ARCHIEF

OKTOBER 2007 - NOVEMBER 2007 - DECEMBER 2007


LITTLE BIRDIE - CINEMATIC WAY

RONNIE EARL AND THE BROADCASTERS - HOPE RADIO

THE FORD BLUES BAND - ANOTHER FINE DAY - THE BUTTERFIELD/BLOOMFIELD CONCERT

ROB TOGNONI - CAPITAL WAH

THE PETER GRAN BAND - THE PETER GRAN BAND

SEAN O’BRIEN - SEED OF MAYHEM

MARIEE SIOUX - FACES IN THE ROCKS

RICHARD STOOKSBURY - SOUTH

BUDDWA MAMBO'S - WORK SONGS

DREW DANBURRY - MOTHER


 

 

LITTLE BIRDIE
CINEMATIC WAY
Website - Myspace
Mail : littlebirdieband@gmail.com
Label : eigen beheer
CD-Baby

 

Dit kleine vogeltje zingt zoals het gebekt is in Montreal, Canada. Little Birdie is de groepsnaam voor het duo Orit Shimoni en André Kirchhoff, die we ook kennen van zijn recente bijdrage aan het album “Traveling Salesman, Killer On The Run” van de formatie “The Jimmyriggers”. Orit Shimoni is een knappe jongedame met een uiterst krachtige soulstem die ook alle 11 songs op hun debuutalbum “Cinematic Way” heeft geschreven. Voor de originele muzikale bijdragen zorgt dan weer André Kirchhoff en samen zingen ze als nachtegalen. De productie van dit album hebben ze in deskundige handen gegeven van oude rot in het vak Mark Goodwin, die ook stichtend lid is van de Canadese groep Li’l Buck. Hij bracht de ritmesectie van die groep - bestaande uit Robert Harris, Stuart Patterson en Ron Stutz - mee naar de studio om de instrumentale bijdragen voor “Cinematic Way” deskundig te verzorgen. Het is een uitnodigend en intiem album geworden met stuk voor stuk mooie en moderne popsongs. Meteen verliefd werd ik op de ronduit fantastische stem van Orit Shimoni, een dame met bakken persoonlijkheid en een stem die gelijkenissen vertoont met die van Jenny Lewis - de frontvrouw van Rilo Kiley - soms ook wel Margo Timmins van Cowboy Junkies en zelfs Neko Case. De eerste song op “Cinematic Way” is al meteen een schot in de roos: “Everyday I Fasten My Shackles” laat je meteen zweven op een hoge witte wolk waar je nadien liefst nooit meer vanaf zou willen komen. Geen probleem, blijf maar zitten om verder te genieten van “Tie Me Down”, “Westward I Went”, de titeltrack “Cinematic Way”, countryrocker “These Days” en “Foolish Thing”. Vooral in dit nummer en in “It’s OK” betovert en boeit Orit Shimoni met haast bovennatuurlijk en uiterst emotioneel zangwerk. “Consider This” en “Oh, Abraham” zijn nog twee andere songs van deze cd die je bij het nekvel grijpen om nooit meer los te laten. Het geluid van Little Birdie op dit album positioneert zich voornamelijk in de omgeving van folk, rock, blues en bluegrass maar kan desondanks toch nog een bepaalde vorm van originaliteit en authenticiteit toegedicht worden. Dit soort cd’s word ik nooit beu en mogen de ganse dag door de speakers blijven weerklinken. Een warm en hartverwarmend geluid waar je oneindig kan van blijven genieten. Een rechtschapen mens wordt er muisstil van en geniet.
(valsam)


 

 

 

RONNIE EARL AND THE BROADCASTERS
HOPE RADIO
Website
Label : Stony Plain Records
Distr.: Munich Records

 

 

