ARCHIEF

OKTOBER 2007 - NOVEMBER 2007 - DECEMBER 2007

JANUARI 2008 - FEBRUARI 2008 - MAART 2008


SEAN COSTELLO (16/4/79 - 15/4/08) - WE CAN GET TOGETHER

NICK CAVE & THE BAD SEEDS - DIG!!! LAZARUS DIG!!!

ROY BUCHANAN - LIVE FROM AUSTIN, TX (DVD)

MALCOLM HOLCOMBE - GAMBLIN’ HOUSE

KEVIN MEISEL & THE RAGGED GLORIES - CRUISING FOR PARADISE

TOM PRINCIPATO - RAISING THE ROOF

FRED EAGLESMITH - TINDERBOX

SHAWN MULLINS - HONEYDEW

ROBBEN FORD - OHNE FILTER LIVE REVISITED (DVD)

MYROL - JOANNE & HALEY MYROL

CLAW BOYS CLAW - PAJAMA DAY



 

 

 

 

 

 

Rand Chortkoff and Robert Fitzpatrick, the CEO and President respectively of Delta Groove Music, issued the following joint statement: "Sean Costello was a genius. He was destined to go down in music history as a blues legend. His musical legacy will live on through his music forever. We at Delta Groove Music and all his fans everywhere are devastated by the untimely news of his death. Our thoughts and prayers are with his family, loved ones and friends and to all of his many fans around the world. He will not be forgotten."

 


 

Bluesartiest Sean Costello (16/4/79 - 15/4/08) is dood aangetroffen in zijn hotelkamer in Atlanta. De musicus zou deze maand 29 jaar zijn geworden. In 1994 won hij al de 'Blues Talent Contest' in Memphis. Daar ontmoette hij Susan Tedeschi, die hem als gitarist meenam op verschillende tournees in de VS. Zijn eerste album "Call The Cops" nam hij op in '96 en dat was meteen een succes. Later volgden nog "Cuttin'In", "Moanin' For Molasses" en "Sean Costello". Onlangs verleende hij ook als gitarist zijn medewerking aan het album "Long Time Coming" van zanger Nappy Brown, dat verschenen is bij Blind Pig Records. Hij had net zijn nieuwste cd "We can get together" uitgebracht, onder het label Delta Groove Record. Zie hier de recensie:

 

 



SEAN COSTELLO
WE CAN GET TOGETHER
Website Myspace
Label: Delta Groove Productions
Distr.: Coast To Coast

 

Nu B.B. King definitief met pensioen is en vele van zijn generatiegenoten inmiddels jammen met Jimi Hendrix, ligt het lot van het bluesgenre in minder gerimpelde handen. Gelukkig zitten we de komende decennia nog gebeiteld, met begeesterde bluesmannen als een Ian Siegal, Eric Bibb, Keb’ Mo en Sonny Landreth, die een frisse bries door bluesland laten waaien. Een nieuwe ster aan het firmament is Sean Costello. Nieuwe ster? Toch is hij al aan z’n vijfde cd toe. Sean Costello is op zeer jonge leeftijd al begonnen met het beoefenen van de muziek. Op elfjarige leeftijd speelde hij alles al na van o.a. Jimi Hendrix, Led Zeppelin en Stevie Ray Vaughan maar het was de rauwe blues van Howlin’ Wolf die zijn leven veranderde. Op 14 jarige leeftijd won hij het prestigieuze Blues Talent Contest op Beale Street in Memphis, het Walhalla voor de bluesmuzikant. Tijdens de International Blues Competion maakte hij kennis met Susan Tedeschi. Met haar en onder haar naam nam hij de CD "Just Won't Burn" op, welke genomineerd werd voor een Grammy Award. Met de afwisseling van obscure traditionals en zijn eigen krachtige songs, weet Costello al enige jaren de aandacht op zich te vestigen. Zijn ongrijpbare gitaarspel en de kenmerkende stem blaast nieuw leven in de tradities van de Chicago blues en de Southern rhythm & blues. Hoewel Costello nu al jaren meedraait in de scène, alom erkend wordt als één van de beste gitaristen uit de huidige lichting en al vier albums o.a.: "Call The Cops" (1996), Cuttin’ In (2000), Moanin’ for Molasses (2002), Sean Costello (2005), op zijn CV heeft staan, is de man nog maar 28 jaar. De uit Philadelphia afkomstige zanger/gitarist heeft voor zijn vijfde album zijn onderkomen gevonden bij Delta Groove Music en dat heeft meteen ook zijn gevolgen, want "We Can Get Together" is ijzersterk! Sean weet zonder twijfel nog steeds te boeien op zijn Gibson Les Paul. Bovendien is hij als gitarist wars van het spierballenvertoon van andere bluesmannen. Hij stelt zijn solo’s in het dienst van het nummer, ook als dat ondergeschikt gitaarspel oplevert. Ondanks de voorspelbare gevolgen voor Costello’s populariteit bij bluesfans en anderen, kent "We Can Get Together" opnieuw een mix van soulballads, funky shuffles en slow blues. Ondersteund door een klasseband bestaande uit Aaron Trubic (bas), Paul Campanella Jr. (drums & percussie), Oliver Wood (gitaar), Ray Hangen (drums & percussie), Rich Iannucci (orgel & accordeon) en Jon Liebman (harmonica) toont hij de persoonlijkheid van een goede singer-songwriter door het precieze spel en zijn smartelijke, soms schorre stem. Daarmee legt hij een sterke persoonlijke lading in de teksten. Onwillekeurig doet Costello zo denken aan de funky blues van Johnny Winter in het openende "Anytime You Want", maar ook in andere tracks als "Hard Luck Woman" en "How in the Devil". Zich de muzikale tradities geheel eigen makend, betuigt hij er tegelijk zijn respect voor in Levon Helm's afsluitende "Little Birds". Samen met "Going Home", een andere traditional, en zijn eigen negen krachtige songs, weet Costello hierbij zijn gitaarkunsten nooit te laten domineren boven zijn songs en hun soulvolle arrangementen. Zoals ook in zijn vorige albums zijn het voornamelijk blues, R&B en jazz-invloeden die zijn songs zo geweldig maken, met hier dan als andere uitschieters, de swamp-blues in "Same Old Game", het soulvolle "Can’t Let Go" en het gospel/soul - getinte "You Told Me A Lie". Rest in peace, Sean.


