewoond, hij was matroos en vertrok vanuit de haven op zijn wereldreizen. Het waren zijn kleurrijke verhalen over deze stad die Anders hierheen lokten. Hij ontmoette een violiste, toevallig een Zweedse schone en ze vormden een band, waarmee ze veel optraden in de bekende Checkpoint Charlie, een bekende club, die toen pas open was. Hij nam vlug daarna een eerste cd op op ’t indie label Rabadash , die “Doin’ Fine” heette. Anders ontwikkelde een eigen stijl die sterk aan Ry Cooder herinnerde, en nam zijn tweede “Break The Chain“op, die succesvol was en hem gedurende jaren intensief toeren opleverde. In 1995 werd het befaamde Okeh label terug opgericht, het label waarop in 1920 de allereerste bluesplaat verscheen: Mamie Smith’s “Crazy Blues”. Hij tekende als één van de eerste artiesten en nam er “Which Way To Here” op, wat hem een enorm succes opleverde. Songs uit deze cd werden in verschillende Hollywood films gebruikt. Een opvolger op het Okeh label werd om duistere redenen na opname geblokkeerd en nooit uitgebracht. Hoewel Anders Osborne een naam is die weinig mensen kennen, werd ook zijn volgende cd ”Living Room” op ’t Shanachie label door de vakpers een meesterwerk genoemd. Het was een zeer introverte plaat, die ging over scheiding, druggebruik, dood en meer van die “vrolijke” onderwerpen. Hij werd zelfs genomineerd voor een Grammy. Wat later kwam Kirk Joseph, de sousafoonspeler van Dirty Dozen Brass band hem vervoegen, en tot op heden is hij bij de band, en drukt zijn New Orleans stempel op Anders Osborne’s muziek. In deze periode kwam Anders ook terug met zichzelf in ’t reine, raakte van zijn verslavingen af, had terug contact met zijn Zweedse vrouw en maakte in 2000 een nieuwe cd die een hommage was aan “het leven”, precies het omgekeerde van “Living Room”. Deze cd kreeg als naam “Ash Wednesday Blues” mee en word beschouwd als zijn beste tot nu. Maar toen hadden ze deze nog niet gehoord natuurlijk, want ik vind deze beter. Op “Coming Home” staan de songs en de zangkwaliteiten van Anders centraal, zoals ik al zei, veel nummers doen je denken aan Van Morrison, maar ook Billy Joel en Jackson Brown zijn aanknooppunten. De composities zijn stuk voor stuk sterk en de teksten evenzeer. Zo heeft ”Coming Down” , titelsong en opener, een prachtig licht jazzy sfeertje, en Anders zingt zijn heerlijk poetische tekst met zoveel gevoel. De begeleiding is uiterst sober, akoestische gitaar en piano, maar dit benadrukt die voortreffelijke stem van hem. De ganse cd is trouwens sober van opbouw, weinig of geen elektrische gitaar, terwijl Osborne een voortreffelijk slidegitarist is. Wat uitstekend pianowerk, de sousafoon op sommige tracks met New Orleans invloeden en akoestische gitaar. Op “Summertime in New Orleans” doet hij erg aan Billy Joel denken, het is een van de beste songs op de cd. In “BackOn Dumaine” klinkt Anders als Van Morrison op zijn debuutcd, en horen we in plaats van een bas, Kirk Joseph op sousafoon. Natuurlijk krijgen we ook de zoveelste Katrina song en dat kan moeilijk anders dan een blues worden van een man die alles kwijtraakte aan dit “vrouwtje”. Het nummer is ook zo geschreven, als een verwijt van een man die slecht behandeld werd door een “no good woman”. Het hoogtepunt van de cd is echter “When I’m Back on My Feet” een song mooi door zijn eenvoud, maar met een uiterst knappe tekst. ”Between the hurricanes and the heartaches, my old heart is doin’ fine” zingt hij ergens. De cd is sterk over de ganse lijn maar “Miss You When I’m Gone” waar Anders’ stem sterk herinnert aan Jackson Browne en zelfs aan de song “Cocaine” is zeker nog het vermelden waard. Deze “Coming Down” zal nog menige uurtjes doorbrengen in mijn cd speler, en ik weet een ding zeker, hoe meer ik ze zal beluisteren, hoe meer ik er ga van houden. Aanrader.
(RON)


