ARCHIEF

OKTOBER 2007 - NOVEMBER 2007 - DECEMBER 2007 - JANUARI 2008

FEBRUARI 2008 - MAART 2008 - APRIL 2008 - MEI 2008


 

SOLOMON BURKE - LIKE A FIRE

LITTLE FEAT - JOIN THE BAND

ELIZA GILKYSON - BEAUTIFUL WORLD

THE DETONATORS - LIVE AT THE EAST

BLUES CARAVAN 2008 - GUITARS & FEATHERS

JAY BOY ADAMS - THE SHOE BOX

SCOTT AINSLIE - THUNDER’S MOUTH

 


 

 

SOLOMON BURKE
LIKE A FIRE
Label: Shout! Factory
Distr.: Bertus

 

 

BIO
Solomon Burke (Philadelphia, Pennsylvania, 21 mei 1940) is een Amerikaans soulzanger. Hij is een van de muzikanten die begin jaren zestig aan de wieg stond van de soulmuziek. Alhoewel hij nooit grote pophits heeft gehad, zijn een aantal van zijn nummers uitgegroeid tot klassiekers, die meerdere malen zijn uitgevoerd door andere artiesten. "Everybody Needs Somebody to Love") is hiervan waarschijnlijk de bekendste. Burkes wortels liggen in de gospel. Hij zingt in een kerkkoor, preekt op jonge leeftijd al in zijn kerk in Philadelphia en presenteert een gospelprogramma op de radio. Tussen 1954 en 1958 neemt hij enkele gospelnummers op voor het label Apollo. In 1960 wordt hij ontdekt door producer Jerry Wexler en tekent hij een contract bij Atlantic Records. Zijn eerste singles zijn covers van countryliedjes als "Just Out of Reach". Door gospel te mengen met de toen populaire muziekstijl R&B legt hij de basis voor soulmuziek. Hij heeft in de jaren zestig wel enkele grote R&B-hits, maar weet niet door te breken tot het grotere poppubliek, wat andere soulzangers (Aretha Franklin, Otis Redding, Sam Cooke) wel lukt. Enkele R&B-hits uit die tijd zijn onder andere "Cry To Me", "If You Need Me", "Got To Get You Off My Mind" en "Tonight's The Night". "Everybody Needs Somebody to Love" uit 1964 is mogelijk zijn bekendste nummer: het wordt datzelfde jaar nog gecoverd door de Rolling Stones op een van hun eerste albums, en krijgt ook bekendheid in de versies van Wilson Pickett en the Blues Brothers. In '64 wordt hij ook door een diskjockey uitgeroepen tot de "King of Rock and Soul", een titel die hij nog steeds met trots draagt. In 1969 scoort hij zijn grootste hit met een cover van "Proud Mary" van Creedence Clearwater Revival. Eind jaren zestig verlaat Burke Atlantic. In de jaren zeventig, tachtig en negentig brengt hij onregelmatig muziekalbums uit. Deze albums worden echter enkel goed ontvangen bij enkele muziekliefhebbers, en niet bij het grote publiek. Regelmatig geeft hij dan ook in deze tijd aan de muziekindustrie vaarwel te zeggen. Wel heeft hij in 1986 een kleine hit met "A Change is Gonna Come", oorspronkelijk van Sam Cooke. Dit nummer wordt ook in Nederland een kleine hit. Ook is hij te zien in de film The Big Easy uit 1987. In 2002 maakt Solomon Burke een comeback mee. Andy Kaulkin, de eigenaar van Fat Possum Records, haalt hem over om een album op te nemen met nummers geschreven door enkele bewonderaars. Met het resulterende album Don't Give Up On Me, weet hij een nieuw publiek te bereiken. Enkele van de artiesten die een nummer hebben geschreven voor het album zijn Bob Dylan, Elvis Costello, Tom Waits, Van Morrison, Nick Lowe, Brian Wilson en Dan Penn. Het album is geproduceerd door Joe Henrey. Don't Give Up On Me wint een Grammy Award voor beste bluesalbum en wordt door verscheidene muziektijdschriften (onder andere Mojo, OOR, Rolling Stone) beschouwd als een van de beste albums van het jaar. In 2003 treedt Burke op op zowel Pinkpop als North Sea Jazz en neemt hij het nummer "Catch Up To My Step" op met Junkie XL, en in 2004 volgt het duet "Devil in me", met de Italiaanse zanger Zucchero op diens duetalbum "ZU & Co". Solomon Burke staat aan het hoofd van een zeer grote familie. In 2002 had hij 21 kinderen, 64 kleinkinderen en 8 achterkleinkinderen. Behalve zanger is hij ook werkzaam als predikant en is hij eigenaar van onder andere een eigen kerk en een keten van begrafenisondernemingen.

