ARCHIEF

OKTOBER 2007 - NOVEMBER 2007 - DECEMBER 2007

JANUARI 2008 - FEBRUARI 2008 - MAART 2008 - APRIL 2008


JUSTIN RUTLEDGE - MAN DESCENDING

GALE B. GARDINER - TIMELESS LOVE

VARIOUS ARTISTS: MAXIMUM MOJO - The Best of ELECTRO-FI RECORDS 1997 - 2007

GARY LOURIS - VAGABONDS

GRAND ISLAND - BOYS & BRUTES

MARCIA BALL - PEACE, LOVE & BBQ

JACK TEMPCHIN - SONGS

RUDY ROTTA - THE BEATLES IN BLUES

KATHLEEN HASKARD - DON'T TELL

BOOGIE WOOGIE JUMPERS - SAME


 

 

 

 

 

JUSTIN RUTLEDGE
MAN DESCENDING
Website Myspace
Label: Six Shooter Records
Distr.: Bertus

 

 

In 2004 leverden Justin Rutledge And The Junction Forty uit Toronto met "No Never Alone" één van de allermooiste platen van het jaar af. Wat Rutledge And Co. op dit debuut laten horen is namelijk van zeldzame klasse. Donkere, melancholieke alt country songs staan centraal op deze cd, een cd die vooral met "Heartbreaker" van Ryan Adams werd vergeleken, maar net zo makkelijk de vergelijking met de beste platen van Neil Young, Townes van Zandt of Gram Parsons wist te doorstaan. Vorig jaar verscheen de opvolger, "The Devil On A Bench In Stanley Park" (2007), van het zo bewierrookte debuut. En ook deze plaat staat weer vol met vaak wat weemoedige alt-country. Misschien net wat lichtvoetiger dan het erg donkere "No Never Alone", maar het blijft muziek die overloopt van melancholie. De alt.country/Americana scène is al vol verwachting over wat zijn derde album gaat brengen. En dat is veel. Want al vanaf de eerste beluistering zijn we weer diep onder de indruk. "Man Decending" verschilt nauwelijks van de voortreffelijke voorgangers, maar op deze van intimiteit en eenvoud bulkende album duikt de zingende en tekstdichtende Canadees nog net even een stukje dieper in het melancholische ballenbad, waardoor je rustig kan stellen dat dit zijn manifest is. Gemixed door Darryl Neudorf (Neko Case, New Pornographers) en gemastered door Peter Moore (Lucinda Williams, Cowboy Junkies), bewandeld Justin hier ook andere paden: Weelderig geïnstrumenteerd (gitaren, pedal steel, piano, weissenborn, harmonica, viool, cello en banjo) en aangenaam poëtisch verhaalt hij in tien intieme songs, teksten uit "Man Descending", de gelijknamige verhalenbundel van de Canadese schrijver Guy Vanderhaeghe. Door het inschakelen van een heel bataljon gastmuzikanten is de muzikale begeleiding niet alleen stemmig, maar ook zeer afwisselend. Zijn emotievolle stem doet de rest, hier en daar bijgestaan door vocalisten weet Rutledge wederom te ontroeren met het ene na het andere prachtliedje. Ik hou gewoon van hoe Justin's stem zo prachtig samen gaat met die van Nova Scotia's Catherine MacLellan in "The Wire" of de song "Greenwich Time", hier met vocale toevoeging van Jim Bryson, is dit wel het absolute hoogtepunt. Elk nummer volgt een verschillend karakter en de vragen waar die persoon mee worstelt. Zo ook in het piano gedreven "A Penny for the Band" met vocale inbreng van Ron Sexsmith. In songs als "Everyone's in Love" en het zeer emotionele "Alberta Breeze", met hier vocale backing van Hawksley Workman, staat Rutledge volop in de spotlight, maar weet op het juiste moment zich te verdringen in de achtergrond om de band de mogelijkheid te bieden deze songs op een mooi instrumentale manier te beëindigen. Al deze vocalisten gaven Rutledge de ideale backing om zijn songs, die hij nog steeds aan een literair infuus legt, van de nodige melancholie te voorzien. Songs waarin hij de rustig, maar ook de meer donkere ‘heartworn highways’ bewandelt. Mogen wij nogmaals deze unieke singer songwriter van harte bij u aanbevelen? "Man Decending" zal u niet teleurstellen. Maybe een jaarlijstplaat?