 

COWBOY JUNKIES
TRINITY REVISITED
Website
Label: Cooking Vinyl
Label: V2 Music
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3

 

De afgelopen twintig jaar heeft iedere nieuwe cd van de Cowboy Junkies hetzelfde dubbele gevoel opgeleverd. Een cd van de Cowboy Junkies is aan de ene kant altijd de moeite waard, maar aan de andere kant is er toch ook altijd de onvermijdelijke conclusie dat het wederom niet zo goed is als "The Trinity Session". De mix van pop, rock en country kreeg op deze plaat vooral bekendheid door de sublieme cover van Velvet Underground's Sweet Jane naast andere covers als "Blue Moon Revisited" en "I’m So Lonesome I Could Cry". Het is een gevoel dat we maar eens moeten onderdrukken, want laten we eerlijk zijn, "The Trinity Session" gaat de band uit Toronto nooit meer overtreffen. Het benaderen van deze unieke cd, die destijds als een donderslag bij heldere hemel kwam, zou al een hele prestatie zijn, al leveren de Cowboy Junkies met de vorige cd's "Early 21st Century Blues" uit 2005 en "At The End Of Paths Taken" van begin dit jaar ook mooie prestaties. Omdat het 20 jaar geleden is dat de "Trinity Session" uitkwam zijn de Cowboy Junkies opnieuw naar dezelfde plek gegaan, Toronto's Trinity Church, samen met gastmuzikanten Ryan Adams, Vic Chessnut, Natalie Merchant en Jeff Bird, om deze plaat weer integraal helemaal uit te voeren, gefilmd door een aantal cameramensen. Waar de Cowboy Junkies er twintig jaar lang niet in slaagden om de magie van "The Trinity Session" te benaderen, is deze vrijwel onmiddellijk terug op deze fraaie remake. Een remake die gelukkig niet is gericht op het nauwgezet reproduceren van de originelen, maar nieuwe invulling geeft aan de nog altijd indrukwekkende serie traditionals, covers en eigen songs. De spaarzame instrumentatie, het lage tempo en de heerlijk zwoele vocalen van Margo Timmins bepalen nog altijd het geluid van de band en de songs spreken net wat meer tot de verbeelding met een aantal gastoptredens. Bloedstollend mooie versies zijn het resultaat, waarbij vooral Ryan Adams zijn stempel drukt op bepaalde nummers maar ook Natalie Merchant haar prachtige stem laat horen en de onvolprezen Vic Chessnut ook zijn ding prima doet. Het resultaat is een ontroerende eredienst die de leden van deze country/folkrockband aan zichzelf opdragen en waarbij de kippenvelzang van Margo Timmins net wat verleidelijk is. Voeg daarbij songs als "Misguided Angel", "200 More Miles" en "Working On A Building", songs die hier net wat meer tot de verbeelding spreken. "Trinity Revisited" is daarom een waardevol eerbetoon aan de legendarische "The Trinity Session". Daarbij is "Trinity Revisited" een fraai verpakte cd met als bonus een minstens even mooie DVD, met daarop de documentaire "The Trinity Sessions Revisited". Verplichte aanschaf!


 

 

 

BOB DYLAN
THE OTHER SIDE OF THE MIRROR (DVD)
LIVE AT NEWPORT FOLK FESTIVAL 1963-1965
Website - myspace
Label: Columbia Records
Legacy Recordings
Distr.: Sony BMG Music Entertainment

 

 