LIKE A FIRE
In 2002 had hij 21 kinderen, 64 kleinkinderen en 8 achterkleinkinderen en nu zes jaar later... Joost mag het weten! Maar wat we wel weten is dat zes jaar na zijn uiterst succesvolle met een Grammy beloonde comeback-album "Don’t Give Up On Me" (2002), een ingetogen werkstuk waarop hij flonkert in bezonken vertolkingen van nummers die onder meer Van Morrison, Tom Waits, Bob Dylan en Brian Wilson voor hem schreven, en drie jaar na de door Don Was geproduceerde "Make Do With What You Got" (2005), waarin Burke vooral stevige nummers uit de beschikbare liedjescatalogi griste, en na zijn country avontuur met het succesvolle "Nashville" album in 2006, houdt de King of Rock and Soul het nu stripped down en laidback. Hetgeen hij nu ons presenteert op zijn nieuwste plaat, het pas verschenen "Like A Fire", en dit een goeie maand voor zijn optreden tijdens het Blues Peer festival. Aretha Franklin, Sam Cooke, James Brown, ze leerden net als Burke het metier in de kerk. De kunst om met ongekunstelde rauwe zang je ziel te raken. En bij het beluisteren van deze plaat zijn we er zeker van dat hij ook in Peer de sterren van de hemel gaat zingen. "Like A Fire", uitgebracht op het Shout! Factory label (Bertus) is geproduceerd door Grammy-winnende meester drummer Steve Jordan (producer van o.a. Bob Dylan, Keith Richards, Stevie Wonder, John Mayer) en bevat songs speciaal geschreven voor het album door een all-star team van songwriters waaronder Eric Clapton, Ben Harper, Jesse Harris, en Keb ‘Mo’. De charismatische zanger vertolkt (semi-) akoestische songs van deze hedendaagse songschrijvers, liedjes waarin Solomon reflecteert over het leven en de huidige staat van de wereld, alsof voor hem de tijd voor rust en bezinning is aangekomen. In zijn eigen woorden: "Songs that take a message directly to your heart". De openende titeltrack werd geschreven door Eric Clapton, "We Don’t Need It" komt uit de pen van Keb Mo’, die zelf ook meezingt en akoestische gitaar speelt op deze song, en twee nummers "What Makes Me Think I Was Right" en "You And Me" werden geschreven door Jesse Harris, die ook akoestische gitaar speelt in beide nummers. Het vlammende "A Minute To Rest And A Second To Prey" van Ben Harper krijgt een gloedvolle uitvoering. De begeleidingsband bestaat louter uit topmuzikanten: gitarist Danny Kortchmar, bassist Larry Taylor en natuurlijk drummer Steve Jordan, zij zorgen in elk nummer voor de juiste stemming. Het door deze laatste geschreven ironische "Ain’t That Something" wordt lekker los gespeeld. Centraal in elk nummer staat de stem van de meester, die ook nu weer telkens de juiste toon raakt. Het laatste nummer is het enige nummer wat al eerder is verschenen. "If I Give My Heart To You" is namelijk geschreven door Jimmy Brewster, Jimmie Crane en Al Jacobs, en was een grote hit voor Doris Day in 1954. Slechts begeleid door piano en drums geeft Solomon er een intieme, persoonlijke draai aan waardoor het nummer een prachtige uitvoering krijgt. Solomon Burke is aan een artistieke opleving begonnen met zijn comeback album "Don’t Give Up On Me", speelde zelfs al een jaar later in Peer (2003), en dat deze opleving nog steeds aanhoudt getuige dit nieuwe project, "Like A Fire", een emotioneel en prachtig gezongen album van grote klasse! Niet overtuigd, kom dan zondag 13 juli naar Peer want Solomon Burke & band zullen zeker en vast voor een stomende soulvolle show zorgen ... zorg dat jij er bij bent! Niet te missen!


