ARCHIEF

JANUARI 2007 - FEBRUARI 2007 - MAART 2007 - APRIL 2007 - MEI 2007

JUNI 2007 - JULI 2007 - AUGUSTUS 2007 - SEPTEMBER 2007 - OKTOBER 2007


PAUL REDDICK - REVUE

WILL HOGE - DRAW THE CURTAINS

BILL FARROW WITH KEN THOMPSON - UNDER THE INFLUENCE!

BAWN IN THE MASH - HURRY UP AND WAIT

MIKE GOUDREAU & THE BOPPIN BLUESBAND - BOPPIN' 15

WOODY & PAUL - SONS OF BITCHES

RANDY MCALLISTER - DOPE SLAP SOUP

SHEARWATER - PALO SANTO

JIMMY NALLS - NO STRANGER TO THE BLUES

KEITH MORRIS - SONGS FROM CANDYAPOLIS


 

PAUL REDDICK
REVUE
Website
E-mail: paul091@sympatico.ca
Label: Northern Blues Records
Distr.: Parsifal

 

 

Het Northern Blues label uit Canada is de laatste tijd ook bijna steeds een garantie voor kwaliteit. Paul Reddick, een van de sterkste artiesten uit deze platenstal heeft weer een nieuwe cd uitgebracht, en als je dan merkt dat niemand minder dan Colin Linden weer de producer was, dan kan er nog weinig stuk. Paul Reddick heeft als jonge knaap intensief naar het werk van de grote Chess artiesten geluisterd, Sonny Boy, Muddy, The Wolf. Zij waren zijn grote idolen, op zijn twaalfde begon hij met oefenen op de mondharmonica, en op zijn vijftiende had hij genoeg ervaring om zijn eigen band op te richten, dat werd "The Sidemen" en het intensieve toeren begon. Er volgden 3 releases, in 2001 het goed ontvangen "Rattlebag", ook een productie van Colin Linden. Net als John Hammond die we vorige week mochten aanschouwen, is Reddick een soort archivaris van de blues en tegelijk een groot verteller, die tijdens zijn concerten weet te boeien met pre-war blues en nummers die komen van onder meer de Allan Lomax field recordings en waaraan hij zijn eigen stempel toevoegt. Dit levert ongelooflijk goede concerten op naar het schijnt, hopelijk komt hij binnenkort ook eens de grote plas over. "Villanelle" kwam er dan in 2004, een tweede Colin Linden productie, en weerom werden traditionals met de hulp van nieuwe mogelijkheden omgebouwd en nieuw leven ingeblazen. Voor wie dit moois allemaal gemist heeft is er nu "Revue" een "Best Of" van Paul uit zijn werk samen met Colin Linden. Het toeval wil dat ik gisteren ook een "best of " van Mike Goudreau besprak, ook al een Canadees bluesartiest. Deze "Revue" van Paul Reddick is een overzicht van zijn meest gedurfde opnames van de laatste 2 decennia, en het is niet veel minder dan een meesterwerk geworden, origineel in zijn concept, met stuk voor stuk boeiende songs vol afwisseling die je van het begin tot het eind van deze release in zijn ban houden. Die mooie volle sound die Colin Linden ook op zijn eigen platen weet vast te leggen krijgen we ook hier. Op sommige nummers doet hij zelf ook mee, op een aantal andere krijgt Paul hulp van The Rhythm & Truth Brass Band, wat ook een apart geluid oplevert. Geen puur New Orleans stijltje, maar een genre dat er wel aan verwant is. Hoewel Paul Reddick steeds zijn blik naar de toekomst richt, vergeet hij het bluesverleden nooit, zo maakt hij van de Son House klassieker "Am I Right Or Wrong" een soort ragtime song, en de Johnny Cash song "Train Of Love" hermaakt hij met slide en mondharmonica interventies tot een zeer sterk up to date meesterwerkje. Maar zoals ik al zei, veruit de meest originele en "andere" songs zijn die met de "Rhythm & Truth Band" het klinkt allemaal een beetje als "The Delta meets Miles Davis", luister maar naar "Queens Hotel", waar New Orleans ritmes afwisselen met trompet improvisaties en mondharmonica en zelfs Cubaanse salsa achtige fragmenten, en hoe raar het ook klinkt als je het beschrijft, het werkt perfect en klinkt prachtig. Maar ook een goede "down to earth" shuffle schuwt Paul niet, we krijgen er zelfs twee hier: "You Know It Ain't Right" en "Sidemen Boogie" meteen ook de twee laatste songs, echte uitsmijters met Paul "full force ahead" op mondharmonica. Hopelijk komt Paul Reddick met deze sublieme cd eindelijk eens toe wat hij al lang verdient, erkenning als één van de grote bluesartiesten van het moment, die zowel vernieuwend bezig is en eveneens de traditionele songs en muzikanten van het rijke bluesverleden alle eer toekent.
(RON)