Ik herinner me, bijna vijfentwintig jaar geleden, een vetkuif helemaal links in het bandje met de veelzeggende naam Roomful of Blues. Een peuk rechts onder in de mondhoek, maar intussen achteloos de meest hemelse muziek uit zijn gitaar halen. En zo ontspannen maar prachtig speelt Ronnie Earl nog steeds. Earl wordt ondertussen beschouwd als één van de belangrijkste bluesartiesten van zijn generatie. Hij begon pas met spelen op relatief late leeftijd, tijdens zijn studententijd. Na het bezoeken van een bluesconcert met een medestudent was Ronnie verloren. Hij kocht een gitaar en wist al na enkele jaren zelfstudie een hoog niveau te bereiken. Waar veel bluesgitaristen de grens met rock opzoeken laat Earl zich hoorbaar beïnvloeden door jazz. Hij is ondertussen één van de beste bluesgitaristen getuige zijn twee W.C. Handy awards (het Blues Foundation's equivalent van de Grammy's) voor "Guitarist of the Year". Dit is een feit. Met zijn nieuwe album "Hope Radio", de opvolger van "Now My Soul" (2004) en "I Feel Like Goin' On" (2003) realiseer ik me dat hij werkelijk behoord tot de top van alle bluesgitaristen. Na vele instrumentale albums is "Hope Radio" wederom een instrumentale cd en nu reeds het vierde voor Stony Plain Records, waarop de bezetting nog steeds bestaat uit de vertrouwde ritmetandem, gekend als The Broadcasters: Dave Limina (piano, Hammond B3), Jim Mouradian (bas) en Lorne Entress (drums). De 'special guest' is niet minder dan de basveteraan Michael 'Mudcat' Ward (ook piano). "Hope Radio" ligt in het verlengde van "I Feel Like Goin' On" uit 2003, maar Ronnie levert met deze nieuwe, een uitstekende cd, eigenlijk de cd die je al zolang van hem wilde horen. Zijn gitaarspel is nooit zo scherp geweest en geconcentreerd. Naast zijn bekende invloeden: Muddy Waters, Big Joe Turner, Otis Rush ... brengt de sound op deze plaat me meer en meer bij Stevie Ray Vaughan, en dit niet alleen in zijn sound maar ook in zijn soul. The Broadcasters zijn daarbij ook best te vergelijken met Double Trouble al klinkt zijn band toch meer swingend. Deze SRV invloeden komen best tot uiting in de songs "Blues For The West Side" en "I Am With You". Live opgenomen en gefilmd in april van dit jaar in de Wellspring Sound in Acton, Massachusetts, vinden we hier de stijlen die we van hem gewoon zijn : bluesy, subtiel, heftig, flitsend zoals alleen hij het kan. Deze vele stijlen op "Hope Radio" maken deze cd bijzonder spannend. Zo begint de cd met het Santana getinte "Eddie's Gospel Groove", overgaand in "Bobby's Bop", waarin Limina's Hammond B3- werk doet denken aan Jimmy McGriff. In het solo akoestische "Katrina Blues" is het vooral de emotie die in dit nummer naar boven komt, maar u heeft het wel begrepen, we zijn vijf nummers ver, nummers waarbij Ronnie Earl aantoont dat hij heel sprankelend de blues speelt, noot voor noot zijn te onderscheiden, en tegelijk swingt hij als een beest. Luister ook even verder naar "Blues for the Homeless" wanneer de lichten even dimmen en "Wolf Dance" en "Blues for Otis Rush" wanneer ze terug schitteren. Ronnie Earl beschikt over een geweldige techniek, en bovendien speelt hij met heel veel gevoel, met als specifieke charme dat hij nooit vervalt in grof en dreunend beuken op de gitaar. Fans weten genoeg en liefhebbers van het betere gitaarspel hebben we nu nieuwsgierig genoeg gemaakt.

Tracks:
1. Eddie's Gospel Groove (5:07)
2. Bobby's Bop (5:55)
3. Blues For The West Side (8:48)
4. I Am With You (8:15)
5. Katrina Blues (3:35)
6. Wolf Dance (8:07)
7. Kay My Dear (6:39)
8. Blues For The Homeless (8:32)
9. Beautiful Child (8:45)
10. Blues For Otis Rush (9:52)
11. New Gospel Tune (4:40)


 

THE FORD BLUES BAND
ANOTHER FINE DAY - THE BUTTERFIELD/BLOOMFIELD CONCERT
Info: Feelin' Good Productions
Label: Blue Rock'It Records

 

 