Zoals de remake van "The Trinity Session" van de Cowboy Junkies, de legendarische plaat van twintig jaar geleden die nu de naam "Trinity Revisited" meekreeg, is de nieuwe DVD van Bob Dylan, "The Other Side Of The Mirror", optredens die de toekomstige Nobelprijs winnaar voor de literatuur in 1963, 1964 en 1965, halverwege de jaren 60 deed op het Newport Folk Festival, nog meer legendarisch te noemen. Dylans carrière begon in het midden van de jaren vijftig, nog in zijn middelbare schooltijd. Zijn muzikale en literaire faam zijn sindsdien uitgegroeid tot een welhaast filmisch en opstandig, maar ook onwillig boegbeeld van de onrust in de Amerikaanse samenleving. De beweging voor de burgerrechten kende geen beter volkslied dan zijn song "Blowin' in the Wind". Martin Scorcese wist dit al te doorgronden in zijn onvolprezen documentaire "No Direction Home" (2006). "The Other Side Of The Mirror" vormt in feite de perfecte aanvulling, met reguliere optredens op het hoofdpodium, waar Dylan in 1965 voor het eerst optrad met een elektrisch versterkte band, als akoestische concerten en workshops. Regisseur Murray Lerner compileerde hierop de zwart wit beelden van Dylan op het Newport Folk Festival. Het geeft een prachtig beeld van de folkscene waar Dylan uit omhoog rees, oervriendelijke, vroege hippies als Joan Baez en Pete Seeger met hun geloof in een betere wereld, de kracht van de akoestische muziek en natuurlijk de jonge Dylan die hun idealen prachtig verwoorde in het reeds vernoemde "Blowin' in the Wind", maar hier dan aangevuld met The Freedom Singers en het trio Peter, Paul & Mary. De totale speelduur van de DVD is 80 minuten, waarvan de meeste opnamen niet eerder zijn verschenen. In 1963 oogt hij vooral nog erg verlegen, maar als hij dat jaar afsluit met "Blowin’ In The Wind" komt daar wel verandering in. In 1964 is hij samen met Joan Baez de ster van het festival, en vooral het afsluitende "Chimes Of Freedom", is het perfecte hoogtepunt, dat hier op stormachtig applaus getrakteerd wordt. Maar de editie van 1965 ging de rockgeschiedenis in. Dylan trad er elektrisch aan, en dat samen maar met de Butterfield Blues Band, wat op boegeroep werd getrakteerd van de folkfans. "Maggie’s Farm" en "Like A Rolling Stone" die meer dan veertig jaar later nog altijd als een brok rauwe energie van het scherm spatten worden door het publiek niet geappriceerd. Terwijl hij door het publiek wordt uitgejouwd, verlaten Dylan en zijn band het podium na een korte set, om iets later terug te keren met de afsluitende akoestische songs "Mr. Tambourine Man" en "It’s All Over Now, Baby Blue", waardoor de rust terugkeert. Daarmee heeft deze met zorg gemonteerde DVD een soort verhaallijn, gevoed door de serieusheid van alle betrokkenen en als bonus staat er een interview met de met een Oscar bekroonde regisseur en producer Murray Lerner, die deze 'andere kant', "The Other Side Of The Mirror", samenstelde. Een essentieel tijdsdocument!

TRACKLIST:
All I Really Want To Do (7/24/1965) - afternoon workshop

1963
North Country Blues
With God On Our Side (with Joan Baez)
Talkin' World War III Blues
Who Killed Davey Moore?
Only A Pawn In Their Game
Blowin' In The Wind (with The Freedom Singers, Joan Baez, and Peter, Paul and Mary)

1964
Mr. Tambourine Man
Johnny Cash sings Don't Think Twice, It's All Right
Joan Baez sings Mary Hamilton as Bob Dylan
It Ain't Me, Babe (with Joan Baez)
With God On Our Side (with Joan Baez)
Chimes Of Freedom

1965
If You Gotta Go, Go Now
Love Minus Zero/No Limit
Maggie's Farm (electric)
Like A Rolling Stone (electric)
Mr. Tambourine Man
It's All Over Now, Baby Blue


 

MARK OLSON
THE SALVATION BLUES
myspace
Label: HackTone Records
Distr.: Rough Trade

 

 