 

 

WILL HOGE
DRAW THE CURTAINS
Website - myspace
Label: Rykodisc Records
Distr.: Rough Trade
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3


 

Waarom slaat één van de best verkopende Amerikaanse bands maar niet aan in de lage Landen? Misschien denk ik na een verblijf van enkele maanden in de VS het antwoord te weten: wij hebben geen uitgestrekte highways waarop je uren onbekommerd kunt rijden zonder een mens tegen te komen. Daar komt Will Hodge namelijk het best tot zijn recht. In de VS verkoopt hij steevast miljoenen exemplaren van elk album dat hij uitbrengt, in ons land is hij nagenoeg onbekend bij het grote publiek. En dat terwijl hij met zijn band toch iedere keer weer echte prachtige muziek maakt! Sommige dingen zijn gewoon onverklaarbaar. Bijna twee jaar na het uitstekende "The Man Who Killed Love" is er eindelijk nieuw werk van de band (enkele live-albums niet meegerekend), die naast Will Hoge (vocals, gitaar, harmonica) bestaat uit Jefferson Crow (keyboards), Sigurdur Birkis (drums), Adam Fluhrer (gitaar, vocals) en Adam Beard (bas, vocals). Het wordt nu toch echt tijd dat deze heren hier wat meer bekendheid gaan krijgen. In Amerika is de band al mateloos populair en treden ze veel op in uitverkochte zalen en stadions. Bij het horen van deze nieuwe plaat, "Draw The Curtains" begrijp je al snel waarom. De band speelt overdonderend en overtuigend en heeft een zeer eigen geluid. Dat laatste komt onder meer door de unieke line-up van het kwintet die we best kunnen vergelijken met The Black Crowes of The Dave Matthews Band. Wat direct opvalt, is dat de plaat behoorlijk ritmisch is en dat de songs gemiddeld nauwelijks vier minuten duren, wat voor Will Hoge niet bijster veel is. Daarnaast zijn er diverse elementen uit de zwarte muziek te horen, zoals "Washed By The Water" en "Silver Or Gold", waarin we de passie terugvinden zoals we die kennen van een rockende Otis Redding. Sommige nummers, zoals het prachtige "Midnight Parade", doet veel denken aan de vroege Springsteen en liggen daarbij in het verlengde van zijn vorige cd's. Op "Draw The Curtains" klinkt Hoge meer als een echte singer/songwriter. De plaat opent schitterend met "When I Can Afford To Lose", maar het zijn voornamelijk de live favorieten "Dirty Little War" en "Washed By The Water", die samen met enkele nieuwe nummers: "These Were The Days", "Silver or Gold" en "Draw The Curtains" de uitblinkers zijn op deze cd, die kan gerekend worden tot het beste wat de groep tot nu toe gemaakt heeft. Nog meer dan op voorgaande platen weet het vijftal hun eigen stijl (emotionele zang, complexe arrangementen en originele viool partijen) te verpakken in schitterende semi-akoestische nummers in een mix van rock, soul, folk, blues en country waar de melancholie werkelijk van afdruipt. Zo heeft Will Hoge nog niet eerder geklonken en aangezien het niveau van de songs wederom erg hoog is, behoort "Draw The Curtains" dan ook meteen tot de beste cd van de band. De fans zullen hun weg naar de platenwinkels wel weten te vinden.


