ARCHIEF

OKTOBER 2007 - NOVEMBER 2007 - DECEMBER 2007


MARKUS RILL - SPECIAL

NOLAN McKELVEY - THE SOUND OF THE CRASH

THE DIRTY GUV' NAHS - DON'T NEED NO MONEY

NICK LOWE - JESUS OF COOL

KARL MORGAN - TALKING WITH THE HANDS

UNION STREET BLUES - BY ANY MEANS NECESSARY

CHRIS BENDT - BEING FREE (EP)

PAT GREEN - LUCKY ONES

MINT - HINTERLAND

BLUES AND ROOTS AUSTRALIA 2008 - B.A.R. VOL 5


MARKUS RILL
The Hobo Companion (2004) - Hobo Dream (2004) - The Price Of Sin (2006) - Live (2007) - The Things That Count (2008)
Website - Myspace - Contact
Label: Blue Rose - Distr.: Sonic Rendezvous
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3 VIDEO 4

 

 

 

 

 

 

 

Door de loop der jaren heeft het Duitse Blue Rose Records als bezorger van Americana een uitstekende reputatie opgebouwd. Het label focust zich nagenoeg volledig op Amerikaanse artiesten. En met de uiterst getalenteerde Markus Rill heeft dit label een landgenoot op hun catalogus binnengehaald waar ook artiesten als Kris Kristofferson, Steve Earle, Buddy Miller, Dwight Yoakam en John Hiatt onder contract staan. Rill is nu al goed tien jaar bezig, tijd om deze Duitse cowboy in de spotlights te plaatsen in Rootstime, meteen ook de eerste blikvanger in dit nieuwe jaar, en wat voor één! Zijn nieuwe album "The Things That Count" is alweer zijn achtste en dit sinds zijn debuut "Gunslinger's Tales" uit 1997. In diverse competities werd Markus Rill al erkend voor zijn songwriting zoals: de ISC International Songwriting Competition met 15.000 deelnemers en sterren als Tom Waits, Loretta Lynn en Amy Ray van de Indigo Girls in de jury, de internationale Unisong contest, de Singer-Songwriter Awards and de American Songwriter Magazine competitie. Rill begon zijn muziek carrière in het miden van de 90-er jaren in Austin, Texas, terwijl hij op dat moment Amerikaanse literatuur studeerde aan de Universiteit van Texas. Hij tourt inmiddels extensief in Europa en Amerika als headliner en deelt de podia met artiesten als Chris Knight, Hal Ketchum, The Drive-By Truckers, Elliott Murphy, Steve Wynn en vele anderen. Daarnaast nam hij ook songs op samen met Duane Jarvis (Lucinda Williams, Dwight Yoakam) en Steve Conn (Sonny Landreth, Bonnie Raitt, Mark Knopfler). Onze troubadour leerde dus de kneepjes van het vak in het singer-songwritermekka Austin, waar hij opgroeide. Na het reeds vernoemde debuut, de opvolgers: "The Devil And The Open Road" uit 1999 en "Nowhere Begins" uit 2001 nam hij zijn vierde CD "Hobo Dream" (2004) in Nashville op. Voor die klus liet hij zijn vaste begeleidingsband The Gunslingers thuis. Topproducer Duane Jarvis had namelijk bassist Rick Plant (Buddy Miller), drummer Billy Block (Jim Lauderdale) en keyboard ace / accordeonist Steve Conn opgetrommeld. Het resultaat laat zich raden: een formidabele Americana-plaat, lekker schor gezongen en fraai begeleide authentieke, akoestische countryfolk in de traditie van Townes van Zandt, Steve Earle of Chris Knight. De instrumentatie (slidegitaar, mandoline, accordeon, Wurlitzer) is uiteraard prima verzorgd, net als Rill’s songmateriaal. De drie in woonplaats Wurzburg opgenomen en zelf geproduceerde nummers ademen dezelfde sfeer. Vanaf de opener "Heartbreak Town" tot aan de afsluiter, weet Rill de aandacht vrijwel constant vast te houden met een reeks aan uitschieters, zoals de titeltrack, en de door Jarvis aangejaagde rootsrockertjes als "Heartbreak Town" en "Not Yet Shipwrecked", met in dit laatste nummer het prettige accordeon van Steve Conn. "Far Away From Home (Yet Home)" met harmony vocal van Karen Poston is op het einde van deze bijzonder geslaagde plaat, soulvolle Americana op en top. Ook in datzelfde jaar, 2004, verscheen de CD "The Hobo Companion", een CD die enkel verkrijgbaar is tijdens zijn optredens of via zijn eigen webstek. Rill heeft zelf deze CD gecompileerd als aanvulling op zijn succesvolle "Hobo Dream", met dertien tracks, waaronder knappe covers van songs van Townes Van Zandt ("Waiting Around To Die"), Gillian Welch & David Rawlings ("One More Dollar"), Robert Earl Keen ("So I Can Take My Rest") en Johnny Cash ("Folsom Prison Blues"), naast enkele hoogstaande live-opnames als "A Girl Called Jo", "Hobo Dream", "Nowhere Begins", "Run, Run, Run" en "Where Do We Go From Here?". In dit laatste nummer en de Van Zandt-Earle-medley "If I Needed You / Ft. Worth Blues" horen we Rachel Harrington die eind vorig jaar hier in de Lage Landen nog op tour was. "The Price Of Sin" werd in mei 2006 uitgebracht en ontving spectaculaire reviews en was terug te vinden op menig eindejaars lijst van journalisten en radio DJ’s overal in Europa. Markus Rill produceerde het album zelf samen met Nashville's Tone Chaperone George Bradfute en nam het op met zeer bekende muzikanten uit de Americana scene: Fats Kaplin (Tom Russell, Dead Reckoners-) op pedal steel, mandoline, accordeon, banjo en viool, Dave Jacques (John Prine, Patty Griffin, Todd Snider) op staande bas, Dave Coleman (The Coalmen) en drummer Bryan Owings (Buddy Miller, Shelby Lynne). Met twaalf akoestisch intieme eigen songs, voornamelijk ballades, weet hij onze aandacht te trekken op deze fantastische plaat, een plaat die diep geworteld is in de Amerikaanse rootsmuziek. Allemaal schitterend hoe hij zoals in de openingstrack "Singin’ In The Cemetery" over een geliefde die jaren geleden is overleden, in "Wash Away The Stain", het pijnlijke gevoel van berouw na de zonde, en het afsluitende "Not Ready Yet", over een zoon die bang is zijn vader te verliezen, dit allemaal perfect weet te verklanken. Het zeldzame gevoel van lust en schuld na het verleiden van de vriendin van je beste vriend vinden we terug in "The Price You Pay For Sin", meteen het grootste prijsnummer op deze plaat. Zeer beklijvend! Zoals "The Hobo Companion" uit 2004 verscheen ook vorig jaar zijn "Live" - plaat (2007) die enkel verkrijgbaar is tijdens zijn optredens of via zijn eigen webstek, dit allemaal aan een zeer aantrekkelijk prijsje. En bij het beluisteren van dit album, kon ik dadelijk vaststellen dat het een waar genoegen moet zijn om deze heren live aan het werk te horen. Met de begeleiding van Robert Hasleder (mandolin, dobro, weissenborn) en Andreas Obieglo (piano, accordeon, gitaar, vocals) weet hij zich door vijftien songs uit zijn recente werk te nestelen. "Live" opgenomen in de Lab in Stuttgart en in de Licca Lounge in Landsberg wisselt oud werk uit "Hobo Dream" af met nieuw uit "The Price Of Sin". Het zijn natuurlijk Rill's sterke nummers die beklijven. Er is veel waardering voor de fans, die met deze uitgave verwend worden.