Het is een publiek geheim dat ik altijd al een hevige fan geweest ben van The Jayhawks. Deze band wordt opgericht in 1985, en hun eerste, titelloze album verschijnt het jaar daarop. Dit album, dat de fans kennen als de "Bunkhouse tapes", wordt in 1989 opnieuw uitgebracht als "Blue Earth", en vanaf dat moment worden de Jayhawks bekend. Op dat moment bestaat de band uit Mark Olson, Gary Louris, Marc Perlman en Thad Spencer. "Hollywood Town Hall", het tweede album, valt meer in de categorie rock, en Louris is medeverantwoordelijk voor de songs op het album. Dit album is erg succesvol, mede door de single "Waiting For The Sun", en brengt de Jayhawks een stabiele schare fans. Het volgende album, "Tomorrow the Green Grass", wordt uitgebracht in 1995, maar het verkoopt niet als verwacht. Ik heb het ook altijd bijzonder jammer gevonden dat de twee spilfiguren van deze band, Mark Olson en Gary Louris, in datzelfde jaar besloten om hun samenwerking stop te zetten. Gary Louris ging gewoon verder onder de naam The Jayhawks en stuurde de band naar een meer op pop en Beatles georienteerde muziek. Mark Olson besluit om het allemaal zelf te doen en het voortaan heel bescheiden en lo-fi te houden in plaats van nog eens de ronde van de grote platenfirma’s te doen. Samen met zijn vrouw Victoria Williams verkoopt hij zijn muziek via het internet en samen met wat vrienden brengen ze o.a. onder de naam The Original Harmony Ridge Creek Dippers een aantal platen uit vanuit hun thuisbasis ergens in de Californische woestijn. Tussen Victoria en Mark, die elkander ontmoetten bij The Joshua Tree, daar in de woestijn van Californië, ontstond een wonderlijke chemie, waarbij een onvoorspelbare Olson van alternatieve country naar lo-fi bluegrass huppelde en Victoria met haar kinderlijke stemmetje voor een tegenstrijdige samenzang zorgde. Net zoals met Neil Young weerklonk soms slechts een verdwaalde banjo of het hartverscheurende gejammer van een mondharmonica. Niet verwonderlijk want hij liet zich al vroeg inspireren door folky muzikanten als deze Neil Young, maar ook Dave Van Ronk en Bob Dylan. De albums "My Own Jo Ellen" uit 2000 en "December's Child" uit 2002 waren zeker de moeite waard. Toen zijn huwelijk in 2005 strandde, hulde Olson zich in stilte. Nu is er dan "The Salvation Blues", zijn eerste soloalbum en ook deze cd valt niet tegen. Wat zeg ik, het is pas met deze bloedeerlijke kippenvelplaat dat hij de pure klasse van de Jayhawks benaderd en zelfs overtreft. Het is de beste cd van Mark Olson tot dusver en een klasse beter dan het laatste werk van The Jayhawks. Elf nummers lang weet Olson te boeien met fraaie lo-fi alt-country, roots/Americana met een snik en persoonlijke teksten over zijn scheiding, zijn vader die zelfmoord pleegde en een ode aan zijn favoriete artieste, Sandy Denny. Zelfs in zijn meest optimistische nummers klinkt Olson alsof hij in tranen kan uitbarsten. "Clifton Bridge" en "Winter Song" kunnen best vergeleken worden met het beste van the Jayhawks. In deze twee songs, de titeltrack en "Look Into The Night" laat hij horen dat hij tot innerlijke rust is gekomen na zoveel wanhoop en pijn. Zijn scherpe, gebroken stem geeft de intieme teksten extra gewicht. Op "Poor Michael's Boat" wordt Olson vocaal bijgestaan door Gary Louris, van wie later in het jaar ook een soloalbum uitkomt en die tevens nog op twee andere nummers akte de presence geeft. "Copper Coin" en "Your Time Will Come" zijn twee exclusieve bonus tracks, die enkel voorkomen op de eerste gelimiteerde uitgave op de Europese markt, hetgeen deze als miniatuurboek uitgebrachte CD nog veel mooier maakt. Kortom: Mark Olson is één van de grote vernieuwers van de Amerikaanse rootsmuziek en mag zich vandaag tot de top tien ‘Americana’ singer-songwriters rekenen. "The Salvation Blues" is gewoon ouderwetse klasse, de klasse die de spanning tussen Louris en Olson van de eerste cd's van The Jayhawks zo bijzonder maakte. Net wat een mens nodig heeft om door de barre herfstdagen heen te komen.