Tracks:
1. Like A Fire (Eric Clapton)
2. We Don’t Need It (Keb’ Mo’)
3. The Fall (Steve Jordan/Danny Kortchmar/Meegan Voss)
4. A Minute To Rest And A Second To Pray—Featuring Ben Harper (Ben Harper)
5. Ain’t That Something (Steve Jordan)
6. What Makes Me Think I Was Right (Jesse Harris)
7. Understanding (Steve Jordan/Meegan Voss)
8. You And Me (Jesse Harris)
9. Thank You (Eric Clapton/Solomon Burke)
10. If I Give My Heart To You (Jimmy Brewster/Jimmie Crane/Al Jacobs)


DISCOGRAPHY
Solomon Burke (62)
If you need me (63)
Rock’n’soul (64)
King Solomon (67)
I wish I knew (68)
Proud Mary (69)
Back to my roots (76)
Sidewalks, fences & walls (79)
Take me shake me (83)
Soul alive (85)
A change is gonna come (86)
Soul of the blues (93)
Live at the House of Blues (94)
The definition of soul (96)
The Very Best of Solomon Burke (98)
Don’t give up on me (02)
Make do what you got (05)
Nashville (06)
Like a fire (08)

 


 

 

 

 

 

LITTLE FEAT
JOIN THE BAND (ADVANCED)
Website
VIDEO1 VIDEO 2 VIDEO 3

 

Okee, toegegeven, we komen er extra vroeg mee, want hij zal pas verkrijgbaar zijn op 28 augustus, deze nieuwe van Little Feat, maar voor Rootstime gaan wel eens deuren open die voor anderen gesloten blijven. En omdat ze toch naar Peer komen wilden we onze lezers wel wat extra info bieden. Zodoende dus deze avant-avant première van "Join The Band" zoals de nog te verschijnen Little Feat cd gaat heten. Voor deze nieuwe plaat kozen Paul Barrere en zijn maats voor een ietwat speciale benadering. Ze nodigden een aantal bekende vrienden (vooral country artiesten) uit voor re-makes van hun bekende nummers, waarop deze gasten dan een prominente rol krijgen. "Join The Band" dus, letterlijk. Die titel zal de echte fans van het eerste uur, waar ondergetekende zich zeker mag bij rekenen, waarschijnlijk bekend in de oren klinken, want wie "Waitin’ For Columbus" hun vroegere dubbele live cd opzet, hoort de groep a-cappela achter de coulissen de stem opwarmen met "Join The Band" waarna ze op het podium komen, verder zingen, hun instrumenten beetpakken en het eerste nummer inzetten. Hier opent de cd met een uiterst mooie "up to date" versie van "Fat Man In The Bath Tub" met als special guest niemand minder dan mijn favoriete gitarist Sonny Landreth. Het hoeft geen verdere uitleg dat dit prachtige nummer dat Lowell George (over zichzelf) schreef, noch een extra troef erbij krijgt door die magistrale slidegeluiden die Sonny er bovenop strooit. Maar er is meer, de guestvocals zijn van niemand minder dan Dave Matthews. Goed begonnen is half gewonnen, maar er volgt meer lekkers, want wie dacht dat Bob Seger ondertussen zijn gouden stembanden aan de wilgen had gehangen, heeft het mis. Bob is still alive and kickin’, getuige zijn versie van "Something In The Water". Pure rock ‘n’ roll alsof de tijd is blijven stil staan voor Bob, zo jong en fris klinkt dit. Dan is ‘t tijd voor het echte hoogtepunt van deze schijf, "Sailing Shoes". Een pracht van een song, nog steeds zoveel jaren na datum, maar wat er hier van gemaakt is, is zuiver goud, samen met Emmylou Harris brengt zangeres Shaun Murphy, de intro in het normale tempo, waarna de song in een hogere versnelling schakelt en een bluegrass behandeling krijgt. Super…. Nog zo'n monument van een song "Time Loves A Hero" krijgt extra Jimmy Buffett als gast, en een licht calypsosfeertje. Alsof het allemaal niet op kan, is er daarna "Dixie Chicken", waar Vince Gill en nogmaals Sonny Landreth bijspringen. "Willin", zowat mijn favoriete song aller tijden, en reeds vele malen gecoverd, mocht natuurlijk zeker niet ontbreken, met country duo Brooks & Dunn, die er ondanks mijn vrees, een uitstekende versie van brengen. "Champion Of The World", met opnieuw Jimmy Buffett. Het ingetogen "Trouble", met de dochter van Lowell George, Inara en enkel Bill Payne op piano, ze zijn er allemaal, steeds voorzien van grote "vrienden" als gast. Maar ook enkele songs van anderen krijgen diezelfde behandeling, zo is er een knappe versie van "This Land Is Your Land" van Woody Guthrie, helemaal van "Feat" attributen voorzien, en de ijzersterke Bill Haley rocker "See You Later Alligator", mooi omgevormd tot een stomende shuffle, met hulp van Jim Mayer, je kunt je zo de dansende "gators" in de swamps voor de geest halen bij dit aanstekelijk ritme. "Join The Band" nemen de heren zelf ook letterlijk, als ze "The Weight", op zichzelf al een ontzettend mooie song, nog eens oppoetsen, samen met Mike Utley, Tony Joe White’s rechterhand en banjo wonder Bela Fleck. Na dit gehoord te hebben, begin ik nu al af te tellen naar 13 juli. Spijtig genoeg zullen deze "gasten" er niet bij zijn, maar Little Feat zien, "pur sang" is voor mij al voldoende om de zomer van 2008 op één dag goed te maken, al regent het nog weken oude wijven. Hou onze interview rubriek in het oog, want als alles goed gaat zit er ook nog een gesprekje met Paul Barrere tijdens het festival aan te komen. Tot dan!
(RON)