THE THINGS THAT COUNT

Met "The Things That Count" maken we wederom kennis met Markus Rill, de man met de schuurpapierstem, die het vermogen heeft op overtuigende wijze songs te pennen, en die al meer dan tien jaar betere albums maakt dan de concurrentie. Voor de ongeduldige fans: het is business as usual. Dus: op naar de platenwinkel! Image van Rill wordt wel eens beweerd dat hij een "artist’s artist" of "Europe's premier Americana artist" is. Dit omdat een verbazend hoog aantal artiesten fan zijn van ’s mans werk. Als je zijn productiviteit (acht albums sinds 1997) en de kwaliteit ervan in beschouwing neemt, dan is het volstrekt onbegrijpelijk dat Rill intussen nog niet wordt beschouwd als de standaard waar de andere artiesten zich aan mogen meten, of voor uitverkochte zalen zorgen. Het ziet er niet naar uit dat "The Things That Count" daar verandering in zal brengen, want naar goede gewoonte is het nog maar eens een gimmickvrij album dat vakmanschap te over heeft en verplichte kost zou moeten zijn voor aspirant-songschrijvers. Wegens een familie-aangelegenheid was de vertrouwde producer George Bradfute niet van de partij en werd als gevolg deze plaat met een nadrukkelijk aanwezige producer opgezadeld, die luistert naar de naam Richard McLaurin (van Farmer Not So John). U kunt echter weer rustig ademhalen, want het resultaat mag er zijn. De tot nu toe voor mij onbekende McLaurin slaagt erin om een muzikaal kader te creëren, waarbinnen alle ruimte wordt gelaten aan de teksten en zang van Rill. Zijn experimentele aanpak is te horen in twaalf songs die hier meer een elektrische gading meekrijgen in vergelijking met de akoestische voorganger, zijnde het zo geprezen "The Price Of Sin". Het nieuwe "The Things That Count" klinkt gepolijster dan we gewend zijn, maar dat is nergens storend. De typerende akoestische stijl, die op vorige albums van Rill vaak de sound bepaalde, is nu naar de achtergrond verdwenen, maar wordt ruimschoots gecompenseerd door de sfeervolle en gedoseerde muzikale begeleiding, bestaande uit Dave Jacques (bas), Bryan Owings (drums), Joe McMahan (gitaar), Jen Gunderman (piano, Hammond en Wurlitzer) en naast McLaurin die zelf wat bijdragen leverde op gitaar, mandoline, pedal en lap steel, zijn er ook de backing vocals van o.a. Mack Starks, Dave Coleman en Claire Small. Het eerste kwartier van de plaat biedt meteen een staalkaart van zijn kunnen: "Straighter Road" is een gezapig slenterende combinatie van akoestische en elektrische gitaren, met subtiele samenzang en een melodie die zich langzaam ontvouwt, "Unlike You" blinkt uit in een dromerige melancholie, een nummer dat reeds als voorproefje op zijn live plaat te horen was. Evenals het weemoedige nummer "Sarah Stein", een song over deze ballerina die het leven in de States verkoos boven Wenen. Beide songs zijn dus ook niet vergelijkbaar met de akoestische uitvoeringen van de eerder vernoemde live plaat. De andere rustige momenten, de prachtige titeltrack, "I’ll Wait For You" en "Just Like It Never Did Exist", zijn songs die meteen kunnen toegevoegd worden aan het redelijk omvangrijke lijstje breekbare ballads dat de man intussen schreef. Kwalitatief hoogstaand, met consistent sobere, vaak poëtische teksten over de dingen des levens, "The Things That Count" alshetware. Zijn rock-’n-roll coëfficiënt mag dan wel uitkomen op songs als, "Scene Of The Crime", "Faith Is Hard", "Gotta Keep My Hands Off" of "Dimestore Paperback Memory", met in dit laatste nummer het mooie orgelspel van Jen Gunderman (Last Train Home). Maar Rill is een waardevol songschrijver, al is het maar om de fijnproevers eraan te herinneren dat er nog zekerheden zijn in het leven. In de teksten blijkt nog steeds dat Rill een onvervalste romanticus is, maar dat hij ook zeker een criticaster kan zijn. Hij bezingt in "The Things That Count" zijn overpeinzingen over het leven, misschien is deze plaat minder onafhankelijk en ook zeker een stuk gepolijster dan zijn voorgangers, maar kan uiteindelijk wel degelijk beklijven, en dat het gekoesterd zal worden door het trouwe legertje fans dat Rill volgt, lijdt geen twijfel. "The Things That Count" heeft alles wat een singer-songwriter plaat moet hebben. Een CD die ontroert en vertedert en je deelgenoot maakt van het leven van deze geweldige singer-songwriter. Voorwaar een compliment voor Markus Rill.