NICK CAVE & THE BAD SEEDS
DIG!!! LAZARUS DIG!!!
Website
Label : Mute Records Limited
Distr. : EMI Music

 

Nicholas Edward Cave werd iets meer dan vijftig jaar geleden geboren in Warracknabeal, een boerengat in Australië. Daar bleef hij echter niet te lang rondzwerven want hij had maar een wens: beroemd worden als zanger, liedjesschrijver en dichter. Tijdens zijn middelbare schooltijd ontmoette hij Mick Harvey en verhuisde samen met hem naar Londen om daar de groep The Birthday Party te vormen, samen met de Duitse gitarist Blixa Bargeld die hen al snel overtuigde om hem naar West-Berlijn te volgen. Daar werd Nick Cave And The Bad Seeds in 1984 boven het doopvont gehouden, een groep die sindsdien een onwaarschijnlijk succesvol parcours heeft afgelegd doorheen de hedendaagse muziekgeschiedenis. Hun eerste full-cd was “From Here To Eternity” die meteen uitgroeide tot millionseller. Met een fantastische discografie waaronder “Murder Ballads” uit 1996 en de bijna akoestische pianoplaat “The Boatman’s Call” uit 1997 behoort deze groep tot het klassieke muzikale patrimonium en gelden ze als één van de belangrijkste referenties binnen de moderne popmuziekscène. In maart 2007 verscheen de cd “Grinderman”, een zijproject van Nick Cave met enkele andere Bad Seeds. Het geluid van die plaat bepaalt nu ook voornamelijk de sound van de recentste Nick Cave and The Bad Seeds-cd “Dig!!! Lazarus Dig!!!”, overigens hun veertiende studioplaat. De literair zeer begaafde poeet Nick Cave schreef weer alle teksten voor deze plaat in een voor anderen onnavolgbare stijl. De inspiratie voor deze cd werd gevonden in het Bijbelse verhaal van de heropstanding uit de doden van Lazarus van Bethanië door Jezus Christus. Bijna 25 jaar na hun eerste album is deze plaat alweer een zeer knap staaltje moderne popmuziek met een heel herkenbare sound eigen aan Nick Cave en zijn groep. De titelsong is ook de eerste single uit de plaat en noopt tot vrolijk meeschreeuwen met His Master’s Voice. Dit album is een bluesy rockplaat geworden met swingende songs als “Today’s Lesson”, “Albert Goes West” en “Lie Down Here (& Be My Girl)” maar er is ook ruimte voor de balladeer Cave in bijvoorbeeld “Moonland”, “Hold On To Yourself” en het lekker voortkabbelende “Jesus Of The Moon”. Experimenteren met geluiden doet Cave in “Night Of The Lotus Eaters”, in “We Call Upon The Author” en in “Midnight Man”. Ik hou vooral van de laatste song op de plaat “More News From Nowhere” dat drijft op een intrigerende beat en het pathetische zangwerk van Mr. Cave himself. Gedurende acht minuten zwelt deze song mysterieus aan tot een all time classic in zijn repertoire. Het wordt trouwens de tweede single uit dit album en zal in mei officieel verschijnen. Slechte platen heeft Nick Cave nog nooit gemaakt en “Dig!!! Lazarus Dig!!!” kan onverwijld worden bijgezet in de kluis met zijn volledige platencollectie die best met veel eerbied gekoesterd kan worden want binnen enkele decennia als relikwie ontzettend veel waard.
(valsam)

Nick Cave & The Bad Seeds Live
Vorst Nationaal, Brussel
donderdag 01 Mei '08 - 20:00



 

 

ROY BUCHANAN
LIVE FROM AUSTIN, TX (DVD)
New West Records - Sonic Rendezvous
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3 VIDEO 4

 

 