 


 

 

ELIZA GILKYSON
BEAUTIFUL WORLD
Website Myspace
Booking: Joanna Serraris / Musemix
Label :Red House Records
Distr.: Music&Words

 

 

Sommige muzikanten debuteren met een meesterwerk dat zij in het vervolg ondanks verwoede pogingen nooit meer weten te evenaren, laat staan overtreffen. Anderen geven bij hun eerste platen al wat van hun talent prijs, maar hebben tijd nodig hun talent te laten groeien en rijpen. Eliza Gilkyson is zo’n groeibriljant. Gilkyson maakte haar eerste LP'jes reeds aan het eind van de jaren zestig. Als dochter van de bekende Amerikaanse folkzanger Terry Gilkyson werd de muziek haar met de paplepel ingegoten. Het in 1987 op het Gold Castle label verschenen album "Pilgrim" maakte haar tot een lieveling van het new-age publiek en daarom voor anderen tot een non-item. Ongemerkt gingen dan ook "Through A Looking Glass" uit 1994, "Redemption Road" uit 1997 en "Misfits" uit 1999 aan het grote publiek voorbij. Tot ze een contract tekende bij Red House Records, want was "Hard Times In Babylon" uit 2000 al een plaat om te koesteren, haar volgende platen bij dit label maakten nog meer indruk. Dan denken we meteen aan "Lost And Found" (2002), "Land Of Milk And Honey" (2004) en "Paradise Hotel" (2005), platen waarin ze in al die jaren verschillende muzikale terreinen heeft verkend, maar ook platen waarmee haar naam defenitief in kringen van Americana-liefhebbers had gevestigd. In hoog tempo maakt deze singer/songwriter platen met eigen songs en dat is ook de reden voor een live-album "Your Town Tonight", dat het licht vorig jaar zag. Denkende aan het Blue Highways Festival waar ze te gast was in 2005, weten we dat haar optredens een eigen, unieke sfeer ademen, een sfeer die ze op deze liveplaat feilloos weet op te roepen in onze eigen huiskamer. De zangeres pleegt haar soms zwaarmoedige liedjes te larderen met geestige anekdotes en hiermee brengt zij balans in haar optredens. Ook de nieuwe cd "Beautiful World" stelt gelukkig geen moment teleur. Aan het concept is nagenoeg niets veranderd. Gilkyson bestrijkt nog altijd het hele terrein van de Americana en blijkt wederom een uitstekend songwriter, ze heeft ook niet voor niets een aantal Grammy-nominaties op zak. Het mysterie van het schrijven van een goed liedje is voor Eliza geen geheim meer. In haar eigen leven heeft, en doet ze nog altijd, genoeg ervaring op in het relationele vlak om uit te putten en weet haar gevoelens dan ook op een bijzondere wijze naar de luisteraar over te brengen. Op "Beautiful World" etaleert Eliza niet alleen een breed palet aan emoties, maar weet die nog fraaier dan op vorige albums muzikaal vorm te geven. Het nieuwe album telt elf nieuwe pennevruchten met een gastenrol voor o.a Julie Wolf (Hammond, keyboards, accordeon), Cindy Cashdollar (pedal steel), David Grissom (gitaar), Robert McEntee (gitaar), Glen Fukunaga (bas), Robbie Gjersoe (slide gitaar) en zelfs Eliza's broer Tony op gitaar. Bijgestaan door deze fantastische muzikanten