 

NOLAN McKELVEY
THE SOUND OF THE CRASH
Website - Myspace
Contact - Label: eigen beheer
Cdbaby

 

 

In de schier eindeloze rij Amerikaanse singer-songwriters is nu de beurt aan Nolan McKelvey. Om iets van "The Sound Of The Crash" te begrijpen, moet u weten dat aan de solocarrière van Nolan McKelvey het nodige voorafging. Hij begon weliswaar in de Bostonse folk/countryband, de Benders, maar hij maakte al snel een stap voorwaarts door te gaan werken met zijn eigen band 33. Waar hij in eerste instantie traditionele bluegrass beoefende zocht hij met deze band meer de richting van de alt-country/folk muziek op. Weliswaar onder zijn eigen naam en band, Nolan McKelvey and 33, verschenen in 2003 de cd "Same", in 2005 "After The Roses" en in 2006 "Modern Times". Hij liet zich erop begeleiden door Rand Anderson (gitaar en toetsen), Hanky Blanca (steelgitaar), Tim Hogan (bas en zang) en Andrew Lauher (drums en zang), waarvan de twee laatste bandleden ook terug te vinden zijn op "The Sound Of The Crash". Ondertussen werkte McKelvey ook als sessie-muzikant met veel Americana-artiesten, waaronder Levon Helm, Dana Colley (Morphine), Paul Q. Kolderie (Uncle Tupelo, Pixies, Throwing Muses, Radiohead, Warren Zevon), Mark Erelli, Steve Mayone, Alastair Moock en Kris Delmhorst waarvan we ooit het prachtige album "Five Stories" bespraken. In "The Sound Of The Crash", zijn allereerste plaat onder zijn naam, zijn de rollen omgedraaid en krijgt hij hulp van lokale helden uit Boston en omstreken, waaronder naast de reeds vernoemde Tim Hogan en Andrew Lauher, een paar namen die ons niet zo gek veel zeggen. Maar wel producer en multi-instrumentalist Jeff Lusby die wel aandrukkelijk aanwezig is op deze tien tracks, waarin hij zelfs voor een vocale inbreng zorgt in de beklemmende opener "Michigan". "The Sound Of The Crash", is een kleurrijke rootsrockplaat geworden, waarin basisgenres als folk, country en roots nader tot elkaar komen. In de meeste nummers lopen de muziekstijlen door elkaar heen. Het drieluik waarmee de plaat opent, bestaande uit "Michigan", "I Can't Disguise" en "The Decider", geeft aan dat we hier te doen hebben met competente musici, maar vooral zeer verrassende songs waarin veel geluiden en invloeden zijn verwerkt. Het wordt voor ons interessanter in het nummer "Twilight" als speciale gast, Steve Caldwell, met een stemmig pianospel te horen is. Nolan McKelvey is een veelzijdig mens en van heel veel markten thuis. Zo stelt hij in het nummer "The Decider" het maatschappelijke leven in Amerika aan de kaak, al bezorgt McKelvey ons hier een tiental liedjes over verschillende onderwerpen. Twee van de fraaiste nummers worden voor het laatst bewaard. Namelijk de ingetogen nummers "Dust Bowl Blues" en "Fallen Star", mooie afsluiters van een intrigerende singer-songwriterplaat van een introverte singer-songwriter die glansrijk wordt bijgestaan door zijn begeleiding. Wat vooral blijkt uit "The Sound Of The Crash" is dat Nolan McKelvey en Co, kwaliteit en kwantiteit moeiteloos met elkaar verenigen. De ene geweldige plaat is net uit en ze leveren alweer de volgende af. Eéntje met een iets rustiger karakter, een haast romantische versie van alles waar de band voor staat: de romantiek van de passie, het vuur en de liefde voor een absolute vorm van vrijheid.