The Ford Blues band bestaat uit Patrick Ford (producer, drums en vocals), Andy Just (harmonica en vocals), Volker Strifler (gitaar en vocals) en Dewayne Pate (bas en vocals), en na de succesvolle cd's: "Tribute to Paul Butterfield" en "In Memory of Michael Bloomfield" zijn ze er met eigen werk op het album "Another Fine Day" dat in 2003 verscheen. Misschien iets meer R&B gericht maar blues blijft toch de drijvende achtergrond op deze plaat. En wat de sfeer betreft zijn de Fords & Co er in geslaagd de "blanke bluesjam à la zeventies" neer te zetten, maar dan met een modern kantje. Hetgeen we ook dadelijk kunnen zeggen van hun opvolger "The Butterfield/Bloomfield Concert" (2006). Voor dit album werd de band aangevuld met de wel voor niemand onbekende Chris Cain en Robben Ford, Patrick's broer. Partrick schrijft in de liner notes: Paul Butterfield en Michael Bloomfield deden voor de blues wat de Beatles deden voor de rock". Deze adoratie hoor je wel vaker van Amerikaanse bluesartiesten al lijkt me dit toch wat lichtelijk overdreven. Op deze live opnames is de bluesharp maar sporadisch aanwezig, maar de tracks waar hij hoorbaar is, daarin speelt Andy Just alshetware de pannen van het dak. De hoofdrol op deze plaat is dan wel voor de gitaar, waarbij Robben Ford, Chris Cain en Volker Strifler naast elkaar schitteren. Soms richting Santana, dan weer Bloomfield-stijl met wahwah-pedaal, of gewone Albert King. Maar ook de ritmesectie, met drummer Patrick Ford staat als een huis. Met de toevoeging van de blazers, Tom Poole (trompet) en Michael Pelequin (sax) hier en daar, kunnen we wel degelijk spreken van een feestplaat. Als je weet dat er gastbijdragen zijn van Chris Cain en Robben Ford, dan heeft een goed verstaander nog maar een half woord nodig. Robben Ford heeft zijn blues nu eenmaal liever niet dampend, scherpgerand of vet maar ragfijn, wat niet wil zeggen dat ze hier nooit spetteren. Lang leve de Fordblues!


 

ROB TOGNONI
CAPITAL WAH
Website
E-mail:press@robtognoni.com
Label: Music Avenue
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3

 

Deze cd is natuurlijk al een tijdje uit als independant release, maar het Brusselse Blues Boulevard, een subdivisie van Music Avenue, heeft de plaat opgepikt en zal ze half februari wereldwijd uitbrengen. Deze Rob Tognoni voorstellen aan de bluesrock liefhebbers is niet nodig, want zij hebben hem al lang in hun hart gesloten. Geen verwondering, want hij timmert al 30 jaar aan de weg. Die andere Australische gitaarslinger Dave Hole ontdekte hem en zette hem op de weg naar de roem. Zijn explosieve gitaarstijl en het veelvudig gebruik van de wah-wah pedaal geven hem een eigen stijltje. De titel "Capital Wah" is dus niet zomaar gekozen. Toch kan Rob ook erg subtiel uit de hoek komen en we hebben met deze re-release het voordeel dat we daar extra van kunnen genieten. Er staan namelijk 2 bonussongs op deze cd, live opnames en laat dat nu net de rustige, subtielere bluesnummers zijn, een mooie afsluiter na het toch wel overwegende rockgeweld van de studio-opnamen. Maar daarvoor staat Rob nu eenmaal bekend en denk daardoor nu niet dat het er bij live optredens veel rustiger aan toe gaat .Verre van. Het aantal toeschouwer dat tijdens zijn soleerwerk bij live optredens met openstaande mond en opgetrokken wenkbrauwen staat toe te kijken is groot, want de vingervlugge gitaarsolo's die hij met een verbluffend gemak speelt zijn het handelsmerk van deze bluesrocker. Luister maar naar "The Good Die Young" of vooral naar "Reboot". "Let Your Love Fly"heeft een hoog Status Quo gehalte wat het ritme betreft. Een nummer springt er echter uit, namelijk Dylan's "Like A Rollin' Stone". Het begint akoestisch en bouwt langzaam op, zonder echter te hervallen in ellenlang gesoleer, iets waar dit soort cd's nogal eens aan tenonder gaat, dit dus niet, het blijft een knap rootsrock nummer. Ook de laatste studio song "Stupify Me" heeft iets wat zich van de normale doordeweekse bluesrock onderscheid, de repetatieve riff hamert zich met zachte drang een weg in je hersenpan. De live afsluiters zoals ik al zei zijn nummers naar mijn hart, vooral "Product Of A Southern Land" is in feite een stevig klinkende Americana song en voor mij de song die de aankoop al waard is. De obligate Hendrix cover die er bij de meeste bluesrock cd's bijna verplicht bijhoort is hier "Red House" en het moet gezegd, het is een mooie versie. Besluit: voor de bluesrockliefhebbers onder de lezers, en al degenen die van wat stevig gitaargeweld houden verplichte luisterkost natuurlijk.
(RON)