MARK OLSON LIVE


Dec 1 2007
Handelsbeurs Gent, B

Dec 2 2007
Spirit of 66 Verviers, B
Dec 6 2007
Paradiso Amsterdam, NL
Dec 7 2007

W2 Den Bosch, NL
Dec 8 2007
Witte Bal Assen, NL
Dec 9 2007
Huisverloren Hoorn, NL


 

 

GRAYSON CAPPS
SONGBONES
Website
Label : Hyena Records
HyenaRecords@aol.com
Distr.: Bertus

 

 

Behalve liefde op het eerste gezicht bestaat er ook zoiets als liefde op het eerste gehoor. Op de soundtrack van ‘A Love Song For Bobby Long’, hoorde je al die bitterzoete emotie in de songs van verhalenverteller Grayson, geboren in Alabama, maar die later in New Orleans zijn troubadourstaf plantte. Die andere song ‘New Orleans Waltz’ uit zijn laatste cd ‘Wail & Ride’ over de ravage van de Katrina orkaan bekoorde al evenzeer. En nu is er een uitgave van tien pure songpareltjes die in september 2002 het levenslicht zagen met Grayson’s ruwe, soms intieme, stem gezongen. De songs werden opgenomen in het huis van Mike West, 9th Ward Picking Parlor, en de ontstaansgeschiedenis is typisch ‘roady’. Twee muzikanten, Grayson en violist Tom Marron die al jaren met elkaar optrokken, belandden in een soort studio, zetten zich neer en voltooiden op amper vijf uur tijd een akoestische set, zonder veel poespas en met alleen een microkoppeling voor stem, gitaar en viool. Die akoestische opname wordt nu op het label Hyena Records uitgebracht in de originele uitvoering. Sommige van deze songs hernam Grayson later op zijn debuutalbum ‘If You Knew My Mind' en het latere ‘Wail and Ride’, maar dan in een bredere muzikale setting. De mooiste song op dit album is echter onuitgegeven, zoals het intrieste ‘Guitar’, begeleid door een viool alsof de laatste der zigeuners zijn zwanenzang tot de hemel richt. De andere twee onuitgebrachte tracks, zoals ‘Psychic Channel Blues’ klinken ietwat jazzy. Grayson, die geboren werd in hetzelfde jaar dat Woody Guthrie stierf, zoekt de grondstof voor zijn verhalen in quasi identiek materiaal. Outlaws, losers en straatzangers zigzaggen doorheen zijn teksten, wankelend of zich staande houdende in een samenleving waarin kanslozen voorbij worden gelopen. Als kind en ontluikende tiener vond hij inspiratie in de muzikale taferelen die zich rond hem afspeelden. Hoe zijn vader Everett Capps samen met Fred Stokes en Bobby Long de oude countryliedjes zongen en hoe het trio daarin volledig opging. Na landelijke en muzikale omzwervingen, teloorgegane bands zoals ‘The House Levellers’, bekend om hun trash-folk en de rootsy rockband ‘Stavin’ Chain’, lijkt Grayson Capps een thuishaven of uitlaatklep gevonden te hebben in die zuiderse rootsmuziek, die rijk is aan beeldtaal en nog meer aan spontane emoties. Countryfolk die niet de perfectie beoogt, maar verbondenheid met de figuren. Gezongen met een warme stem, soms ruig soms loom, maar altijd inlevend. Als je naar ‘Washboard Lisa’ luistert waar Tom Marron invalt met mondharmonica hoor je de magie van deze naakte uitvoering, een echte ‘songbone’. In het voorjaar 2008 komt er een dubbel-cd uit met nieuw materiaal van Grayson. Alvast om naar uit te kijken en dan maar hopen dat hij deze Live in ons land in het clubcircuit komt voorstellen.
Marcie


 

SHANNON CURFMAN
FAST LANE ADDICTION
Website - myspace
Label: Purdy
Cdbaby

 

 