 

 

THE DIRTY GUV' NAHS
DON'T NEED NO MONEY
Website _ Myspace - Contact
Label: Downing Oklahoma Records
VIDEO 1 VIDEO 2

 

Deze jonge band uit Knoxville Tennessee, heeft na wat zoeken en proberen op hun nieuwe cd "Don’t Need No Money", zijn eigen stijl gevonden. Good old straight Southern rock 'n roll in de stijl van de Stones en de Faces en dat betekent natuurlijk ook dat de gelijkenis met Black Crowes nooit ver weg is. Hun muziek heeft dat tijdloze en maakt de verbinding tussen de bands van de sixties met de hedendaagse rock en roll en rootsrock groepen. Als je deze cd hoort kan je jezelf wel voorstellen dat dit stomende liveshows moet opleveren, en volgens persberichten is dat ook zo. De negen songs op "Don't Need No Money" zijn allemaal eigen composities. Opener "Get Together" zit erg dichtbij Black Crowes. De mooie intro van "Get Down Mama" maakt plaats voor wat Jagger/Richards achtig vuurwerk, dit lijken wel de Stones op zijn ruigst. Zanger gitarist James Trimble en lead gitarist Micheal Jenkins geven zich 200 %, net als de overige groepsleden en het lijkt wel of dit in één take in de studio op de band gezet is. Die pure energie van een live optreden zit in de nummers mee ingebakken. De simpele hypnotiserende slide gitaarlijnen van "Eli" hebben wat van de juke joint stijl in zich van R.L Burnside, maar eindigen doet de song alsof het hier om de Black Keys gaat, het is meteen ook de beste song volgens mij. Echte Southern Rock gitaren à la Allman Brothers, echter vermengd met de mooie maar felle expressieve stem van James Trimble die daarmee weer de Black Crowes terugbrengt. Het rockende "Fly Me Up To Heaven" zit weer boordevol met ruige "Black Keys" gitaren en ruwe vocals, en het daarop volgende "Amie Mae" is in fel contrast daarmee, een ingetogen song met enkel akoestische gitaar en rustige vocals, die stem van Trimble kan ook dit weer perfect aan. "Suguaro", de afsluiter, begint ook als een akoestische rustige song, alhoewel Trimble vocaal voluit gaat, maar de song gaat halverwege over naar een stevig rockend en abrupt einde. Een ding mag duidelijk geworden zijn, afwisseling brengt deze band volop. Dit is pure rock vol energie, maar hier en daar voorzien van de nodige ingetogen rustpunten, die tonen dat dit zestal een eigenzinnige band is die verleden, heden en toekomst van de rock verenigen, wat Stones en Faces, veel Black Crowes, maar ook de nieuwe lichting blues is vertegenwoordigd met invloeden van Black Keys. Bovendien heb ik gemerkt dat dit weer zo één van die platen is die bij elke beluistering meer bezit van je neemt, en waarnaar ik nog dikwijls zal teruggrijpen.
(RON)


 

 

NICK LOWE
JESUS OF COOL
Website - Myspace - Contact
Label : Proper Records
Distr. : Rough Trade

 

 

Kijk wat we hier in onze binnenkomende post gevonden hebben. Het is de cd “Jesus Of Cool” van de nu bijna 59-jarige Nick Lowe. Niets nieuws onder de zon maar toch bijzonder verheugend want hiermee wordt de nostalgicus in mij terug wakker geschud. Ik herinner mij nog alsof het gisteren was dat ik het singeltje “I Love the Sound Of Breaking Glass” van Nick Lowe in 1978 in de ouderwetse platenwinkel kocht en er fier als een gieter mee naar huis trok om aldaar het 45-toerenplaatje tot in den treure en tot grote ergernis van alle toenmalige huisgenoten op de platenspeler zijn rondjes te laten draaien. In het begin moet dit vaker dan 100 keer per week geweest zijn, ik had toen ook nog maar een paar platen. Mochten mijn kinderen me dit heden ten dage aandoen, ik zou ze … Maar toch, als ik die song vandaag terughoor op deze heruitgegeven cd, bemerk ik dat er nog niets van de oorspronkelijke frisheid van dat nummer verloren is gegaan. Dus zijn wij uitermate verheugd dat Proper Records de plaat van net 30 jaar geleden opnieuw gedigitaliseerd op de markt brengt. De 11 originele nummers van “Jesus Of Cool” staan nog steeds als een huis. Naast “Breaking Glass” verheugen we ons ook opnieuw over “Little Hitler”, “Tonight”, “So It Goes”, “36 Inches High”, “Nutted By Reality”, het romantische “Marie Provost” en een live-versie van de rocksong “Heart Of The City”. En om de pret volledig te maken werden voor deze speciale editie ook nog eens 10 rarities op de cd toegevoegd. Zo horen we het ironische “I Love My Label” dat oorspronkelijk verscheen op de labelverzamelaar “A Bunch Of Stiff Records”. Ook de klassieke rocksong “They Called It Rock” die Nick Lowe samen met zijn toenmalige Rockpile-collega’s Dave Edmunds, Billy Bremner en Terry Williams schreef. Daarnaast staan er enkele nummers uit de niet meer te vinden EP “Bowi” op deze compilatie, zoals “Born A Woman”, “Endless Sleep” en “Shake That Rat”. Ook een aantal mooie Lowe-songs die het indertijd niet verder schopten dan de B-kant van zijn hitsingles, zoals “Cruel To Be Kind” en “I Don’t Want The Night To End”. Tenslotte ook even aangeven dat zijn coverversie van de Gary Goffin & Carole King klassieker “Halfway To Paradise” en “Roller Show” - een single die hij onder het pseudoniem “Terry Modern” uitbracht als een parodie op de toen razend populaire The Bay City Rollers - dit absolute hebbeding completeren. Ondanks het feit dat de elpee “Jesus Of Cool” in 1978 werd uitgebracht en dit jaar dus zijn dertigste verjaardag viert, blijven de liedjes op die elpee ook na zoveel jaren gemakkelijk overeind tussen alle hedendaagse popmuziek. Niet voor niets werd Nick Lowe dan ook de status van “Godfather of Rock” toegewezen door de verzamelde muziekpers en brengt hij ook in de 21e eeuw nog regelmatig cd’s uit met daarop fantastische muziek. Ik stel voor om deze release snel aan te schaffen, kwestie van belangrijk didactisch materiaal te verzamelen om de jongere generaties deskundige lessen in muziekgeschiedenis te kunnen bijbrengen.
(valsam)