 

BILL FARROW WITH KEN THOMPSON
UNDER THE INFLUENCE!
Website
Email: bill@mangle-music.com
Label: Tortoise records
info@tortoiserecords.co.uk
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3

 

 

Op het hoesje staan lege flessen op een tafeltje en een lege bak met de naam ‘Sonny Terry’ erop gekliederd, suggereert al wat we mogen verwachten. Maar Bill Farrow is niet onder de liquide invloed wanneer hij zijn gitaar oppakt. Integendeel, met een zuiver gevoel voor het bluesritme, zet hij de gitaarsnaren naar zijn hand. De Live confrontatie met de folk en blues was voor hem een keerpunt in zijn leven. Zijn invloeden zijn verre bluespioniers, die inwerken op zijn eigen songmateriaal. Big Bill Broonzy, Sonny Terry, Brownie McGhee, om maar enkele mentors te noemen in wiens spoor hij als songwriter graag zijn eigen aardkluitje wil bijdragen. Dit doet hij aan de hand van een reeks songs, die fris van de pen en vrolijk klinken, soms met een vleugje nostalgie, zoals ‘These Blues Of Mine’ die klinkt als de afscheidsplaat van een lievelingsoom. Bill Farrow komt uit de streek van Londen en voor deze opname verplaatste hij zich naar Cardigan in Wales, waar dit album in The Back Bedroom Studio’s werd opgenomen. Hij heeft blijkbaar goede herinneringen aan dat gastvrij plaatsje en aan producer Jon Turner, die genoeg vertrouwen in hem had om 17 songs bijeen te brengen en op te nemen. In deze songs – countryblues jaar 2007 – creëert Bill een eigen bluesgeluid met toch een verscholen kern van oude blues. De songs lijken spontaan te ontstaan alsof hij in een Londense pub, geïnspireerd door een oude jukebox met ‘oldies’, verwoed aan het schrijven is geslagen als een dichter Yeats die zich plots tot songwriting bekeert. Op de cd levert ook Ken Thompson een prettige bijdrage met discrete bluesharp en op ‘Believe My Woman’ speelt producer Turner op Hammond. Hier en daar klinkt ook de bluesstijl door van Josh White terwijl Rambling Jack Elliott op ‘Devil’s Lullaby’ hem ook wat invloeden influistert. Op dat palet van inspiraties schildert Bill Farrow zijn songs. ‘It’s The Now & Then’ klinkt wat jazzy, ‘Believe Me Woman’ neigt naar swampblues, ‘My Religion Is Best’ evoceert de jubelstemming van een gospel en de backing vocalen laten ergens een Golden Gate afdruk na. Het instrumentale ‘Bill’s Round’ wedijvert met ‘Old Dan Smith’ in joligheid, beiden zo als het ware van een zuiderse visbarbecue weggeritst. Ik kan maar herhalen wat Ken Thompson zijn muziekmaat op het hoesje toevoegt, wat vrij vertaald hierop neerkomt ‘Bill’s muziek geeft je een kik en ergens hoop je dat zijn muziek nooit stopt’.
Marcie


 

BAWN IN THE MASH
HURRY UP AND WAIT
Website - myspace
E-mail: band@bawninthemash.com
Label:Eigen beheer
Cdbaby

 

 