maakt Eliza uitstapjes naar rock ("The Party's Over", "Dream Lover" en "Runaway Train"), jazz ("Unsustainable") en folk ("Wildewood Spring"). Sommige songs zijn spaarzaam gearrangeerd en andere hebben dan weer een wat rijker geluid, waarbij de uitschieters het pure liefdesliedje "He Waits For Me" en de met Muscle Shoals-blazers versierde opener "Emerald Street" zijn. "Beautiful World" biedt daarbij zo een grote variatie in klank, stemming en thematiek, songs waarin ze haar bezorgdheid over de toestand van haar land en de wereld uit. Het onderliggende gevoel is er namelijk van hoop, van verwondering over al het moois dat er ondanks de ellende in de wereld te vinden is. Met "Beautiful World" bewijst Gilkyson zich als één van de betere tekstdichters van dit moment, weinigen evenaren de subtiliteit en dubbele bodems die zij in haar liedjes stopt. Gilkyson laat gewoon zien dat ze bruist van zelfvertrouwen en dat ze met deze schijf in een productie van Mark Hallman, één van haar beste platen heeft gemaakt. Iedereen die nog niets van deze bijzondere singer-songwriter in huis heeft moet zeker eens naar deze cd luisteren.


 

 

 

THE DETONATORS
LIVE AT THE EAST
Website Myspace Contact
Label:Black Market Music

 

The Detonators, het Australische antwoord op the Fabulous Thunderbirds, die drie jaar geleden nog voor een dik uur pure roots rockin' blues zorgden op het Belgium Rhythm & Blues Festival in Peer hebben ons nog eens een staaltje van hun kunnen bezorgd in de vorm van hun nieuwe live cd "Live at the East". De albums "Blow It Up" ('97), "Everybody Stay Calm" ('99), "Bombshell" ('03) en "Top Night Out" (07) die voorafgingen hadden ons reeds overtuigd van hun kunnen als high energy blues-act, maar deze live registratie toont dat ze het op het podium eveneens allemaal waar kunnen maken. Het "East Brunswick" Motel in Melbourne was de plaats waar ze deze gig inblikten, en dat de "Detonators" datgene deden waar hun naam voor staat, namelijk het vuur aan de lont steken, zullen we geweten hebben. Bandleden "Rockbottom" James Maloney op zang en gitaar, tweede gitarist Paulie "the Kid" Bignell, bassist "Doghouse" Dave Philpots en drummer Eddie Fury. De beste hapjes uit hun repertoire, waaronder natuurlijk "Off My Chops", "All Of Me", "Second In Charge" en "Time Machine" aangevuld met wat covers, zoals Jay Miller's "Sugar Coated Love", ook terug de vinden op de debuutcd van The Thunderbirds en Ike Turners lijflied en song die de rock 'n' roll trein op de sporen zette "Rocket 88". De opnames dateren van dezelfde week als zijn overlijden, dus een gepast eerbetoon. Onnodig te vermelden dat dit concert ons de perfecte mix van blues en rock brengt, herinnerend aan zoals ik al zei, Fabulous Thunderbirds, maar ook wat good old Dr. Feelgood, Lee Brilleaux zal glimlachend van daarboven toekijken, samen met Kim Wilson hier beneden. Up There, down here, of Down Under, who cares, als we maar leut hebben, en die heb je, met deze "Live At The East".
(RON)