Toen ik enkele maanden geleden de Britse bluesgigant John Mayall mocht interviewen, sprak hij me vol lof over de nieuwe piepjonge veelbelovende bluessgitartisten die op zijn platen en wat concerten meegespeeld hadden, als Eric Steckel en Shannon Curfman, die volgens hem nog een mooie carrière voor de boeg hadden. Eric Steckel kenden we voldoende, we hadden hem al een paar maal zien optreden, en hadden ook hem vijf weken eerder geïnterviewd. Shannon Curfman, een jongedame van 20, kenden we toen minder. Ze had pas haar debuut gemaakt toen ze als "bakvis" van 14 een contract mocht tekenen voor Arista, die haar in eigen beheer uitgebrachte cd van bijna een jaar voordien, (ja ze was dus dertien!) re-releasde in een wat luxuezer uitziende hoes. Shannon's debuut, "Loud Guitars, Big Suspicions", was een echte bluescd, en ze oogste er enorm veel bijval mee. Daarom is 't wat raar dat er acht jaar voorbijgingen voor haar opvolger er aankwam. "Take It Like A Man" een mini-cd tussendoortje, met vijf songs die allen terugkomen op haar nieuwe cd, "Fast Lane Addiction". En één ding valt bij beluistering meteen op, de blues heeft plaatsgemaakt voor bluesy rock 'n roll songs, en komt de gelijkenis met Johnny Lang boven. Net als Lang is ze afkomstig uit Fargo en ook hij nam op zijn veertiende een debuutcd op. Daarnaast was hij ook haar mentor, speelde op haar debuut, en hun muziek heeft momenteel ook veel raakpunten: Lang begon eveneens met pure blues en beide maken ze nu popsongs in blues gedrenkt. Alleen gaat Shannon er nog wat steviger tegenaan dan Johnny Lang. Haar keiharde gitaarrock is tamelijk ver verwijderd van wat ze acht jaar geleden deed, hoewel ze toen, in haar jeugdige overmoed de gitaar ook wel eens durfde martelen. De composities zijn echter behoorlijk sterk en zouden op de Amerikaanse FM stations wel eens behoorlijk kunnen scoren. De titelsong bijvoorbeeld is wel uiterst hard voor radionormen, maar heeft een refrein dat "werkt". "Liitle Things" is zelfs nog wat sterker om dezelfde reden. Uiterst stevige FM rock. Bij "Square In A circle", de eerste rustiger song, is de gelijkenis met Johnny Lang's muziek groot. "Stone Cold Bitch" steunt wat op Govt Mule/ Black Sabbath gitaren, maar is ook een mooie song vol power. Veruit de beste song volgens mij is "Why", eerder rustig in vergelijking met de rest, mooi gezongen en net wat subtieler gitaarwerk. Shannon Curfman, de nieuwe young lady of blues/rock.
(RON)


 

CHUCK PROPHET
SOAP AND WATER
Website - myspace
Label: Cooking Vinyl
Distr.: V2 Records

 

 

Meer dan 20 jaar geleden was de in San Francisco wonende en nu 43 jaar oude Chuck Prophet al een stichtend lid van de legendarische formatie Green On Red. Na het stopzetten van die groep begin jaren negentig legde hij zich toe op het opnemen van soloalbums en op live optredens. Vooral het uit 1999 stammende album “No Other Love” leverde hem destijds enige vorm van beroemdheid op, net als de titelsong die regelmatig voor soundtracks van films gebruikt werd. Toch was het alweer 3 jaar geleden toen zijn laatste album “Age Of Miracles” werd uitgebracht. Hij kan ook prat gaan op enkele beroemde fans zoals Lucinda Williams, Solomon Burke, Jonathan Richman en Warren Zevon, allen songschrijvers die hem bewonderen omwille van de schitterende teksten die hij bij zijn liedjes heeft geschreven. Deze “Soap And Water” is zijn achtste solo-CD en het dient gezegd dat Chuck Prophet net als de wijn alsmaar beter wordt met de jaren. Deze in Nashville opgenomen CD is een mengeling van diverse stijlen en bevat blues, country, noise met voice distortion (zijn handelsmerk) op o.a. “Doubter Out Of Jesus (All Over You), zelfs gospel, Americana en natuurlijke hedendaagse popmuziek. Hij blijft een rasechte singer-songwriter en die talenten werden omgezet in enkele topsongs zoals “Small-Town Girl”, “I Can Feel Your Heartbeat”, “Naked Ray” en “Happy Ending”. Maar in twee nummers steekt hij zichzelf glorieus voorbij en schittert hij fenomenaal. “Let’s Do Something Wrong” is prachtig maar een echte “wereldsong” (dixit Johan Boskamp) is het wonderlijk eenvoudige maar supermooie “Would You Love Me?”. Engelenkoren en prachtig vocaal werk van de profeet himself. Het eerste nummer op “Soap And Water” heet “Freckle Song” en roept vaagjes herinneringen op aan de jonge Stones. In andere songs zoals “Small-Town Girl” en “A Woman’s Voice” brengt hij zijn eigenzinnige vorm van blues, geholpen door de klaagzang van backing vocals-zangeres Stephanie Finch. En “Downtime” wordt op een jazzy wijze gebracht. Volgens Chuck Prophet zelf is dit album een hommage aan zijn grote voorbeeld Alex Chilton, de charismatische zanger en gitarist van de Box Tops en later van Big Star. Maar zijn eigen langdurige carrière en de vele mooie albums waarvan “Soap And Water” het mooiste is bezorgen Chuck Prophet zelf een ereplaatsje in de gallerij der grootsten.
(valsam)