Bluegrass, normaal niet echt iets voor mij, maar toch, aan dit cd'tje heb ik me gewaagd, want dit is bluegrass buiten categorie. Zelf noemen ze het Atomic Grass, maar dat betekent in het geheel niet dat je hier Punkachtige toestanden mag verwachten, zoals dat onlangs het geval was met het punky bluegrass gezelschap Los Duggans. Neen, Bawn in the Mash is duidelijk conservatiever, maar toch is geen doordeweekse, 13 in een dozijn bluegrasband. Ze zijn fris, origineel en grappig. Zo zijn er Marokkaanse invloeden, hip hop invloeden, jazzinvloeden, maar ook blues en improvisaties allerhande, zowel instrumentaal en vocaal. Dit alles houdt de cd boeiend en interessant, en geloof me, ik dacht nooit dat ik dat van een bluegrassrelease ooit zou zeggen. Neem nu "Max Travels", snelle vocals, jazzy banjo's, tempowisselingen, bluegrass with a twist. Of "Heazy Daze", een bluesy, melancholisch sfeertje, een mooie dobro en fiddle en de klagende stem van Nathan Blake Lynn, mooie sfeervolle song. Ook "Down The Road" is knap, en meer Americana dan echte bluegrass, ondanks de banjos en mandolines. Grappig is dan weer de a capella doowop paradie op Huey Lewis "Huey Lewis & The Blues". Een van die nummers waar er duchtig op los geimproviseerd wordt is "Big Poppa Reel", een instrumental, deze keer wel pure bluegrass, waar (gast) violist Donnie Herrin (BR-549, Dylan), halfweg op hol slaat en alléén improviseert tot het (bittere) einde. Het Iers aandoende "Waitin On Dixie" en "Black Mountain", een rustige song met mooie dobropassages zijn nog twee verdere hoogtepunten op deze "Hurry Up and Wait", maar de verrassing komt op het einde. Het 15.38 minuten durende: "The Thing Of It Is" dat in feite bestaat uit 2 los van elkaar staande gedeeltes, deel 2 is de hidden track die na enkele minuten stilte terug opduikt. Op deel 1 hadden we dan al mogen luisteren naar een hip hop inprovisatie, fun in de studio, maar wel goed gedaan. Daarmee is "Hurry Up And Wait" toch best een bluegrass release geworden die me regelmatig kon boeien, en waarnaar het prettig luisteren was.
(RON)


 

MIKE GOUDREAU & THE BOPPIN BLUESBAND
BOPPIN' 15
Website - myspace
E-mail: goudreaumike@hotmail.com
Label: Eigen beheer

 

O.K, let’s bop! In mei van dit jaar besprak ik de cd "The Grass Ain't Greener" van de Canadese Mike Goudreau die toen zijn Boppin Blues Band even op stal gelaten had om de blues eens vanuit een andere hoek te benaderen. Waren we normaal op zijn vorige cd's een sound gewoon geweest met de blazers van de Boppin Blues Band erbij, die keer had hij een ander, meer modernere sound als doel. De cd was zeer geslaagd en ik noemde hem samen met Trevor Finlay een van de Canadese top bluesbands. Nu is hij er al terug met een nieuwe release die “Boppin 15” heet, een bloemlezing van wat hij gedurende 15 jaren presteerde met daarbovenop wat nieuw materiaal. We kunnen ons dus verwachten aan een portie Boppin’ blues. Dat is wat we al dadelijk te horen krijgen in “You should Have Known Better”, een uitstekende boogie uit zijn voorganger waarover we het net hadden. Op deze”Boppin 15 “ook vijftien songs, acht die we kennen en zeven nieuwe, waaronder elf zelf geschreven en vier covers. De bezetting is wel wat veranderd in die 15 jaar, maar de muziek is gebleven wat hij van in de beginne was, “Rhythm and Brass” zou je het kunnen noemen, vanwege de blazers. Enkele gasten maken op deze cd ook hun opwachting zoals onder andere Pete Brown op piano en Harmonica Zeke. Toen hij vijftien jaar geleden zijn eerste opnames maakte op zijn vaders cassetterecorder, een live opname opgenomen in een kelder, had hij nooit gedacht dat hij vier cd’s zou maken. en op honderden festivals zou optreden (waaronder het Montreux Jazz festival 5 maal) alleen door een soort big band blues te maken, die sterk leunt op de sound van de jaren 40, 50 en 60. Zo krijgen we onder meer een nummer met Bo Diddley ritmes “Love This Rhythm” of een heel eigenwijze cocerversie van Stevie Ray’s “Look At Little Sister”. Gedurende zijn carrière waren er ook 2 Franstalige releases, en hiervan krijgen we ook 2 voorbeelden, ééntje ervan is de cover van “Someday Baby” van Sleepy John Estes, hier als “Ons Se Trouvera” gedoopt. Ook wat New Orleans zydeco in “Have You Ever Been To New Orleans”. Zelfs wat Western swing in de stijl van Bob Willis in “Way Down South”, een heel aanstekelijk nummer. Met deze 15 songs bevestigd Mike dat wat ik vorige keer al verklaarde, hij is (en blijft) één van de betere Canadese blues acts. Voor nog de volgende15 jaar?
(RON)