Live from Austin TX is een reeks die al een jaar of 8, 9 bestaat en opnamen van het stadsarchief op CD en DVD uitbrengt. Deze serie wordt dus steeds uitgebreider met een rijke variatie aan artiesten die veelal in de Americana hoek vallen. Pas geverfd: Albert Collins met een concert uit 1991, Clarence Gatemouth Brown met een concert uit 1996 en Roy Buchanan met ééntje uit 1976. Artiesten die deze keer wel echt tot de blues gerekend worden. We stellen ze nu uitgebreid voor, en als eerste deze laatst vernoemde, Roy Buchanan, aka "The Messiah on Guitar".
Roy Buchanan wordt al jarenlang beschouwd als de beste, maar meest genegeerde blues/rock-gitarist, wiens lyrische stijl en het gebruik van harmonien latere gitaristen als Jeff Beck, zijn pupil Robbie Robertson en ook Billy Gibbons van ZZ Top sterk zou gaan beinvloeden. Roy werd geboren in Ozark, Arkansas, op 23 september 1939, maar hij groeide op in Pixley, Californie. Zijn vader was zowel boer als dominee in de Pentecostal kerk. Aangezien in deze kerk geen rassenscheiding bestond werd de jonge Buchanan daar al in aanraking gebracht met gospel. Maar vooral door de rhythm & blues die hij op de radio hoorde raakte hij volledig in de ban van de blues. Hij begon al op 7-jarige leeftijd gitaar te spelen, waarbij hij begon op steel guitar en als 13-jarige wisselde naar de elektrische gitaar. Zijn instrument werd de Fender Telecaster. Toen hij 15 was besloot hij zich volledig op de muziek te concentreren. Hij verhuisde naar Los Angeles waar toen al een levendige blues en r&b-scene heerste. Kort nadat hij in Los Angeles arriveerde werd de jonge Roy onder de hoede genomen van Johnny Otis, waar hij de blues leerde spelen mensen als Jimmy Nolen (later bij James Brown), Pete Lewis en Johnny 'Guitar' Watson. Vanaf het midden van de vijftiger jaren leidt Roy zijn eigen rockband, the Heartbeats, die al snel de begeleidingsband wordt van de rockabilly-artiest Dale Hawkins, bekend van "Suzy Q". In het begin van de zestiger jaren verhuist Buchanan nog een keer, nu naar Canada, waar hij speelde met Ronnie Hawkins. De bassist van Ronnie Hawkins' band The Hawks leert van Roy Buchanan de fine kneepjes van het gitaarspel. Nadat Buchanan de band verlaat neemt deze de rol van sologitarist of en hij - bekend als Robbie Roberston - wordt de leider van een van de meest gewaardeerde bands: The Band. Buchanan werkt in de zestiger jaren verder als begeleider van diverse artiesten en als sessiegitarist voor mensen als Freddie Cannon, Merle Kilgore, Bobby Gregg en vele anderen, voordat hij zich vestigt in Washington D.C. en daar zijn eigen band vormt. Ondanks het feit dat hij onder zijn eigen naam nog geen enkele opnames heeft gemaakt begint zijn reputatie onder collegamuzikanten als John Lennon, Eric Clapton en Merle Haggard steeds groter te worden. Hij schijnt zelfs een aanbod gekregen te hebben om zich aan te sluiten bij the Rolling Stones toen deze een vervanger zochten voor Brian Jones. Dit aanbod werd door hem afgeslagen. Al deze aandacht resulteerde uiteindelijk in 1971 in een televisiedocumentaire van een uur over Buchanan, welke de toepasselijk "The Best Unknown Guitarist In The World" kreeg. Dit leidde uiteindelijk in een platencontract met Polydor. In de rest van de zeventiger jaren bracht hij meerdere solo-albums uit, waaronder zijn debuut "Roy Buchanan", "That's What I'm Here For" en "Live Stock", voordat hij wisselde naar Atlantic waar nog een aantal albums volgden. In de tachtiger jaren raakte hij gedesillusioneerd in de muziekindustrie vooral omdat deze hem meer in de mainstream richting wilde duwen. Hij nam dan ook van 1981 tot 1985 even een pauze. Gelukkig wist het blueslabel Alligator uit Chicago hem te overtuigen weer een album op te nemen. Hij bracht bij hen in de komende jaren de albums "When A Guitar Plays The Blues", "Dancing On The Edge" en "Hot Wires" uit. Zijn come-back bracht hem ook naar Europa. Helaas sloeg op het hoogtepunt van zijn carriere het noodlot toe. Op 14 augustus 1988 werd hij door de politie in Fairfax, Virginia gearresteerd voor openbare dronkenschap en werd hij voor een nacht opgesloten. Een politieman ontdekte bij een nachtelijk routinecontrole dat Roy Buchanan zichzelf in zijn cel had opgehangen. Hiermee kwam helaas een einde aan het leven van een van de beste - zo niet, de beste - gitarist aller tijden. Luister maar eens naar de video's, de nummers "Roy's Bluz", "Sweet Dreams", "Hey Joe" en "The Messiah", die ook terug te vinden zijn op de dvd: "Live From Austin TX", die deze prachtige instrumentals bevat. Tracks waarvan je zeker de fabelachtige techniek van Buchanan goed op je moet laten inwerken. Waaronder hier ook de Hendrix -cover "Hey Joe", een nummer dat live steeds beter tot hun recht komt, zoals ook de andere vier opnames. Het afsluitende "The Messiah" staat op zijn in eigen beheer uitgebrachte debuutalbum van "Roy Buchanan & The Snakestrechters". Een nummer dat zijn definitieve vorm zou krijgen op zijn debuut voor Polydor in 1972. Een werkelijk subliem concert van Roy Buchanan, wat deze man allemaal op gitaar kan is onnavolgbaar. Alle denkbare trucs en licks showt hij in het 32 minuten (enig minpunt) durende optreden. Jammer dat hij vroegtijdig een eind aan zijn leven heeft gemaakt, want er is te weinig van live optredens bewaard gebleven. Kortom: tijdens dit optreden, opgenomen op 15 november in 1976, hoort en ziet u de "Messiah on Guitar"!