 

BLUES CARAVAN
Candye Kane, Deborah Coleman, Dani Wilde
GUITARS & FEATHERS
Label: Ruf records
Distr.: Munich Records
VIDEO

 

Deze muzikale sleurhut gooide de ankers al uit tijdens de grote bluesfestivals van Parijs, Londen en Berlijn, maar stonden ook op het programma van de Bluesnight in Zingem op 1 februari van dit jaar waar we toen niet alleen een denderende show meemaakten maar ook na hun optreden een aangenaam gesprek hadden met de drie 'frontmadammen' die deel uitmaakten van deze editie: Candye Kane, Deborah Coleman, Dani Wilde. Het Duitse Ruf Records organiseert nu alweer drie jaar de Blues Caravan. Een uitgebreid tourgezelschap met als topper enkele acts uit de Ruf stal. Tijdens deze editie die in januari jl. van start ging was Candye Kane, die we best kennen om haar flamboyante stijl en krachtige stem, van de partij. Het motto van de nieuwste editie is afgeleid van Candye’s uitstekende laatste cd, "Guitar'd and Feathered". Door ziekte moest Candye de tour onderbreken en werd ze vervangen door de Canadese Shakura S’Aida, waarvan we ook getuige waren tijdens de Nacht van de Blues in Wuustwezel (30 april). Candye Kane is zowel het voorkomen als het stemgeluid imposant, en ze figureert dan ook prominent op deze live cd, opgenomen aan het begin van de tournee op 27 januari in Bonn. Ze wordt die avond geflankeerd door gitariste Deborah Coleman, die vorig jaar aan boord kwam en nummer drie is bluesvamp Dani Wilde, die zingt en gitaar speelt alsof ze er voor haar geboorte mee begonnen is en John Lee Hooker en Buddy Guy tot haar favorieten rekent. Deborah Coleman is gezegend met een zeer soulvol stemgeluid, maar de grootste verrassing is echter de jongste deelnemer, zangeres/gitariste Dani Wilde. Dit Britse talent heeft een fantastische stem, met een energie en een passie die je niet zou verwachten van een meisje van begin twintig. Een regelrechte blues sensatie. Twee zangeressen die dus nauwelijks voor Candye onderdoen. De opener "Won't Leave" is een nummer van Ray Charles gebracht in de complete bezetting en daarna is het aan Dani Wilde om haar kunsten te tonen. Dani die qua uiterlijk in het hippie tijdperk paste, speelt uitsluitend werk van haar debuut CD "Heal My Blues". Ze plukt aan de snaren van haar gitaar alsof ze bas speelt, maar dit is een ruw diamantje, die tot een zeer populair juweeltje kan uitgroeien. Dan is het de beurt aan Candye Kane, een vrouw die van vele markten thuis is en opent met "You Need A Great Big Woman" en eindigt met "Toughest Girl Alive", twee songs die echt op haar lijf geschreven zijn. Daartussen horen we "My Country Man" en "Crazy Little Thing", songs uit haar recentelijke CD, "Guitar'd and Feathered". Vervolgens is het de beurt aan Deborah Coleman. Deze zwarte parel heeft elf Blues Music Awards (W.C. Handy) nominaties op haar palmares en acht CD’s op haar naam plus de Blues Caravan CD "Time Bomb" van vorig jaar. Ze speelt een doorsnee van haar repertoire ("Fight" en "Jesus Just Left Chicago"), inclusief werk van haar recente CD "Stop The Game" ("I Got To Know"). Top gitaarwerk en prima zang, waarbij het spelplezier en de interactie met de band voor het nodige vuurwerk zorgt. Vermeldingswaard is zeker ook de bezetting, waarin de uitstekende gitariste Laura Chavez en de Nederlandse Govert van der Kolm (hammond en piano), vakkundig ondersteund worden door Mike Griot (bas) en Denis Palatin (drums). Voor de finale komen de drie dames opdraven en zetten in met het gospel getinte "Somethings Got A Hold On Me", gevolgd door Dixon's klassieker "Whole Lotta Love", hier natuurlijk beter bekend in de versie van Led Zeppelin. Maar steeds met de uitblinkende Dani Wilde die even laat horen dat we ook in de blues te maken hebben met serieuze 'girl power'. In 2007 kreeg Ruf Records een erkenning van de Blues Foundation door het uitreiken van een "Keeping The Blues Alive" award. Het programma van de Blues Caravan Tour 2008 bewijst opnieuw dat deze muziek verder leeft en is dan ook zonder meer een aanrader voor elke rechtgeaarde bluesliefhebber.