 

 

KARL MORGAN
TALKING WITH THE HANDS
Website - Myspace - Contact
Label: Pied Piper Records
Cdbaby

 

 

De Australische bluesgitarist Karl Morgan is naast songwriter ook nog een uitstekend zanger. Dit wil ik even vermelden, want bij veel van de beste gitaristen komt de stem op de tweede plaats, en een beetje behoorlijk zingen is al een pluspunt, van echt goed zingen is zelden sprake. Karl is echter naast een prima gitarist ook een zanger met kwaliteiten. Natuurlijk is de gitaar bij deze jongeman van de Australische westkust het belangrijkste. Hij is na het horen van zo veel Stevie Ray Vaughn klonen, zowat de eerste die deze stijl hanteert en niet enkel imiteert maar er ook zelf iets mee doet, in plaats van keiharde SRV riffs aan mekaar te plakken tot een zogezegd eigen song zoals dat de laatste tijd veel gebeurt, kiest hij voor het meer subtielere werk en heeft eigen inbreng. Je hoort duidelijk wie zijn grote bezieler was, maar daar blijft 't ook bij. Akoestische blues, folk, soul, funk alles versmelt tot een eigen sound, zelfs een onverwachte bewerking van de R&B hit "Sunny" komt fris en origineel weer te voorschijn. Na jaren werken en groeien als artiest op podia van kleine clubs en kroegen heeft hij nu het punt bereikt om de vruchten te gaan plukken. Een platenfirma aan de andere kant van de wereld "Pied Piper" uit Nashville, heeft deze aparte gitarist met die mooie soulvolle stem opgepikt en hem een contract aangeboden. Karl heeft samen met twee andere muzikanten Joe Whittle op drums en Graham Local op bas, zijn vaste band, deze cd opgenomen in de Origami en Electric Avenue studio's te Sidney, met de hulp van enkele uitstekende studiomuzikanten. Een Amerikaans tournee is in de maak en van mij mag Europa best volgen. Bij de allereerste songs "Your Good Man" zou je nog kunnen vermoeden dat Karl toch in de val getrapt is om de zoveelste imitator te worden van onze Texaanse gitaarkoning, want de invloed is onmiskenbaar, maar 't prachtige akoestische "Natural Condition" met zijn slide en Karl's mooie stem, laten ons een heel andere kant zien. In "Nothing From Nothing Grows" past alles perfect in mekaar, de blazers, de gitaar, de stem, dit is één van de beste songs. Sober, met enkel zijn akoestische gitaar en zijn stem vol gevoel, is "Hold Me Where I Lay". Dat ik ooit nog een nieuwe mooie bluesversie van "Sunny" zou horen had ik nooit verwacht, de gitaar hier is meesterlijk. Een echte Delta blues "Sweetness" laat die stem van Karl nog eens schitteren.Tijd dan voor een mooie Texas shuffle "Cult Of The Self", hier komt de ware gitarist in Karl pas boven, zijn lekker swingende gitaar en de Hammond B3 van Clayton Doley gaan mooi met elkaar in interactie. De titelsong "Talking With The Hands" tapt wat uit hetzelfde vaatje, tempowisselingen, een funky bluesgitaar en een uitstekende zangparij. Het langzame, wat jazzy swingnummer "Love In Your Space" legt nog een laatste rustpunt voor de uitsmijter "Break Your Mind" alle registers opentrekt. Deze keer staat er geen rem op deze Aussie guitarslinger en soleert hij er lustig op los. Weer een sterke nieuwe bluesgitarist erbij! Als Australie zo ver niet was ...
(RON)


 

UNION STREET BLUES
BY ANY MEANS NECESSARY
Website - Myspace - Contact
Label : eigen beheer
Cdbaby

 