MALCOLM HOLCOMBE
GAMBLIN’ HOUSE
Website
Myspace
booking: Joanna Serraris - Musemix
Label: Echo Mountain Records
VIDEO1 VIDEO2 VIDEO3

 

Van zodra je zijn schuurpapieren stem hoort, kan je al veronderstellen dat Malcolm Holcombe weer zal aansluiten bij de thema’s en de gevoelsgeladenheid in zijn nieuw album. Zijn vorigen en vooral ‘Not Forgotten’ boden al die vermenging van raspende songs, onderhuidse dreiging en cryptische songteksten. In zijn ‘Gamblin’House’ is dit niet anders. ‘Evelyn’ bijvoorbeeld, ademt de sfeer uit van atmosferisch onheil, schamperen en huilen tegelijk, met dichterlijke tekstassociaties. Drummer Kenny Malone klopt er nog wat hartstocht bij. Op andere vang je een glimp op van Malcolm’s eigen twijfels of bedekte kritiek. En zijn stem overgiet dit alles met klodderende zwarte verf. Malcolm, geboren in Noord Carolina, temidden van bergen en jagende wolkformaties, bewaart iets van die woestheid in zijn songs. Je kan daarbij denken aan de ‘old time’ patriarchen of countryhelden, maar ook aan gevoelszangers zoals Burl Ives of Guy Clark. De liefdessongs, met zijn vrouw Cynthia in gedachte, zoals ‘Baby Likes A Love Song’ en ‘Cynthia Margaret’ tonen de zachtere kant van de singer-songwriter.‘Goodtimes’ daarentegen vertoont sporen van een verloederde Charles Bukowski. Malcolm schreef alle songs zelf en liet zich inspireren door de stemming van het ogenblik, naargelang de dag van de week, het gezelschap of de seizoenen. Alle medemuzikanten zijn zorgvuldig gekozen. Ed Snodderly, met dobro, mandoline, fiddle of banjo is één van de hoofdspelers uit het huis, naast contrabassist David Roe Rorick en harmonicaspeler Kirk "Jelly Roll" Johnson. En op het verschroeiend mooie ‘Blue Flame’, dat flakkert boven een oase van verloren zielen, omcirkelen de cello en viola van Chris Carmichael de hopeloosheid als in eeuwige beweging. ‘Gamblin’ House’ kwam uit op het nieuwe Echo Mountain Label met als producer, Ray Kennedy, die ook albums van Steve Earl producete, wat sowieso een garantie is voor kwaliteit. Dit album leunt echter minder aan bij de blues dan zijn ‘Not Forgotten’ cd en meer bij country of Americana. De passie bleef echter behouden, naast de verscheurdheid van de singer-songwriter tussen zijn twee polen. In de schaduw blijven waar het fris en groen is of naar de stad trekken ‘with freedom in his fingers’. Ook het politiek statement bleef niet uit, want hij draagt dit album op aan alle slachtoffers van incompetent leiderschap. De ingesloten poster van de hand van illustrator Siobhan Maher Kennedy doet bovendien de vraag rijzen welke dubbele bodems in de tekening verborgen zitten. Dieren aan een leiband of een hond wiens keel wordt toegeknepen boven zijn bak hondenvoer lijken me behoorlijk suggestief.
Marcie


MALCOLM HOLCOMBE LIVE

Friday 18 April- Brussels, Belgium- Toogenblik,
Saturday 19 April- Utrecht, Netherlands- Blue Highways Festival
Sunday 20 April- Bergen op Zoom, Netherlands- BRTO Radio festival
Saturday 3 May- Groningen, Netherlands- Rhythm & BluesNight, Oosterpoort




KEVIN MEISEL & THE RAGGED GLORIES
CRUISING FOR PARADISE
Label: Brambus CDBaby

 

Kevin Meisel, singer-songwriter uit Michigan brengt een tweede album uit op Brambus dat enigszins afwijkt van zijn vorige ‘Country Lines’. Het idee voor het uitbrengen van dit album groeide tijdens het toeren in Zwitserland met zijn muziekmaat, gitarist Alex Anest. In die periode luisterden zij graag naar The Beatles en omdat beiden ook fans waren van Bob Dylan en Neil Young besloten zij materiaal dat zij al in hun Live repertorium inlasten, ook op een cd te zetten. Het resultaat van hun repetities in hotels en tijdens rustpauzes is een vermenging van americana, pop en folkballades met telkens visuele songteksten. Kevin Meisel was ooit kunstschilder, wat je kan opmaken uit de impressionistische beelden die hij in zijn songs verweeft. Een jongen die zich vastklampt aan een stromijt terwijl zijn liefje walst in de wind zou een Monet kunnen uitbeelden. En een feniks die zich naar eenzame hoogte verheft, waar de duivel zijn vleugels niet kan kortwieken, is al even picturaal. Kevin krijgt assistentie van ‘The Ragged Glories’, door hem als zijn ‘dream touring band’ beschouwd. Zij zorgen voor de gloed en de reliëfkleuren op het schilderdoek. Alex Anest, tevens producer, en Sam Vail wakkeren de countrysfeer wat aan. Keith Meisel en Jim Latini nemen de ritmesectie op zich. Vooral deze laatste laat de teugels van zijn temperament via zijn drumsticks vieren. Na zijn debuut in 1998 brengt Kevin tien jaar later afwisselende songs bijeen, waarin de verhaallijnen de spanning verraden over het al dan niet achterlaten van het liefje. Of hij nu in Denver zit, in Illinois of Californië of op de Tijuana Line, het liefdes- en afscheidsthema blijft de rode draad in zijn songs, zowel in ‘Last Goodbye’ als in ‘Neon Valentine’. Op het ingetogen delicaat walsend ‘Misguided Love’ speelt Kevin Meisel piano wat het solitaire nog accentueert en door de vrouwelijke zang van Naomi Anest op ‘Vagabond Dreams’ verdwaalt deze song in een gevoelsbedding van hunkering. Steeds gebruikt Kevin daarbij een suggestieve taal, gevoelens in enkele woorden gebald, wat een dichterlijk effect geeft. Naast akoestische gitaar speelt hij een enkele keer harmonica om het Mexicaans sfeertje van de Tijuana Line wat op te drijven. In andere songs gaat het er wilder aan toe, alsof het madeliefje ‘ik hou van haar, ik hou niet van haar’ in haasttempo wordt geplukt. Maar meestal is er de verscheurdheid tussen weggaan en blijven. In het laatste narratieve ‘Cruising For Paradise’ benadert de singer-songwriter de verbeeldingskracht van een Bruce Springsteen die ook met enkele pennenstreken ontheemden kan laten figureren op het ritme van mooie melodieën. Kevin Meisel sluit aan in het rijtje van een Lyle Lovett en Slaid Cleaves, met hun avontuurlijke zwerverssongs en naast goede gitaristen ook geïnspireerde verhalenvertellers. En om een liedje als ‘Rustbelt Girl’ te bedenken moet je over het talent van een John Steinbeck beschikken.
Marcie