WOODY & PAUL
SONS OF BITCHES
Website - myspace
Mail: info@woodyandpaul.com
Label : Munich Records

 

 

Bluesrock en rock’n’roll van een Nederlands trio uit Eindhoven. Woody (Veneman) en Paul (Van Hulten) vormen samen met drummer Joshua Van Iersel deze formatie. Enkele jaren geleden debuteerden ze met “Home”, een akoestisch album met folk, blues en gospelsongs die hun oorsprong vonden in de sound van de sixties. De akoestische gitaren werden voor “Sons Of Bitches” ingeruild voor elektrische en de muziek op deze plaat is wat ruiger en harder. De productie werd overgelaten aan de deskundige handen van Hermann Blaupunkt. Dit keer overheerst de seventies-bluesrock en ettelijke leuke gitaarriffs blijven de basis vormen van het werk van Woody & Paul. Zo is de openingstrack “Kiss Yer Cash Goodbye” seventiesrock à la Bad Company met de elektrische gitaren in een vooraanstaande rol. South American rootsrock door Zuid-Hollanders, het is eens wat anders. “Do Re Mi” is bluesrock in de stijl van Lynyrd Skynyrd. Evenzo klinkt “Tail Light Blues” en “Ain’t Nobody’s Gonna Steal My Honey”. Pas in “Booze ‘N Bicycles” – een dronkemanslied dat amper 2 minuten duurt – gaan Woody & Paul volledig akoestisch. Countybluesmuziek over het pijnlijke verlies van een grote liefde is het onderwerp van “Black Widow”. Een goede popsong zit verborgen in de track “Careful Who You Take Home Boy” en afsluiter “On The Run For No One” klinkt wat somber en donker en gaat opnieuw de akoestische toer op. “Sons Of Bitches” is rock’n’roll, blues, folk, pop en Americana uit de Benelux. Alleen jammer dat de tien songs amper 28 minuten duren. Wie een CD koopt verwacht allicht een ietsje meer waar voor zijn geld. Maar verdienstelijk is deze plaat zeker wel.
(valsam)


 

RANDY MCALLISTER
DOPE SLAP SOUP
Website - myspace
Label: Eigen beheer
Cdbaby
VIDEO

 

 

De Texaan Randy McAllister, songwriter, zanger, drummer, en vooral een man zonder enige sterallures, had ons met zijn voorganger "Flying High While Staying Low" getoond de juiste fusie te hebben gevonden voor zijn eigen sound. Na drie albums lang te hebben gesleuteld aan de mix van stijlen bracht hij ons een geluid dat gebaseerd was op een meerderheid blues, gemengd met wat gospel, country, rock, tex mex en zydeco. Dit levert een genre op die wat vergelijkbaar is met wat we van Doug Sahm, Delbert McClinton of John Hiatt kennen, zij het iets meer Texas blues georienteerd. Op "Dope Slap Soup" blijft deze muzikale richting van de voorganger volop aanwezig. Zij het met nog een kleine portie meer blues. De cd opent sterk met "Just To Clear My Head" een sterke song met een slide in Allman Brothers stijl. In "When I Get Back Home" bewijst Randy tevens echt sterke soulnummers te kunnen schrijven en zingen als de beste. Grappig is de tekst in het onfortuinlijke "127 Dollar Sandwich", een wat Creedence achtige klinkende song, met mooi gitaarwerk en mondharmonica solo. "Set You Free" is pure Texas style blues, terwijl vlak daarna "The Girl Ain't Right" een Bo Diddly ritme als basis heeft. New Orleans drukt zijn stempel op "Heardheaded". Het sterke "Blame Yourself" dat weer eens balanceert op de rand van verschillende genres zoals soul, blues en zelfs wat funk, effent de weg voor de laatste song, een stevig rocknummer dat ik hiermee opdraag aan al mijn collega's, want het gaat over iets waar wij allen, en onze Freddy nog het meest, regelmatig mee te maken hebben: "Steady Deadline", Guys, (and not forgetting Marcie) this one is for y'all!
(RON)