 

THE PETER GRAN BAND
Label: Dusty records
Email: info@dustyrecords.se

 

 

Rootsmuziek uit Zweden daar kijken we onderhand niet meer van op. Het legertje bands en singersongwriters aldaar neemt snel toe. Maar telkens onze vrienden van het Zweedse Dusty Records ons een nieuw product toesturen dan weet u onderhand dat wij een oortje meer openzetten. Dat heeft alles te maken met het feit dat labelbaas Jan Andersson als geen ander kan horen wat een band te bieden heeft. Deze keer pakt hij uit met The Peter Gran Band, een band uit de buurt van Gothenburg, die aldaar voornamelijk in plaatselijke clubs speelt en die nu debuteert met een titelloze plaat. Peter Gran, speelde gitaar en banjo in Pilgrim, een band die debuteerde in 2005 met een cd die door Rootstime goed werd ontvangen. Nu heeft Peter Gran rondom zichzelf een indrukwekkende band geformeerd, The Peter Gran Band. Peter Gran is natuurlijk de spil van de band en die heeft Krister Andersson (gitaar), Christian Kullberg (bas), Jan Linder (drums), Josefin Hanson en Christina Carlsson (backing vocals), voornamelijk muzikanten uit Pilgrim en Dusty Brown om zich heen verzameld. Samen zorgen ze voor een speelse en prettig in het gehoor liggende altcountrysound met invloeden uit folk, bluegrass, maar voornamelijk rock. Als gevolg daarvan klinkt er op deze gelijknamige cd een volwaardige band met een heel stevig geluid, dat soms gemodelleerd is naar good old Crazy Horse. De elektrische gitaar staat op deze uitstekende rockende cd dan ook op een metershoog voetstuk, hetgeen we bevestigd krijgen in songs als: "Solid Ground", "4 Year Blues" en "Thoughtfulness Is Not My Job". De gitaar - zowel elektrisch als akoestisch - is dus het hoofdinstrument dat aangevuld wordt met mandoline, piano, banjo, harmonica, bas, drums/percussie en veel samenzang. Maar naast deze opzwepende liedjes zorgt songsmid Peter Gran op tijd voor enkele rustige momenten als: "In Early May" en het afsluitende "Fall Is Eternity". Peter Gran verstaat de kunst om krachtige en scherpe rocksongs met een countryfeel te schrijven en laat af en toe de jaren zeventig herleven wanneer we Neil Young langs horen komen. De sound is helder, de samenzang puik en het samenspel tussen de muzikanten uitstekend, en wat een fantastische gitaarsound. De nummers zijn alle even geweldig; speciale vermelding verdient evenwel de catchy songs "Time Flew Thru My Mind" en "Precious Time", songs waarin hij daadwerkelijk teruggrijpt naar die zeventiger jaren, ten tijde van Al Stewart met zijn prachtige album "Year of the Cat". Deze debuutplaat is een uiterst opwindende cd, die wel eens voor horizonverbreding kan gaan zorgen. Ongemerkt weet Peter Gran je met een gevarieerde verzameling songs ruim drie kwartier stevig te boeien. Een singer/songwriter die zeker een breder publiek verdient, aan Rootstime zal het zeker niet liggen.


 

SEAN O’BRIEN
SEED OF MAYHEM
Website - Myspace
Mail : seanobmusic@gmail.com
Label : First Cold Press
Info: Geraint Jones - 'G Promotions' GPromo@btinternet.com

 