TOM PRINCIPATO
RAISING THE ROOF
Website Myspace
Label: Powerhouse Records/ Dixiefrog
Distr.: Parsifal (B) / Bertus (NL)
VIDEO 1 VIDEO 2

 

Een van de leukste interviews die we bij Rootstime ooit deden was het interview dat mijn collega Blueswalker met Tom Principato had tijdens het festival in Bierbeek in 2007. Tom bleek een zeer minzaam en humorvol man te zijn die er die avond duidelijk zin in had en na het interview nog wat wou doorpraten met ons en onze opinie wou horen over een aantal nieuwe, pas geschreven songs die hij op zijn nieuwe cd zou plaatsen. Hij greep zijn akoestische gitaar en speelde voor ons een drietal songs in avant-avant premiere. Nu, een dik jaar later horen we die songs inderdaad terug op zijn nieuwe "Raising The Roof". Ze hebben het dus gehaald. Zoals we het van Dixiefrog gewoon zijn, is kwaliteit weer troef. Toen ik zijn debuut "Smokin" kocht, toen nog op vinyl, het was het jaar 86 en ik kon moeilijk afscheid nemen van de oude vertrouwde 33 toeren, is dat gedurende dat jaar niet voor niks mijn meestgedraaide LP geweest. Nu,15 releases en 22 Whammy awards later is hij nog steeds een van onze favoriete gitaristen. We hoorden de man voor het eerst aan het werk in Powerhouse nu reeds 38 jaar geleden, daarna in Geoff Muldaur's band waarmee hij de LP "I Ain't Drunk" opnam in 1980. Andere zijsprongen waren "Partners In Crime" met Jimmy Thackery en Blazing Telecasters met Danny Gatton, releases die reeds jaren onze platenkast sieren en nog regelmatig een draaibeurt krijgen. Een van de songs op "Smokin", zijn solodebuut, was "Fish Fry", een New Orleans song die we hier herwerkt terug vinden, heel wat langzamer, maar zeker niet minder mooi. Een paar andere nummers die in het oog springen zijn het prachtige "Too Damn Funky", zoals de titel al aangeeft een funky instrumental, met ook hier Nawlins elementen waar de Meters om de hoek komen kijken. J.J Cale's "Lies", dat ook voorzien is van prima gitaarwerk zoals we het natuurlijk gewoon zijn van Tom. Vier sterke instrumentals op deze CD. Naast "Too Damn Funky" is er nog "Bo Bo's Groove" met zijn lichte Santana invloeden en "Mi Solea" waar die invloeden nog meer naar boven komen. Wat onverwacht, die "Latin" aandoende instrumentals, maar wel voor mij de hoogtepunten van de CD, vooral het laatste, dat met zijn dromerige sfeer voor een mooi rustpunt zorgt. De laatste instrumental is "8 Counts For Rita" een nummer met een wat Booker -T , Stax sfeertje over zich, vooral door de verdienstelijke Tommy Lepson op Hammond. De live opname waarmee de CD afsluit, "They Called For Stormy Monday, But Mustang Sally Is Just As Bad" is een humoristische song over de gekke aanvragen die een artiest soms kan krijgen, oogst live veel bijval. This man surely is "Raisin' The Roof".
(RON)


TOM PRINCIPATO LIVE
Apr 26 2008
Het Bolwerk, Sneek NL
Apr 27 2008
Cafe’ De Kamer, Oss NL
Apr 28 2008
Banana Peel, Ruiselede B
Apr 29 2008
Nekkersdal , Brussel B
Apr 30 2008
Maison du Peuple, Chatelet, B
May 4 2008
Cafe’ Wihelmina, Eindhoven NL



FRED EAGLESMITH
TINDERBOX
Website
Label & Distr.: Sonic Rendezvous
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3 VIDEO 4

 

 