 

 

SHEARWATER
PALO SANTO
Website
Label : Matador Records
Distr.: Beggars Banquet Records Ltd

 

 

Okkervil River en Shearwater zijn twee groepsnamen die onafscheidelijk met elkaar verbonden zijn. Singer-songwriter Jonathan Meiburg is de stuwende kracht achter beide bands die heel succesvol zijn in het indiecircuit. Shearwater is echter een groep met 4 leden. Naast Meiburg zijn er ook Howard Draper, Kim Burke (de ex-vrouw van Meiburg) en Thor Harris. De formatie bracht in 2006 het album “Palo Santo” uit op Fargo Records. Het was hun vierde album en een behoorlijk indrukwekkende muzikale koerswijziging. Op de betere radiostations kregen ze dan ook een grote hoeveelheid airplay. In april 2007 tekenden de groep een wereldwijd contract met Matador Records dat hun album “Palo Santo” opnieuw uitbracht. Deze keer in een zeer fraai verzorgde de-luxe editie met 2 CD’s: de orginele “Palo Santo” die deels werd geremastered (vijf nummers) en een special edition bonus-CD met daarop een reeks demo’s, uitgeklede versies van enkele songs op “Palo Santo” evenals een paar nieuwe en eerder onuitgebrachte nummers. Vocaal is Jonathan Meiburg van een aparte klasse die je dwingt om heel aandachtig te luisteren, zowel naar de stem als naar wat hij te vertellen heeft in zijn nummers. Soms roept hij herinneringen op aan een jonge John Cale en natuurlijk denk je automatisch ook even terug aan zijn werk in Okkervil River, o.a. in “Red Sea, Black Sea”. Gitaarsongs als “White Waves” en “Hail, Mary” storen nergens. De piano staat ook centraal in heel wat nummers en geven de songs een speciaal cachet, zoals in “Seventy-Four, Seventy-Five”. De titeltrack “Palo Santo” is haast religieus sacraal gebracht en noopt tot een stille genieten. Ook “Nobody” en “Going Is Song” zijn uiterst fragiel gebrachte prachtsongs met superbe vocalen van Meiburg. Naar mijn bescheiden mening het mooiste nummer van deze plaat is de loepzuivere lullaby “Sing, Little Birdie”. In de pers wordt de stem van Meiburg soms volledig terecht vergeleken met Antony (van Antony and the Johnsons), Neil Hannon (van Divine Comedy) en met Devendra Banhart. Allicht omwille van de emoties die hij zo gemakkelijk lijkt uit te drukken met die breekbare falsetto-stem. Dan ook nog wat over de bonus-CD. Die begint met een alweer haast religieuze song “My Only Boy”. “Every Hook, Every Eye” en “Discontinuities” zijn instrumentale noise-tussendoortjes. Daarna volgt “Special Rider Blues” - de enige cover op dit album - dat echt unplugged wordt gebracht en nog zeer demo-achtig klinkt. “Sing, Little Birdie” volgt dan in een akoestische demoversie en is alweer de mooiste song op deze extra CD. Hetzelfde gebeurt er met “Red Sea, Black Sea” en de albumafsluiter is “Failed Queen” dat ook al ontdaan is van haast alle instrumenten en naakt even mooi klinkt als in de originele versie op “Palo Santo”. Als je de originele plaat al hebt hoef je deze nieuwe editie niet echt aan te schaffen voor de extra’s. Maar als je de plaat nog niet zou hebben kan ik deze speciale editie sterk bij u aanbevelen.
(valsam)