 

NEIL YOUNG
CHROME DREAMS II
Website - myspace
Label : Reprise Records
repriserec
Distr.: Warner Bros Records

 

Bij het uitkomen van zijn protestplaat "Living With War" begin vorig jaar, werd het al aangekondigd: Neil Young is in zijn archief gedoken. Halverwege de jaren '60 van de vorige eeuw richtte Neil Young de formatie Buffalo Springfield op, samen met Stephen Stills. Vervolgens maakte hij eind jaren ’60 zijn eerste naamloze soloalbum. Young voegt zich niet veel later bij de inmiddels opgerichte band van Stills, David Crosby en Graham Nash. Crosby, Stills & Nash (and Young) of CSNY is een feit. Deze band maakt een aantal legendarisch albums, waarvan "Déjà Vu" waarschijnlijk het bekendst is geworden. Naast de activiteiten in CSNY werkt Young ook aan zijn solocarrière. Met zijn begeleidingsband Crazy Horse neemt hij in 1969 het album "Everybody Knows This Is Nowhere" op. Dit album ligt dan al in de winkels en Young heeft al een serie shows met Crazy Horse gedaan als ze in maart 1970 een paar dagen in de Fillmore East bivakkeren. Uit al die jaren ligt naar verluidt honderden uren ongebruikt materiaal in de kluizen. Als voorproefje kregen we eind vorig jaar de eerste release, "Live at the Fillmore East", gevolgd door "Live At Massey Hall", cd's die we kunnen zien als klassiekers in deze Performance-serie met hoogtepunten uit Young's archieven. In 1977 zou Neil Young het album "Chrome Dreams" uitbrengen, maar deze is nooit uitgebracht. Als verwijzing daarnaar heet Young's nieuwe album "Chrome Dreams II". Het verschijnen van deze nieuwe plaat zal waarschijnlijk ook betekenen dat de Archives-box wederom later zal verschijnen. Deze verzamelaar, bestaande uit 8 cd's en 2 dvd's en een boek van 160 pagina's, staat al jarenlang op de planning, maar is nog steeds niet uitgebracht. De verwachte datum is nu ergens in maart 2008. Maar het uitpluizen van deze archieven bracht Young andermaal naar het verleden: "Chrome Dreams". Toen gingen er geruchten over twee platen: "Chrome Dreams" en "Homegrown". Waar "Homegrown" een vooral akoestische bedoeling was, is het bij "Chrome Dreams II" nu wel een ander verhaal. Na een aantal prachtige akoestische songs als "Beautiful Bluebird", uit de "Old Ways" sessie en de met banjo voortgedreven "Boxcar", bedoeld voor "Times Square" (de voorloper van Freedom uit 1989) is deze cd feitelijk opgehangen aan twee prijsnummers, "Ordinary People" en "No Hidden Path". In de traditie van epische songs vol dynamiek, gitaarerupties, emotionele zang waar ook "Powderfinger", "Cortez the Killer" en bijvoorbeeld "Cowgirl in the Sand" thuishoren, passen deze twee tracks. "Ordinary People" geschreven in de tijd van "This Note's For You" werd toen tijdens de Sponsered By Nobody's Tour met veel succes gespeeld. Deze song, waarbij Young in 18 minuten met zijn gitaar een gevecht aangaat met een blazerssectie is het onbetwistbare middelpunt op deze cd, naast het zeer sterke "No Hidden Path", ook een meer dan 13 minuten uitgesponnen track vol spetterend gitaarsolowerk. Het is echter Young zelf die in deze tracks de show steelt met zijn Gibson Les Paul. Met "Chrome Dreams II" heeft Neil Young weer eens een ouderwets consistent album gemaakt. Mooie rustige ballades afgewisseld met lekker stevige rockers en fraai Youngiaans soleer werk. Een buitengewoon imponerende plaat, een must voor iedere Neil Young fan.