We hebben het over de Canadese singer/songwriter Fred Eaglesmith die een ijzersterke gospel/rootsplaat tevoorschijn tovert op Sonic Rendezvous, al maakt hij al ruim twintig jaar albums, deze zijn allemaal aan te raden maar dat terzijde. Op zijn vorige solo-albums "Milly's Cafe" (2006) en "Dusty" (2004), vaarde Eaglesmith een andere koers, nadat hij en de gelegenheidsformatie The Flathead Noodlers op "Balin" (2003), traditionele bluegrass ten gehore brachten. Sinds deze cd's is een groeiende schare Americana-liefhebbers de muziek van Fred Eaglesmith gaan koesteren en wordt reikhalzend uitgekeken naar nieuwe platen van zijn hand. De meer grauwe cd's "Milly's Cafe" en "Dusty" staken wel degelijk heel anders en veel ingetogener in elkaar. Anders dan de bluegrass van "Balin" en veel anders dan de poprock van bijvoorbeeld "Falling Stars and Broken Hearts" uit 2002. Het nieuwe album "Tinderbox" bevat louter 18 luisterliedjes, die door hemzelf en Scott Merritt geproduceerd zijn, hetgeen Eaglesmith zeer goed afgaat, en ons misschien een paar luisterbeurten kost om dat in te zien. Ruw maar toch uiterst toegankelijk, om de inhoud van de cd even te typeren. Eaglesmith laaft zich aan liedjes die een ode vormen aan die sympathieke vaste begeleider Willy P. Bennett die op 15 februari van dit jaar kwam te overlijden. En deze liedjes worden door Eaglesmith tot een coherent muziekwerk gesmeed, met akoestische instrumenten rond zijn aangenaam, wat beklijvende stem. Gospel is de bron, maar net zo goed is dat folk, blues en county en zo smelt, mede dankzij de kundige begeleidingsband, alles vanzelf samen. Alles klopt aan deze songs op deze gospelplaat, van "Dirt Road Gospel" druipende tracks als "Fancy God", "Sweet Corn", "Shoulder to the Plow" en "Get on Your Knees", songs waarin hij een wereld creëert van gelovigen. Geloof als boetedoening, maar evenzeer geloof om de duivel op afstand te houden. Eaglesmith opent nieuwe wegen en zet aan het denken, zoals in de titeltrack waarin hij zingt "The church is like a tinderbox", al is religie geen nieuw onderwerp voor onze ambachtelijke songschrijver. Ruw, passioneel, gevoelig, puur en vervat in een overwegend primitieve productie met af en toe een zwieriger moment. Dit is een pot gospelblues zoals ik hem het liefst heb en koerst daarmee wat in de richting van Tom Waits. "Tinderbox" is er dan ook ééntje waarmee iedereen zich wel mee kan identificeren, een plaat die muzikaal niet veel verschilt met zijn eerdere werk, en dat is waarom Eaglesmith nu ook al zeventien albums lang blijft boeien. Eaglesmith is een authentieke muzikant wiens songs uit duizenden herkenbaar zijn. Alle lof dus voor Eaglesmith’s songschrijven, want deze ijzersterke gospel/rootssongs die hij op "Tinderbox" serveert behoren in dit genre, 'alt-gospel-alt-country', zondermeer tot het beste wat we dit jaar te horen kregen. Hopelijk krijgen meer mensen dat door dit jaar.



SHAWN MULLINS
HONEYDEW
Website Myspace
Label: Vanguard Records
Distr.: Munich Records
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3

 

 

Met "Honeydew" leverde de inmiddels in Lake Claire, Georgia residerende Shawn Mullins recent zijn nieuwste cd af. Liefhebbers van singer-songwriters als de jonge Steve Earle of songs in de traditie van The Jayhawks of Neil Young & Crazy Horse opgelet. Shawn Mullins behoort tot de Americana singer/songwriters en manifesteert zich met "Honeydew" voor het Vanguard label als een groot talent. De blonde ex-landmacht luitenant brak in 1999 door met "Lullaby", dat een vreemde mix van praten door de klanken van een electropop-achtergrond heen was, afkomstig van het album "Soul's Core". Deze plaat liet niet alleen een singer-songwriter horen met een duidelijk eigen, behoorlijk oorspronkelijke stijl, maar ook één die tekstuele en muzikale diepgang niet in de weg laat staan van aansprekende liedjes. Met de opvolger "Beneath The Velvet Sun", klinken de songs nog net zo heerlijk loom, maar ditmaal meer country. In 2003 dook hij samen met collega’s Matthew Sweet en Pete Droge op in The Thorns, de supergroep zonder supersterren, die met redelijk succes het klassieke geluid van Crosby Stills Nash & Young poogden te doen herleven. Maar hij bleef soloalbums uitbrengen en zo verscheen in 2006, zijn zesde album, "9th Ward Pickin' Parlor", zowaar het beste album uit zijn carrière af. De praatfolk van zijn doorbraakalbum "Soul’s Core" was daarop uitgegroeid tot een veel voller geluid dat een beetje in het verlengde lag van zijn werk met The Thorns. Zijn nieuwe album, "Honeydew", is misschien nog wel beter. Op de door Mullins geproduceerde plaat horen we veel aangename rootsrocksongs die stuk voor stuk de ontroerendste verhalen vertellen over o.a. Amerika, daklozen, familieleden en treinen. Mullins beschikt over een prettige stem en heeft een stel prima muzikanten om zich heen verzameld die de juiste muzikale accenten weten te leggen. Zijn medium-tempo songs en ballads zijn ingetogen geïnstrumenteerd: gebaseerd op zijn akoestische- en arch-top gitaar, en mondharmonicaspel, ondersteund door effectief swingende drums worden de accenten meestal gelegd door lap steel, mandolin en piano. En het lijkt er alsmaar meer op, dat Mullins binnen afzienbare tijd in de bovenste la van het singer-songwritersgild zal gaan belanden. Mullins beschikt niet enkel over een mooie rustgevende stem, maar is daarbuiten ook een onderscheiden dichter, die in zijn nummers met zijn onnadrukkelijke woorden een continue sfeer van hoop oproept. Hij is daarbij waarnemer, geen deelnemer. Een aantal keren haalt hij instrumentaal wat feller uit, dan onderstreept dat muzikale venijn zijn beschouwende teksten en geeft ze net het reliëf dat in sommige andere songs ontbreekt. Zijn verteltrant lijkt gemakkelijk, maar dat is juist de kunst. Gastbijdragen zijn er muzikaal van gitarist Peter Stroud (Sheryl Crow), en vocaal van soul legende Francine Reed (Lyle Lovett) op een paar tracks naast de ondergewaardeerde Kasey Chambers die de achtergrond backing verleent in de song "Cabbagetown". Andere hoogtepunten zijn het radiovriendelijke "All In My Head", het ingetogen "Home" en het bluesy "Homeless Joe". Voeg daarbij de op en top Americana songs, "The Ballad Of Kathryn Johnston" dat met zijn snerpende gitaren een Crazy Horse sfeertje oproept en de anti-oorlog song "For America". Zwakke songs zijn overigens sowieso niet te bekennen, waardoor we kunnen besluiten dat Mullins met het verstrijken van de jaren alleen maar beter lijkt te worden. "Honeydew" is al bij al een album dat bijzonder aangenaam wegluistert en waarmee Shawn Mullins eindelijk de welverdiende doorbraak kan bewerkstelligen.