Op de redactie weten ze ondertussen dat ik een voorkeur heb voor blues met koperblazers en dus krijg ik regelmatig deze cd’s doorgespeeld. Zo ook deze eerste cd van Union Street Blues maar eerst wat voorgeschiedenis. Buddy Cleveland ( bluesharp & vocals ) groeide op in Rockville en tijdens zijn college luisterde hij voornamelijk naar Hendrix, The Stones, Cream en The Allman Brothers. Destijds dacht hij dat deze bands de muziek hadden uitgevonden tot hij een live show zag van Muddy Waters in de jaren ’70, vanaf toen leende hij zich aan de blues en keek nooit meer om. Hij speelde in het verleden met o.a. met The Bad Influence Band en Voodoo DeVille . Maar in de jaren schreef hij ook een hele resem songs en die wilde hij wel eens op cd zetten, en zo ontstond Union Street Blues. Hij scharrelde wat muzikanten waarmee hij vroeger al regelmatig speelde bijeen om mee te werken aan zijn project. Met op kop de gitarist Neil “Porkroll” Taylor, niet alleen voor zijn knappe gitaarspel maar ook om mee te helpen aan de productie van deze cd. En ik wil hier al gerust verklappen dat het een knappe debuut cd geworden is. Geopend wordt er met een swingend nummer genaamd ‘Butter Your Biscuit’ waarin we al meteen mogen genieten van klasse harpnoten en warme klanken van de blazers. Buddy Cleveland z’n stem klinkt warm en vertrouwd en wordt verder lekker aangevuld door mooie samenzang van de andere heren. Iets meer jazzy en experimenteel is dan weer het nummer ‘In A Situation’ en hiermee maken deze heren meteen duidelijk dat ze niet enkel tekenen voor het traditionele blueswerk maar ook zijsprongetjes niet schuwen. Het nummer steekt knap in elkaar en geeft lekker veel ruimte aan het mooie pianowerk van Steve Cocchi en gitaarwerk van Neil “Porkroll” Taylor. Een nummer dat me wat doet denken aan de song ‘What You Want Me To Do’ is het nummer ‘Another Man’ maar dan wel enkel wat de intro betreft want na 1 minuut krijgt de song een heel andere wending en gaan we richting shuffle met ballen. Lekker rocken kunnen we bij het nummer ‘My Baby Gone’ met in het midden een mooie saxsolo van Paul Cleveland ( geen familie van Buddy ). Elke song op deze cd is met zorg gekozen zodat deze cd niet gaat vervelen en waarschijnlijk ook om aan te tonen wat deze heren in hun mars hebben. Om voor zulke variatie te zorgen heb je natuurlijk ook een sterke ritmesectie nodig en die staat er dankzij Matt Del Collo op drums en Ted Ryan op bas. Verder om het geheel nog meer kleur te geven hebben ze de hulp ingeroepen van 3 blazers die hier presteren onder de naam Union Street Horns. Neem het van mij aan, By Any Means Necessary is een mooi debuut van Union Street Blues en ik ben al benieuwd naar het vervolg.
Blueswalker.


 

 

CHRIS BENDT
BEING FREE (EP)
Website - Myspace
Mail : bendtmusic@yahoo.com
Label : eigen beheer
CD-Baby

 

Chris Bendt werd geboren in St. Paul, Minnesota en woonde als kind van gescheiden ouders het overgrote deel van zijn leven in Washington. Zijn vader was een gepassioneerde muzikant en van hem erfde Chris Bendt dan ook op vrij jonge leeftijd al de microbe voor het spelen van muziek en het verzorgen van live optredens. Twee popalbums veranderden in de jaren negentig zijn muzikale ambities en de door hem te volgen muziekrichting, namelijk “OK Computer” van Radiohead en “Burn To Shine” van Ben Harper. Toen hij afstudeerde verhuisde Chris Bendt naar Californië en begon er in een grote multinational te werken. Ne enige tijd op kantoor besefte hij dat zijn toekomst in de muziek lag. Hij zegde zijn job op en begon in een kleine studio bij hem thuis in Santa Monica, Los Angeles liedjes te componeren, te spelen en op te nemen. Het resultaat van al dat werk is een eerste ep-tje met de titel “Being Free”. Als singer-songwriter voegt hij elementen van de soulmuziek toe aan zijn gepassioneerde en tekstueel knappe songs, die gaan over de dingen die hem in zijn dagelijkse leven overkomen, zijn innerlijke strijd voor vrijheid, de hoge verwachtingen van zijn vader en over zijn turbulente liefdesleven. Muzikaal bevindt Chris Bendt zich in dezelfde stroming als enkele bekende liedjesschrijvers zoals Damien Rice, Jeff Buckley en Ben Harper. Hij bespeelt alle instrumenten zelf op de vijf voornamelijk akoestisch gebrachte nummers die op “Being Free” zijn terug te vinden. De klagerige titelsong is een eerste stukje emotionele blootgeving, gevolgd door “Rain Me Down”, het passievolle en trieste “Never Said Goodbye” en “Anything Else”. In de laatste song “Refer To We” verhaalt hij over een eenzame jongen die verlangt naar gezelschap en vriendschap, zich tegelijkertijd afvragend of er wel een goede god bestaat die het welzijn van de mensen nastreeft. Chris Bendt is duidelijk nog op zoek naar de betekenis van het leven en probeert die momenteel via zijn liedjes te vinden. We wensen hem hierbij alvast alle succes toe.
(valsam)


 

 

 

PAT GREEN
LUCKY ONES
Website
Label: Universal Music
Info: spitandimage

 