Deze Amerikaanse artiest was in de voorbije 25 jaar leadzanger van een tiental groepjes uit de regio van San Francisco, Californië. Sean O’Brien heeft deze “Seed Of Mayhem” al in 2006 op de markt gebracht in Amerika. Zijn eerste solo-cd was het voornamelijk akoestische “Too Personal” uit 2001. Sindsdien heeft hij een nieuwe groep gevormd onder de naam Sean O’Brien and His Dirty Hands (met Jeff Kane, Bill Davis en Matt Shelley). Begin dit jaar zullen zij hun eerste cd genaamd “Goodbye Game” uitbrengen. In afwachting daarvan zullen we deze singer-songwriter bij u introduceren met zijn ons recent toegestuurde laatste release, het tweede soloalbum “Seed Of Mayhem”. De muziek op dit album klinkt een beetje als The Flaming Groovies of Rockpile. Vrij goed gearrangeerde pop- en folkrocksongs die elkaar in sneltreintempo opvolgen. Af en toe wordt de snelheid wat teruggevoerd en kunnen we behoorlijk goed geschreven ballads beluisteren, zoals “Damned Either Way (electric)”en “Eyewear”. Er staan 14 songs op deze cd, 12 nieuwe nummers en twee remakes van liedjes die ook al op zijn eerste soloalbum terug te vinden waren. De gitaren scheuren in het eerste nummer “This Could Hurt”, in “Tranny Ignored” en in “7.5”. Daarna overheerst de zachtere countryrock in “The Good fight” en “She Wonders” en de vocaal wat mindere nummers “The Bottom Of The Toy Box” en “Torn Sweater”. “Dough See Dough” is een hoempapa-polka met accordeon en al, maar blijft door het slappe gezang al snel vast steken en kan niet echt bekoren. “Possum Ate The Cat Food (another meal)” heeft zijn mosterd gehaald bij de sound van The Stranglers, maar moet al gauw onderdoen voor het origineel. De beste nummers staan helemaal achteraan op deze plaat in de vorm van de gitaarballade “Cleaner That Way” en “A Bee’s Tale” dat 7,5 minuten langzaam voortkabbelt. Mixed feelings over de geleverde prestatie is de beste omschrijving voor mijn beoordeling van “Seed Of Mayhem”.
(valsam)


 

 

MARIEE SIOUX
FACES IN THE ROCKS
Myspace
Label: Grass Roots
Cd Baby
VIDEO


De sober gearrangeerde luisterliedjes op deze debuutcd van Mariee Sioux zijn allemaal min of meer op dezelfde muzikale leest geschoeid: zachte gitaar- en mandolinedeuntjes, nu en dan spaarzaam gekleurd met fluit, accordeon en percussie met daar overheen zoetgevooisde engelenstemmetjes, rein als de morgendauw. Deze aanpak wordt acht nummers lang consequent toegepast. Is dat een minpunt? Geenszins! De ietwat zweverige liedjes golven als een zachte streling voor het gehoor op de luisteraar toe en zijn een weldaad van rust, een dik pluizig kussen om in weg te zinken. Mariee Sioux' gitaarspel maar vooral ijle stemgeluid prikkelen dat deel van het onderbewustzijn dat door het jachtige leven van alledag wel eens in de verdrukking dreigt te komen. Luisteren naar prachtnummers als 'Wizard Flurry Home', 'Buried In Teeth' en 'Wild Eyes' heeft hetzelfde effect als op een koele lentemorgen barrevoets in het natte gras te staan, eens diep in en uit te ademen en beseffen hoe prachtig fris en stil het leven kan zijn. Behoefte aan wat honing voor de ziel? Zoek niet verder.
(BENN)


 

 

RICHARD STOOKSBURY
SOUTH
Website - Myspace
Label: eigen beheer
Cdbaby

 

 