 

ROBBEN FORD
OHNE FILTER LIVE REVISITED (DVD)
Website
Label: In-akustik
Distr.: Coast to Coast
VIDEO1 VIDEO2

 

Fusion bluesgitarist Robben Ford deed in september 1997 een optreden voor het uitstekende live programma Ohne Filter in de studios van de Sudwestfunk in Baden Baden. Speelt hij blues of fusion? Is het meer funk of rock... laat maar, zulke hokjes daar past Robben al lang niet meer in. Begonnen in de pure blues bij de Charles Ford band, via Charlie Musselwhite en Jimmy Witherspoon en daarna met zijn eigen band waar hij ook dadelijk de fusion invloeden in zijn bluesy gitaarspel verwerkte. Op het moment van de opnames had hij pas het bejubelde album “Tiger Walk” op de wereld losgelaten. Het publiek in de studio is dan ook getuige van een concert vol hoogtepunten op gitaargebied. Robben is immers een virtuoos, die niet ophoudt de bluesgitaar opnieuw te gebruiken om deze muziekvorm te verjongen. Het concert begint met een instrumental “Just Like It Is”, waar Robben zijn meesterlijke beheersing van de wah-wah pedaal kan tonen. Als begeleders heeft Robben drie leden van Alanis Morissette’s begeleidingsband geleend: Deron Johnson op Hammond B3, evenals Chris Chaney op bas, en Gary Novak op drums. In 1993 was hij al eens langs geweest in deze studios met zijn vaste band “The Blue Line”. Daarom dat dit concert, nu 4 jaar later, de titel “revisited” meekreeg. “Tiger Walk” was een volledige instrumentale cd. Vijf songs van dit concert stammen van de toen pas verschenen cd en 4 andere komen van de voorganger “Handful Of Blues”. Alle songs hebben een grote kracht, ze zijn met het grootste gemak gespeeld en alles klinkt bijzonder vloeiend, het handelsmerk van Robben Ford. De Ohne Filter reeks is zeker een lovenswaardig initiatief, prachtige live concerten zonder veel productiekosten terug afstoffen en voor de muziekliefhebbers terug beschikbaar maken: prachtig! Maar we hebben een kleine randbemerking, de vaste tijdsduur van ongeveer 1 uur. Iedereen weet dat uit de concerten van bijna twee uur een montage gemaakt werd van één uur voor de uitzending. De overgebleven fragmenten zouden voor weinig moeite nu als extra bijgevoegd kunnen worden, maar dat gebeurde niet. Zouden ze echt in de vuilbak van de regiekamer beland zijn? In elk geval, een gemiste kans, maar niet getreurd, ook zo is deze “Ohne Filter-Revisited” een uurtje genieten, zeker voor de gitaarliefhebbers zoals wij.
(RON)



 

MYROL
JOANNE & HALEY MYROL
Website Myspace Contact
Booking: Mcent Management Contact
Label: Rounder
VIDEO

 

 