Pat Green, geboren en getogen in boerenstaat Texas, heeft voor z'n album "Lucky Ones" wederom de hulp ingeschakeld van topproducer Don Gehman (R.E.M., Hootie & The Blowfish, Nanci Griffith) die ook deze taak op zich nam op zijn vorige album "Wave On Wave" (2004). Zoals gewoonte zijn we van Pat Green het betere Texaanse liedje gewoon, hetgeen we nu ook terugvinden op dit album. Begeleid door een zeventallige groep weet hij steeds er iets bovenuit te komen en dit omwille van zijn power-volle stem. In Texas mag hij dan een wereldberoemde legende zijn en zowat iedere kroeg plat spelen, daarbuiten valt voor de hardwerkende countryrocker echter nog het nodige werk te verrichten. Of dat helemaal met deze release voor Universal Music gaat lukken, is nog maar de vraag. Want hoewel Pat Green op "Lucky Ones" toegankelijker en gladder dan ooit te voren klinkt, ontbeert deze inspiratieloze plaat de nodige uitschieters. Toch is het niet een heel slechte plaat, daarvoor blijkt de Texaanse ruigheid en humor van Green net iets te sterk bovendrijven. Maar toch is het duidelijk dat de vergelijking met Robert Earl Keen snel moet worden aangepast. Want Pat Green slaat op "Lucky Ones" duidelijk rechtsaf, richting Nashville. De man is immers steeds meer voor een commerciële koers gaan kiezen, dat we ook kunnen horen op, jawel, het door Don Gehman geproduceerde "Cannonball" uit 2006. Op al deze cd's staan songs, een soort liedjes waarmee Pat Green geen brug weet te slaan tussen Texas en Nashville, en gezien het huidige overaanbod aan uitstekend nieuw materiaal uit de Lone Star State is onze keuze snel gemaakt.


 

 

 

MINT
HINTERLAND
Website - Myspace
Mail : mark@lsagency.be
Label : Munich Records

 

 

Goede popmuziek hoeft zeker niet altijd uit het buitenland te komen. Integendeel, ook België heeft zich gedurende de laatste jaren een indrukwekkende reputatie in de popscène opgebouwd. Zo verrast Munich Records ons nu met de release van de nieuwste cd van Mint. Hun eerste album “Echoes From The Engine Room” uit 2004 ging nogal snel voorbij aan de meeste onder ons maar met hun tweede album “Magnetism” braken ze in 2006 definitief door. De singles “Your Shopping Lists Are Poetry” en “The Magnetism Of Pure Gold” waren beiden hits op onze nationale radiostations en ze vormden een aangename verrassing op het Pukkelpop-podium van vorig jaar. Het gloednieuwe album “Hinterland” - dat officieel gereleased zal worden op 15 februari 2008 - bevestigt al het goede dat we van hun vorige album hebben geleerd. De formatie met zanger en liedjesschrijver Erwin Marcisz als muzikale brein laat horen dat ze het genre van de moderne en melodieuze popmuziek volledig beheersen. De net verschenen single uit dit album is “Brand New Toy” en is één van de meest gedraaide Belgische platen op dit ogenblik bij Studio Brussel. Met Scala-achtige koorzang (echter verzorgd door het kinderkoor van de middelbare St-John’s International School) als ondersteuning laat Mint hier een zeer professioneel geluid horen, gecompleteerd door een uitgebalanceerd strijkersensemble. Bekoren doet zeker ook “White Line”, “IVR The Friendly Voice”, “Meet Me At The Morasco” en de titeltrack “Hinterland”. Als liefhebber van singer-songwritermateriaal ben ik vooral onder de indruk van het nummer “The More I …” (“your picture on my pillow grows smaller everyday, seems the more I think of you, the more you drift away” – heerlijke beeldspraak, toch!). Dit liefdesliedje drijft op een memorabele gitaarriff, knap vocaal werk van Erwin Marcisz en de beelderige guest vocals van zangeres Neeka. Laat dit maar snel de volgende single worden: succes verzekerd voor dit nummer met internationale allures. En voor de daaropvolgende single zou ik kiezen voor “Commuters Unite!” dat alweer een uitstekend muzikaal arrangement laat horen. Producer van deze mooie cd is John Morand, die zijn sporen verdiend heeft bij o.a. Cracker en Sparklehorse. Een pepermuntje tegen de slechte ademgeurtjes kan zeker nooit kwaad, maar voor de rest mag Mint me steeds frontaal in de neus zingen. Als - zoals tijdens hun optreden in 2006 in het paleis te Laken zelfs onze koningin Fabiola niet meer stil kan blijven staan op hun muziek - zal weldra ook al gauw gaan blijken dat het Limburgse “Hinterland” te klein is geworden voor deze vijf getalenteerde jongens uit Belgenland.
(valsam)

Concerdata
16.02.2008 : Petrol Antwerpen
28.02.2008 : AB Brussel (support Air Traffic)
29.02.2008 : GC Brecht
01.03.2008 : CD Belgica Dendermonde
14.03.2008 : CC Ter Dilft Bornem
15.03.2008 : JC Ronse
03.04.2008 : Noorderlicht Hamont
11.04.2008 : Lo-Rock Kessel-Lo
19.04.2008 : Nijdrop Opwijk
01.05.2008 : Playfestival Hasselt


 

 

 

 

BLUES AND ROOTS AUSTRALIA 2008
B.A.R. VOL 5
Website - E-mail

 

 