JIMMY NALLS
NO STRANGER TO THE BLUES
Website
Label: Music Avenue

Gitarist Jimmy Nalls is zeker geen onbekende in de muziekwereld. Zijn eerste solo album, "Ain't No Stranger" uit 1999 is nu opnieuw uitgebracht door Music Avenue en kreeg de titel: "No Stranger To The Blues" mee en met deze re-release zijn we zeer blij, want voor deze opname kwamen een keur van artiesten, in feite zijn hechte vrienden met wie hij in zijn muzikale loopbaan vele opnames heeft gedaan hem ondersteunen. Vrienden als Chuck Leavell, Jack Pearson, Lee Roy Parnell, T. Graham Brown, Mike Henderson, Wayne Jackson, Charlie Hayward en vele anderen zijn te horen op deze plaat waarvan de opnames gebeurden in Nashville in een productie van Phil Dillon en Nalls zelf. Jimmy Nalls was voor zijn muziek veel in Macon, Georgia, waar hij opnames deed met o.a. Gregg Allman, Bonnie Bramlett, Percy Sledge, Bobby Whitlock, e.a. In de jaren '70, na vele optredens rond New York en zijn thuishaven Washington DC, kreeg Nalls contact met Chuck Leavell die toen bij The Allman Brothers Band speelde. Uit hun vriendschap groeide al snel een band, Sea Level, waarin ook bassist Lamar Williams en drummer Jai Johanny "Jaimoe" Johanson (beiden ook van The Allman Brothers Band) onderdak hadden gevonden. Sea Level nam tot 1981 vijf platen op, vier voor Capricorn Records en ééntje voor Arista. Dat jaar was ook het einde van deze band, Chuck ging bij the Rolling Stones, Jaimoe vervoegde zich terug bij The Allman Brothers Band, en Lamar's zijn gezondheid ging sterk achteruit tot hij enkele jaren later stierf aan kanker. Na achtereenvolgens als sessie muzikant te spelen met Noel Paul Stookey (Peter, Paul & Mary), country zanger B.J. Thomas, en Charley McClain kwam hij terecht in de legendarische blues band The Nighthawks als lead gitarist en dit samen met de frontman van Wet Willie, niemand minder dan Jimmy Hall. Door het vele touren, wou Nalls eindelijk terug wat rust in zijn leven vinden en verliet the Nighthawks om meer rustig werk te vinden bij country-soul zanger T. Graham Brown. In 1995 werdt echter bij Nalls de ziekte van Parkinson vastgesteld, hetgeen niet alleen een schok voor hem en zijn familie was, maar vooral in heel de muziekwereld. Na zijn medewerking in het Blues Co-Op project in 1997 was voor hem zijn enige betrachting om een soloplaat op de markt te brengen waarmee hij startte in 1998. Het resultaat is te horen op deze "No Stranger To The Blues", een 14 tracks album gaande van rock 'n' roll tot blues tot New Orleans funk tot een beetje swamp music. Zes van deze songs zijn geschreven of co-written door Nalls, naast mooi uitgekozen covers van Jackie Avery's "The Voo Doo In You", Clyde Otis/ Nancy Lee klassieker "The Stroll" en Willie Dixon's "Mellow Down Easy". Blueblood's gitarist Mike Henderson zijn mooi slidewerk is te horen in "Good Luck, Money & Gasoline" en Chuck Leavell speelt piano in twee nummers: "Down In New Orleans" en "I Ain't No Stranger To The Blues". Vocale ondersteuning is er van Lee Roy Parnell en T. Graham Brown in "Hey Brother" waarin Lee Roy, zijn handelsmerk, de slidegitaar, op een sublieme manier weet toe te voegen. Allman Brothers Band gitarist Jack Pearson is van de partij in "It's Mighty Crazy" en "In The Time It Takes To Cry" en Wayne Jackson van The Memphis Horns zijn specifieke sound is te horen in "Another Love Like Mine", "The Stroll" en "Hey Brother". Vergeefs zal je hier wachten op ook maar één moment van zwakte. Van de opener "The Voo Doo In You" tot het afsluitende "Jennifer's Wheel" bevatten deze songs allemaal superieur materiaal, getuigend van een ongelooflijke instrumentbeheersing en een al even indrukwekkend schrijftalent. Jimmy Nalls laat de wederopstanding horen van de Southern bands, zoals we dat kennen van de jaren zeventig. Dat betekent veel indrukwekkend virtuoos snarenwerk, zonder enig verveelmoment. Maar natuurlijk zijn het ook hier de songs die het doen. Badend in een heerlijk bad van soul en rhythm & blues heeft Nalls zijn songs van geweldige melodieën voorzien die met veel emotie en power worden gebracht. "No Stranger To The Blues" is dus een must in deze mooie nieuwe versie, waarvan het boekwerk met mooi muziekgeschiedkundig materiaal verrijkt is. Tjonge...als je deze tracks hoort: Wat een enthousiasme, klasse en energie komt daar vrij! De legendarische composities, de geweldige muzikanten en Nalls mooie rasperige stemgeluid klinken trouwens nog steeds als een klok.