Vader en zoon die samen musiceren wekt gewoonlijk sympathie op. Sympathieker is nog wanneer moeder en dochter hun stemmen verenigen. In de mythologie worden zij gewoonlijk tegenover elkaar geplaatst, maar in het echt staan Joanne en Haley hecht naast elkaar, verbonden door de muziek. Al drie jaar lang trekken zij samen op om hun liedjes te brengen in de Canadese contreien en verder tot in Texas. De eerste song ‘Mother Daughter’ staat al in het teken van hun liefdesband. Dochter Joanne kreeg als kind geen bedverhaaltjes te horen, maar wel de repetitiezang van haar moeder in de nabije kamer. Als wiegeliedje kan dat tellen, want mama Joanne heeft een krachtige stem. Haar voorkeur voor country en rootsmuziek vertaalt zich in de songs die zij zelf schreef, één enkel met de hulp van haar dochter, toevallig mijn favoriet. In ‘Paper Thin Walls’ waait een frisse wind omheen de weifelende hartjes van de meisjes die aarzelend staan tegenover het binnenlaten van de geliefde. De anderen leunen meer aan bij country of bluegrass, cowboyliedjes waarin Joanne ook laat horen dat zij kan jodelen. Wat niet zo gek is, want Joanne groeide op in Noord Alberta op een ranch in Canada. Maar ook de sfeer van Nashville en van ‘roadsongs’ trekt bij vlagen door de melodieën, temeer omdat de begeleiding met dobro, basgitaar, drums en mondharp dit versterkt. Nochtans komen moeder en dochter uit Canada waar de zon minder op het landschap drukt. Toch kan je deze songs beluisteren als zuiderse vaak dansbare songs, waarin het liefdesthema herhaaldelijk opduikt. In ‘Somewhere Inside’ haakt violist Tony Michael lyrisch in op de intimistische gevoelssfeer die in de samenzang van moeder en dochter open bloeit. Haley’s stem is meer breekbaar, wat wonderwel past bij de sterkere stem van Joanne. Joanne heeft dan ook meer podiumervaring. Zij toerde met Fred J. Eaglesmith en trad op in het voorprogramma van de Nitty Gritty Dirt Band en Ricky Skaggs, wat haar stemvastheid gaf. Zij trok ook door Europa, Australië en Nieuw Zeeland en heeft de smaak van het zingen al van jongs af te pakken. Haley volgt in het spoor van haar moeder, al is dit nog fragiel met meestal backing zang. Moeder en dochter hebben de huiselijkheid voor het rondtoeren verruild, maar de muziek is hun biotoop waarin het voor hen ook veilig toeven is. Al zijn het geen McGarrigle Sisters of geen Indigo Girls, de combinatie Mother Daughter is zowel muzikaal als familiaal aantrekkelijk.
Marcie



CLAW BOYS CLAW
PAJAMA DAY
Website Myspace
Label : Play It Again Sam Records
Distr. : PIAS

 

 

25 jaar geleden werd de groep Claw Boys Claw in het Nederlandse Amsterdam opgericht als garage-punkgroep door drummer Allard Jolles. Zanger van de groep werd Peter Te Bos en gitarist John Cameron en bassiste Bobbie Rossini completeerden de band. Gedurende vele jaren verdween de groep die een stevige live reputatie had opgebouwd uit de belangstelling en werd er niet meer opgetreden. Officieel was hun laatste live optreden in 2000. Het was al van in 1992 geleden dat de groep hun grootste succes kende met de hitsingle en ballad “Rosie” (…got it made, got it made). Die song stond enkele weken lang in de Nederlandse hitlijsten en valt heden ten dage nog regelmatig op de nationale zenders te beluisteren. Vorig jaar werd Claw Boys Claw terug nieuw leven ingeblazen door 2 originele bandleden, te weten Peter Te Bos en John Cameron. Nieuwe leden zijn drummer Marc Lamb en bassist Marcus Bruystens. Dit leidde tot een nieuwe cd “Pajama Day” die onlangs elf jaar na de laatste release “Will-O-The-Wisp” op de markt kwam. Dit is ondertussen de zevende plaat van Claw Boys Claw en bevat 13 songs waaronder een sobere maar mooie cover van de door Mama Cass Elliott (van The Mamas & Papas) tot onvergetelijkheid gezongen song “Dream A Little Dream Of Me”. De intussen reeds 57-jarige Peter Te Bos beschikt nog steeds over een uiterst herkenbare bariton-stemgeluid en laat die stem volledig tot uiting komen in songs als “Halibut” en “Sleepwalking”. In “Toscamoon” zingt hij een ode aan zijn overleden moeder en in “Julie’s Name” wordt gezongen op een drijvende drumbeat met scherp gitaarwerk van John Cameron. Soms doet deze band me denken aan Tindersticks, allicht omwille van die baritonstem maar ook muzikaal sluit de instrumentatie erg nauw aan bij die van de band van Stuart Staples. Een andere vergelijkbare stem is die van Robert Fisher van Willard Grant Conspiracy. Je kan qua vergelijkingen slechter af zijn. Heel mooi is ook “Rock Me Girl”, een liefdesliedje vol emoties en melancholie en net als “Seven Fools” een breekbaar en teder liedje. Te Bos is een uitstekende zanger en dat kan je nog een keer heel goed beluisteren in “Flower”, een song die recht naar het hart mikt en daar bijzonder hartelijk ontvangen wordt. Dit is een hit, jongens, dus maar snel op single uitbrengen. En anders verkopen aan Tindersticks want die zouden daar een heel eind mee kunnen komen. “Trust Me” is het laatste hoogtepunt van deze plaat die toch verrast en in principe helemaal niets meer te maken heeft met de garagerock waarmee Claw Boys Claw 25 jaar geleden furore maakte. Ik hoor ze veel liever zoals ze op “Pajama Days” tewerk gaan. Peter Te Bos gaf aan dat ze een zestigtal songs hadden klaarliggen voor deze plaat. Ik stel voor dat ze nog eens grasduinen in die stapel en snel voor een opvolger van deze mooie plaat zorgen.
(valsam)