 

 

JAY BOY ADAMS
THE SHOE BOX
Website Myspace Contact
Label: Eigen beheer
VIDEO 1 VIDEO 2

 

 

Momenteel draait er in mijn cd speler een schijfje rondjes waarvan ik bij elke nieuwe song meer een meer aangenaam verrast ben. Jay Boy Adams was precies het lang verborgen geheim van Lubbock Texas, de stad die ons Joe Ely, Butch Hancock, Terry Allen en Jimmy Dale Gilmore bracht, en in langer vervlogen dagen onder meer Buddy Holly en Waylon Jennings. Momenteel woont Jay Boy nog steeds in Texas, maar dan in de heuvels van Comfort. In de jaren zeventig was Jay Boy al aktief en bracht twee lp's uit op het bekende Atlantic label, onder de vleugels van Bill Ham, die onder meer manager was van Z.Z. Top en Clint Black (zeer gezochte zeldzame collector's item's ondertussen). Hij tourde gedurend lange tijd als voorprogramma voor onder meer deze twee en werd een onafscheidelijke vriend van Billy Gibbons. Ook voor de Allman Bothers, en met andere top acts deed hij tours. Daarna kreeg Jay Boy een burn-out en werd het wat stiller rond Jay Boy Adams. Hij had een verhuurbedrijf voor tourbussen, maar hij bleef muziek maken, alleen wat minder in de spotlights. Nu komt hij echter wel terug in die spotlights met deze "Shoe Box" - geproduced door Monty Byrom (producer van het erg onderschatte Big House) en hemzelf - en met tien eigen songs, een cover van Jesse Winchester en een fantastische versie van de gospel klassieker "John The Revelator". Reden voor deze terugkeer is vooral Lee Roy Parnell, die Jay Boy's talent terug wil onder de aandacht brengen, iets wat wij alleen maar kunnen bejubelen, want dit is echte prachtige rootsmuziek. Jay Boy was ook na de dood van Doug Sahm degene die hem "verving" tijdens een toer van de Texas Tornados. Op deze "The Shoe Box" deed natuurlijk ook Lee Roy Parnell mee als gast, maar eveneens Jack Ingram, Marty Stuart en Ray Benson (Asleep At The Wheel). De cd staat vol met modern klinkende zuiderse country rock, zoals we die gewoon zijn van Delbert Mc Clinton, Lee Roy Parnell en soms ook wat The Eagles. Vooral het puike gitaarwerk van zowel Jay Boy en Lee Roy zijn een extra pluspunt bij de mooie sterke composities. Het resultaat is een prachtplaat geworden met als hoogtepunten "Waitin On Five O'Clock" een nummer met gitaarbijdragen en backingvocals van Lee Roy Parnell, "Water For My Horses" (die slide van J. B.) en het meer ingetogen Americana juweeltje "For Home". Geen zwake songs eigenlijk op deze "Shoe Box" die wel reeds vorig jaar in de States verscheen, we ontvingen hem wat later maar we zijn er vandaag nog even blij mee, want dit is tijdloos mooi vakmanschap.
(RON)


 

 

 