 

KEITH MORRIS
SONGS FROM CANDYAPOLIS
Website - myspace
Mail: keith@keith-morris.com
Label : City Salvage Records
CD Baby

 

 

“Songs From Candyapolis” is het debuutalbum van Keith Morris, woonachtig te Charlottesville, Virginia. Geboren in Alabama groeide hij op in Columbus, Georgia en maakte hij daar deel uit van de Athens-muziekscene waar ook R.E.M. en Vic Chesnutt een belangrijke rol in hebben gespeeld. Als belangrijkste muzikale invloeden ziet Morris zelf Bob Dylan, Neil Young, Van Morrison, Leonard Cohen, Daniel Johnston en diezelfde Vic Chesnutt. Als kelner, barkeeper en taxichauffeur probeerde hij in het begin een inkomen voor zichzelf en voor zijn kersverse vrouwtje Jennifer te verwerven. Met een universitair diploma literatuur kon hij in Charlottesville echter al vlug terecht als onderwijzer en gaf hij later ook boeken uit. In zijn vrije tijd schreef hij columns over muziek en besprak hij CD’s. Misschien is er dus ook nog een grootse toekomst voor ondergetekende weggelegd. Deze eerste CD bevat 10 zelfgeschreven nummers en een cover van de Daniel Johnston-klassieker “Casper The Friendly Ghost”. Liedjes schrijven gaat Keith Morris overigens uitstekend af. Zo is de ballade “Billie Weir’s Dress” een heel mooi liedje dat hij samen met zangeres Devon Sproule brengt en waarin ik hem zeer dicht zie aanleunen bij de liefdesliedjes die ook Vic Chesnutt tot zijn handelsmerk heeft gemaakt. Zijn vakmanschap als songwriter blijkt overigens later ook nog een paar keer in enkele tragere songs waaronder het zeer mooie “Little Cameron”, het intimistische “Snow Days”, het Dylaneske “Baby Saves World” en het verhalende “Mockingbird”. Ook in het swingende “Candy Apples” zit een onweerstaanbaar ritme dat je al snel uitnodigt tot meezingen. In zijn biografie verhaalt hij dat hij wel zeker 10 jaar gedaan heeft over de liedjes die weerhouden werden voor “Songs From Candyapolis”. Zijn producer zegt dat volgens hem de nummers een mix zijn van gospel, rock, klassiek en zelfs van kinderliedjes. Voor een debuutalbum is dit een zeer verdienstelijke, knap geproduceerde en uitermate gevarieerde plaat geworden van een geboren artiest die nog een hele stapel groeipotentieel heeft.
(valsam)