 

DIAMOND DAVE & THE DOODADDIES
LONELY PART OF TOWN
Website
E-mail: doodaddies@hotmail.com
Label: Double Diamond Records

 

 

Het bespreken van deze cd was iets waar ik naar uitkeek van toen ik enkele weken geleden een verzamelcd kon bespreken: "The Hottest Aussie Blues & Roots" genaamd, waarop de beste roots & bluesartiesten van Australie verzameld waren. Er was hierop een band die nog met kop en schouders boven het andere uitstekende materiaal uitstak en dat was Diamond Dave & The Doodaddies, een band die als geen andere die ik ooit gehoord heb (en dat zijn er vele) de authentieke sound van de echte vaders van de Chicago blues en de Chessopnames terug tot leven brengen. De twee Dave B's, Dave Brewer op gitaar en Dave Billing op mondhamonica en vocals, zijn beide meesters op hun instrument en Diamond Dave klinkt werkelijk als Sonny Boy Wiliamson op het ene moment ("She's My Baby"), en als Little Walter op een ander moment ("Much to Much"). Hij is ook een echte harp-addict, hij organiseert zo jaarlijks "Harp Attacks" en workshops. Dave Brewer bracht met zijn groep "Mighty Reapers" vijf cd's uit en begeleidde met deze groep ook de grote bluesact die Pert bezochten, want vandaar zijn ze afkomstig. Zo begeleidde hij onder andere BB.King, Albert King, Buddy Guy, Screamin Jay Hawkins en Stevie Ray Vaughan. Na een uitstekende live cd is dit hun tweede release. Uit 23 songs, opgenomen op nog geen vijf uren, puurden ze de 15 beste voor deze cd. Geen tijd dus voor het verknoeien van songs door er te lang aan te werken, alles klinkt fris en spontaan, zo moet het bij deze muziek, de beste Chess opnames zijn ook in 2 takes opgenomen. Het grootste deel van de nummers zijn covers van bekende Chicago bluessongs, maar Dave & Dave hebben elk ook een eigen song geschreven, "Much To Much" is de song die me de groep deed ontdekken op de Aussie-roots verzamelaar, een prachtnummer van de hand van Diamond Dave, echte Chess stijl blues met Little Walter handtekening. Dave Brewer tekende voor de titelsong "Lonely Part Of Town" een uiterst mooie slow blues waar natuurlijk zijn gitaarwerk centraal staat. De beide heren zorgden hiermee voor twee van de sterkste songs op de plaat, dus hadden ze gerust wat meer eigen materiaal mogen aanbrengen. De covers die ze brengen zijn natuurlijk ook sterk, en hebben hun kracht al door de jaren heen bewezen. "Born In Chicago" van Nick Gravenites of "Kiddio" van Clyde Otis en Buddy Guy's "I Smell Trouble", ik heb ze natuurlijk allemaal al eens in mijn verzameling, maar toch zal ik deze versies nog met plezier draaien, vanwege hun hoge "echtheids" gehalte. Erg mooi is "She Tried To Ruin Me" van Snooky Prior, een ouderwetse shuffle die klinkt als een opname uit eind jaren vijftigen dat is een compliment bij bluesopnames als deze, want toen zijn deze meesterwerkjes ontstaan, dit zijn de roots, ze hebben de "tand des tijds" doorstaan en komen nu perfect bewaard terug, bovendien nog aan de andere kant van de wereld dankzij de Doodaddies. Pretentieloze bluesrelease, maar oh zo mooi. Voor de zoveelste maal een verrassing uit het verre Australie waar nog zoveel moois voor ons verborgen zit, maar Rootstime blijft zoeken voor jullie.
(RON)