SCOTT AINSLIE
THUNDER’S MOUTH
Website Contact

 

 

De song ‘Down In Mississippi’ van J.B. Lenoir doorstaat nog steeds de tand des tijds en de eeuwen. Wanneer Scott Ainslie dit zingt weet hij dezelfde authenticiteit te bewaren. Zijn songs op deze, nu al vijfde cd, zijn alleen wat moderner aangekleed via de aanvullende begeleiding van basgitaar, cello en accordeon. Op Son House’s ‘Grinnin’ In Your Face’ weerklinkt echter alleen een spaarzaam voetritme. Dat Ainslie beide songs kiest is niet toevallig, want deze bluesartiest en singer-songwriter verdiept zich al jaren in het materiaal dat in “The Library of Congress” opgeslagen ligt, in het bijzonder de Afro-Amerikaanse muziek door de Lomaxen bijeengebracht. Maar ook bij hedendaagse blueslegendes gaat hij te rade, zoals de legendarische Joe Thompson in Noord-Carolina, laatste beoefenaar van de Black ‘Old-time’ fiddling’, gestart bij de Black String Bands. Het gospelachtige ‘Oil in My Vessel’ is daarvan het resultaat. Bovendien verdiepte Scott zich in de Afrikaanse muziektradities, was hij te vinden op de jaarlijkse ‘Banjo Gathering’ bijeenkomst, ter ere van de banjo, en vatte hij zijn kennis over Robert Johnson’s songs samen in het in 1992 uitgegeven boek ‘Robert Johnson/At The Crossroads’, gevolgd door een instructieboekje over diens gitaartechniek in 1997. Met dergelijke muzikale kennis en verworvenheden mag je ook zelf je eigen verruimde blues op muziek zetten. Dat doet Scott in een viertal songs, waarin hij diezelfde mood weet op te wekken die de Afro-Amerikanen destijds ook aanzette hun gitaar op te pakken. Het melancholische ‘It’s Gonna Rain’ zong hij nog vóórdat de Katrina orkaan grote delen van New Orleans verwoestte, a.h.w. intuïtief de rampspoed aanvoelend. En in ‘Thunder’s Mouth’ geeft hij op weergaloze wijze de desperate gevoelssfeer weer waarmee familieleden naar elkaar op zoek gaan nadat zij door het noodlot van elkaar werden gescheiden. Hij verbindt daarbij de periode na de Burgeroorlog, toen vrijgelaten slaven op zoek gingen naar hun verloren geliefden, met de naweeën vlak achter de 9/11 ramp om eraan te herinneren dat de hoop om elkaar ooit terug te vinden voor iedereen geldt. Ainslie weet inventief om te gaan met andermans materiaal. Zowel met een cover van de eigentijdse Tom Waits als met de sound van Afrikaanse ritmes. Zo verstrengelt hij Amerikaans met Afrikaans op ‘If Anybody Asks About Me’, waar hij gebruik maakt van de ‘black’ banjo. T-Bone Wolk valt in met accordeon, terwijl deze gerenommeerde multi-instrumentalist/producer ook als contrabassist verder bijdraagt tot de geluidsrijkdom. Cellist Eugene Friesen en gitarist Sam Broussard, ook al vermaard en productief, werkten eveneens mee aan dit album, dat opgenomen werd in Will Ackerman’s Imaginary Road Studio in het zuidelijk Vermont. Bij elk verschijnen van een nieuw album lijkt Scott Ainslie zich dieper in te graven in de bluesnalatenschap van Afro-Amerikaanse bluesgitaristen, zodat hij a.h.w. met hen versmelt. Het mooiste bewaar ik tot het laatst, want op het melancholische calypsoachtige ‘I Should Get Over This’, komen die zgn. tegenstrijdige ritmes perfect samen, zodat ‘Gurian’ gitaar en cello een muzikaal huwelijk aangaan waarbij de sound van oude veldopnames, klassiek en reggaeritmes zich harmonisch verzoenen. ‘Who Could Ask For More’, zoals Scott zo vriendelijk met diepwarme stem weet te zingen, een kruising van Guy Davis en Bruce Cockburn.
Marcie