Wellicht onder invloed van de gebruikelijke eindejaarsdrukte bij de Post heeft deze plaat er een stuk langer over gedaan om op onze schrijftafel te belanden dan voorzien. Maar ach, wat geeft het ook. Ons geduld wordt rijkelijk beloond. "South" de opvolger van zijn debuut uit 2005 van Richard Stooksbury (gitaar, mandolin, ukulele, vocals), laat ons kennismaken met één van de indrukwekkendste nieuwe singer-songwriters van de laatste jaren, een plaat waarop Stooksbury demonstreert wat voor een straffe verhalenverteller hij wel is. In het selecte gezelschap van John Crowder (bas en vocals) en Al Goll (dobro) nam de uit het zuiden van de Verenigde Staten komende zanger en tekstdichter een album op dat het beste van Malcolm Holcombe, Eric Taylor en Sam Baker, vergelijkbare mensen, die als Stooksbury zelf, muzikaal gezien het beste van Americana, country, bluegrass en folk verenigen om tot een geheel eigen geluid te komen. Wat zijn teksten betreft graaft hij daarbij vooral autobio, al zijn thema’s als het leven over het algemeen en de liefde en andere zorgen in het bijzonder hem zeker ook niet vreemd. Al ademen deze songs meestal een verlangen naar het verleden uit, naar de Appalachian Mountains waar hij opgroeide, de plaats waar je al eens het risico loopt met echte, ouderwetse muziek in contact te komen. Met gelijkgestemde zielen weet hij elementen van countrysongs en stokoude folk op glorieuze wijze samen te brengen. Het nostalgische "Gulf Coast" en het troosteloze "23rd Street" bijvoorbeeld, zijn bloedstollende en behoorlijk rauwe nummers van een ontegenzeggelijke klasse. Richard Stooksbury is een groot performer die een eigen geluid laat horen, ergens in het grensgebied tussen country, folk en Americana. "South" wordt gedragen door zijn doorleefde nasele stem, waarmee hij in twaalf sterke en overwegend sombere liedjes verhaalt over zijn leven. Wat Stooksbury ook doet, het resulteert te allen tijde in eigenzinnige singer-songwritermuziek.


 

 

BUDDWA MAMBO'S
WORK SONGS
Website - leonlive.com
E-mail: llaudenbac@gmail.com
Label: Eigen beheer
Cdbaby

 

The Buddwa Mambo’s (spreek uit boudoi’r mamboos) zijn het geesteskind van Leon Laudenbach, de man die onder zijn eigen naam, maar ook met projecten als The Jake And Lee Band en Taboo Blue cd’s uitbrengt, een man die heel wat in zijn mars heeft duidelijk. Hij groeide op in een farm in Minnesota, en werd volgens strikte kristelijke regels opgevoed. Zijn grootmoeder leerde hem piano spelen, iets waarvoor hij nog altijd dankbaar is, vervolgens kwamen de accordeonlessen en toen het hem duidelijk werd dat accordeonisten extra laag scoorden bij de meiden kwam hij terecht in een spiraal van slecht gedrag en veel geluk, door dat vele geluk had zijn slecht gedrag echter weinig gevolgen en kwam hij deze periode zonder noemenswaardige schade door. Het was duidelijk nu, een gitaar zou het worden. Een Fender Telecaster uit 1970, door een vriend gekocht in een pandjeshuis voor 200 dollar belandde bij hem en tot op heden is die van de partij bij elk optreden. De eerste band waar Leon mee te maken had waren de Mississippi King Bees, die in 1991 een cd maakten, Leon noemt het nog steeds een prachtplaat. Daarna volgde Holy Catfish, waarvan ook een cd verscheen. Als vaste job had Leon een heel saai en frustrerend werk, hij stond aan de persen van een offset drukkerij. Tijdens de “wachttijd” schreef hij meer dan 150 songs uit verveling. Hij was dat werk zo moe dat hij besliste een eigen studio te bouwen die hij nog steeds uitbaat, de Spacely Sparks Studio. De band Holy Catfish evolueerde tot Taboo Blue, een band die nog steeds bestaat en zopas hun vierde cd uitbrachten met de mooie titel “ The Wrath Of God And A Plymouth Fury III” (waarover misschien meer binnenkort, net als over de onlangs verschenen solo cd van Leon :“The Gospel Truth According To Leon”). Terug naar de Buddwa Mambo’s nu: hun “Work Songs” is, om maar meteen met de deur in huis te vallen, een sterke plaat. Vanaf de eerste noten van de openingsong “It Ain’t Rock Bottom (But It’s Close To The Hole)”, weet je dat dit een meer dan behoorlijke rootsplaat gaat worden, de slidegitaar van Leon, gospelachtige vocalen, een sterke melodie, dat alles helpt mee om een mooie sfeer neer te zetten vanaf de aanvang. Een beetje in het Mark Knopfler straatje zit “A Ghost On The Courthouse Steps” een nummer dat niet zou misstaan op om ’t even welke Dire Straits cd. En dat is niet de enige song met dat stijltje “Bent Out Of Shape” bijvoorbeeld is een rustige song met dat soort slidewerk en zang. Een echte worksong dan, de titel is er niet voor niks: “Mountans to Move” op National steel en prachtig gezongen door Leon, is een hoogtepunt. Nog een absolute aanrader is “Licking Stick” met een grappig diep en hees gezongen “How How” refreintje en wat prachtige slide. “Crawlin From The Skin” en “Sizemologist”, waarin de slidegitaren tot op het bot gaan,stuk voor stuk mooie swampy, bluesgetinte rootsnummers . Nummers die allemaal die zuiderse zwoele artmosfeer uitstralen van moerassige muggepoelen en broeierige hitte, zeker in “Somewhere South” waar de sfeer van Tony Joe White’s muziek in terug te vinden is. De pedal steel in “Curse Of The Germans” zet samen met Leon’s stem weer eens dat Mark Knopfler geluid neer, dat de plaat die relaxte momenten bezorgt.” For The Ladies” is een mooie Americana instrumental met dobro, banjo en akoestische gitaren. De afsluiter, de mooie bluessong “Bypass The Blues” is pretentieloos maar daarom niet minder mooi, met uitstekende gitaarpassages ende harp van Sparky Anderson. “Work Song” is een pracht van een plaat, volgens mij zonder ook maar één zwakke song, en daarom is het verwonderlijk als je leest dat deze cd in één take live in de studio opgenomen werd. Eindelijk is de spontaniteit terug uit de vergeethoek. Eat your heart out, Donald Fagen.
(RON)