De Australische promotiewebsite "www.bluesandrootspromotions.com" die zich inzet voor de wereldwijde promotie van de belangrijkste blues en rootsartiesten in Australie stuurde ons hun vijfde deel van de reeks die zij speciaal voor dit doel uitbrachten. Een aantal artiesten die op het vorige deel ook vertegenwoordigd waren staan ook op dit vijfde deel. Zo begint de cd met "The Others" een band die we ook van vorige delen al kennen, deze keer met de openingstrack uit hun "Devil Made Me Do It ", een energieke boogie "No Time To Kill". The Others zouden we wel de Australische Dr. Feelgood kunnen noemen, want hun stijl leunt sterk aan bij deze Angelsaksische band, net als wat vroeger the Inmates en the Hamsters ons brachten. Andy Cowan staat zoals steeds ook weer voor kwaliteit, zijn "Everybody Wants To Be Somebody Else" is een wat jazzy song met big band allures, en zijn gruizige late nite voice contrasteert mooi met de blazers, terwijl zijn piano de nodige accenten legt. Andrea Marr dan, die met de soulvolle slow blues "If I Didn't Love You" een nummer dat als gegoten is voor haar stem, terwijl de band met soepel gitaarwerk en een sfeerbrengende hammond B3 voor de passende omlijsting zorgt. "Mississippi Shakedown" is er zoals steeds ook weer, hun beide cd's zijn hier ook uitgebreid besproken, voor wie ze ondanks dat nog niet moest kennen: Slidegitaar op het scherp van de snede, Elmore meets Hounddog meets Status Quo. Dan de eerste verrassing op deze verzamelaar, Jaimi Faulkner, ik kende hem tot mijn grote verwondering nog niet, maar naar wat info zoeken en naar een paar songs luisteren levert op dat deze jongeman uit Melbourne komt en slide, lapsteel en dobro speelt en zingt. Laat me je dadelijk vertellen dat hij beide uitmuntend doet, een stem en stijl die soms herinnert aan Jonny Lang (op de songs die ik kon beluisteren toch) en daarenboven is hij een meester op gitaar, hoofdzakelijk lap steel en dobro. Hij heeft ondertussen twee cd's en als we kunnen gaan we die binnen enkele weken bespreken, want wat ik er van hoorde klinkt hemels. Hij was reeds in Belgie merkte ik (Crossroads Antwerpen), helaas gemist! Wist ik toen maar wat ik nu weet. Hopelijk zien we hem nog eens terug. Ook Micheal Charles is een onbekende voor mij: zijn "The Tune" is een nummer uit zijn nieuwe cd "I'm Nobody's Fool" zijn 21ste uit zijn rijk gevulde carrière. Hij is een uitstekende gitarist/zanger. De laatste 18 jaar heeft deze Austalier in Amerika gewoond. Maar met deze cd heeft hij zijn banden met het moederland terug aangehaald door de Australische producer Greg Williams terug binnen te halen. "Battered and Bruised" van Men In Blues is een knap staaltje van moderne funky blues, dit is fusion blues anno 2008, roots with a bluesgroove, blunk. Pugsley Buzzard daarna, nog een illustere onbekende, ook voor de meesten onder U vrees ik. Zijn boogie en barrelhose stijl in combinatie met een grintstem. Zijn "Hammer These Thongs" herinnert aan pianisten als Dr John en Professor Longhair. Nick Charles, een gitarist die zowat 't Australische equivalent is van zijn gitaargeluid is even apart en volgens mij nauw verwant aan Amos op muzikaal gebied. Een heerlijk vooroorlogs klinkende nostalgisch bluesgeluid wat deze master of the fingerpickin style ons laat horen. De Detonators met "She Don't Need Me" hoeven we ook niet meer voor te stellen, ik besprak hun cd onlangs, beresterk nummer van deze top-band. On The Level met "Bottom Of The Bottle" is simpele maar effectieve rockin' boogie, een band die waarschijnlijk live erg sterk zal zijn, maar op plaat niet zozeer overtuigd. Jillian Jake, de dame achter dit hele blues en roots promotieproject, heeft zelf ook de gitaar ter hand genomen en een cd gemaakt "Jilian Jake & Then" en als debuut mag dat er best zijn. Het nummer "I've Changed My Mind" met de pianist van Dave Hole, Bob Patient en Kim McKutcheon op gitaar is een mooie bluesy ballad. Nog iets meer power in die stem, Jillian en je kan tussen de groten plaatsnemen. Andy Cowan bewijst met zijn tweede song op deze cd dat hij al lang bij die groten hoort, in dat grensbied tussen blues jazz en roots is hij een meester. "Train I'm On" is meesterlijk en zonder meer de beste song op deze cd. Juzzie Smith, een man die voor mij de verrassing was van de vorige verzamelaar, en wiens cd ik toen ook uitvoerig besprak, kennen we natuurlijk ondertussen, zijn one man band slidewerk is fenomenaal. Nog net voor het einde, een laatste ontdekking : Danny Burton die met de titelsong uit zijn "Take A Step Back" nog voor een extra hoogtepunt zorgt hier. Een knappe bluesy rootssong met uitstekend sfeervol gitaarwerk is dit. Afsluiter Karl Brodie is geen nieuwkomer meer voor ons, zijn twee vorige cd's werden hier reeds besproken en de kwaliteit waarvoor hij garant staat is ook hier weer volop aanwezig. In "Sleepy head" uit One Million Emeralds, zijn laatste full cd bewijst deze Schotse inwijkeling dat hij één van de belangrijke singer songwriters van Australië is, die dan ook verdiend 't podium mocht delen met Patty Griffin tijdens haar Austalische tour. We zijn weer helemaal update wat betreft het Aussi blues en roots gebeuren dank zij B.A.R. en hebben toch weer een aantal nieuwe namen voor jullie ontdekt, waarover binnenkort waarschijnlijk meer. Stay tuned!
(RON)