 

 

DREW DANBURRY
MOTHER
Website - Myspace
Mail: drewdanburry@hotmail.com
Label : Eigen Beheer
CD-Baby

 

“Ene hele speciale”, prettig gestoorde Amerikaan, deze Drew Danburry. Op zijn website lees je dat hij woont “in the city where I was born and raised in California”. Zijn muziek omschrijft hij als indie pop, sex rock, kickass kindergarten folk en je wordt nergens wijzer over wie hij is of wat hij zoal doet. Gelukkig vond ik wel nog een bespreking uit april 2006 door onze eigen oppergod Freddy van zijn vorige cd “Besides: Are We Just Playing Around Out Here Or Do We Mean What We Say?” op deze Rootstime-website. Freddy vond het mooi en hij kent er (meestal) wel wat van. Dus beluisteren wij met meer dan gewone aandacht de net verschenen EP “Mother” van deze weirdo gast. Blijkbaar leverde hij ook in 2004 al een plaatje af met de titel “An Introduction To Sex Rock”. Drew Danburry adviseert de luisteraars om te blijven lachen en plezier te blijven hebben ondanks alle problemen die we dagdagelijks tegenkomen in het leven. Je krijgt al meteen folkloremuziek en dito zang op je bord in de eerste song “I’m Pretty Sure This Is Someone Else’s Song, But I Couldn’t Figure Out Whose So I’m Keeping It!”. Er staan zes nummers op deze EP, waarvan hij zelf zegt dat ze meer bloed, zweet, tranen, grit en vastberadenheid heeft dan Rocky Balboa, Joe Hill en Jackie Chan samen, kwestie van het absurde er nog eens heel diep in te wrijven. Nummer twee kreeg geen titel mee, terwijl nummer zes als titel een halve pagina tekst meekreeg. De grapjes zitten doorweven in elk nummer, inclusief in de titels. Vriend Elliot Maldonado zingt mee en bespeelt de elektrische gitaar, bas en banjo terwijl Drew Danburry zelf de akoestische gitaarsnaren beroert en af en toe de mondharmonica er bij haalt, zoals voor …hier gaan we weer …”Vulnerability As Power, Honesty As Disarmament, Responsibility As A Means Of Discovering Happiness, Destroying Stereotypes And Overcoming Fear Itself”. Dit nummer klinkt eigenlijk vrij intimistisch. Evenzo vergaat het “Mother Is A Song By Danzig Not By Me” maar hier zit het liedje toch weer boordevol fun-elementen. Een sterke zanger is Drew Danburry niet, maar dat zal hem allicht toch worst wezen. Ik zou hem wel eens willen zien, gewoon om te kijken of mijn perceptie van dit heerschap overeenstemt met de realiteit. Begin 2008 komt er een nieuwe full-cd die we ook wel toegestuurd zullen krijgen. Tot dan blijft nieuwsgierigheid troef om te zien of we daarmee wat meer over hem te weten kunnen komen.
(valsam)