 

 

GALE B. GARDINER
TIMELESS LOVE
Contact
Label : Fortune’s Gale Records
CD-Baby


“Timeless Love” van Gale B. Gardiner uit het Amerikaanse Philadelphia is alvast een special soort cd te noemen. Ook voor Rootstime is dit eerder ongebruikelijk materiaal. Met in totaal 18 liedjes die netjes in drie categorieën werden opgedeeld: een spiritueel gedeelte, een familiaal wereldlijk deel en een romantisch blok. De meeste van de nummers die we op dit album terugvinden werden door de zangeres zelf gecomponeerd met tussendoor ook wat ruimte voor bewerkingen van traditionals en enkele coversongs zoals “Unknown Soldier” en “Can’t Help Falling In Love”. Twee derde van de liedjes zijn registraties van live-optredens waarbij Gale B. Gardiner zichzelf begeleidt op piano (voor 4 songs) of op gitaar (voor 8 liedjes). Daarnaast speelt zij ook een aria op de autoharp op 6 nummers. Dit is een niet zo conventioneel instrument in de muziekwereld met 21 snaren en een heel specifiek geluid. Het toestel wordt op de schoot geplaatst en bespeeld zoals een grote harp. Muzikaal bevinden de nummers zich in de genres gospel, blues, hedendaagse folkmuziek, Celtic en wereldmuziek. “Timeless Love” is de eerste full-cd van Gale B. Gardiner na een eerder ep-tje onder de titel “Forever & Always” uit 2001. Ik kan hier nu moeilijk gaan beweren dat ik me helemaal thuis voel in dit genre en ging daarom maar op zoek naar enkele titels die best te pruimen waren. Die vonden we o.a. bij “Never Been To Ireland”, “Glasgow Farewell”, “My Lagan Love” en “Take Me As You Leave Me”. Omwille van de herkenbaarheid en meezingbaarheid zouden we ook haar cover van de Elvis-klassieker “Can’t Help Falling In Love” opnieuw durven te spelen. Qua stem kunnen we meegeven dat ze me soms aan Kate Bush doet denken en eerder klassiek geschoold klinkt. Voor liefhebbers van het genre.
(valsam)


 

 

 

VARIOUS ARTISTS:
MAXIMUM MOJO
The Best of ELECTRO-FI RECORDS 1997 - 2007
Website: Electro-Fi Records Distr.: Parsifal

 

Sinds de jaren dertig werden in Chicago meer bluesgrootheden geproduceerd dan in eender welke andere stad in de USA. Grondleggers in de jaren dertig: Big Bill Broonzy, Memphis Minnie en Arthur Crudup. Na W.O.II kwamen er anderen: Muddy Waters, Little Walter, Howlin' Wolf. Het onafhankelijke platenlabel Chess was naast Sun Records in Memphis wellicht één van de invloedrijkste in de blues en rock 'n roll geschiedenis. Andere labels werkten met Jimmy Reed, Elmore James en Otis Rush. Chuck Berry en Bo Diddley ontketenden de gekte die rock 'n roll heette, anderen als Buddy Guy, Junior Wells en Magic Sam deden het met hun zangerskwaliteiten of door hun instrumentenbeheersing.
Electro-Fi Records is tot op vandaag een trendsetter die de blues en roots 'alive & kicking' houdt. Sinds hun beginperiode in 1996, was dit de start van een lange reeks releases die tot op vandaag blijven doorgaan: Snooky Pryor, Sam Myers, Mel Brown, Mark Hummel, Lil' Dave Thompson, Kenny "Blues Boss" Wayne e.v.a. werden ingeblikt. Wat veranderde is niet alleen de blues uit de jaren dertig en veertig, maar ook en vooral het publiek dat nu meer blank dan zwart is. Het publiek van vroeger waren harde werkers die de blues als "A way of life" zagen. De performers hadden hetzelfde meegemaakt als al die werkers die een beter leven zochten in de grote stad. Die tijden zijn voorbij, maar de blues is er nog steeds! Het label vierde vorig jaar haar 10e "verjaardag". Ter ere van deze verjaardag verscheen de compilatie: "Maximum Mojo" en het is direct een hele mooie. "The Best of ELECTRO-FI RECORDS 1997 - 2007" zijn twee cd's: blues en nog eens blues. Een prettig geprijsde update van de stand van de blues anno 2007, die ons leert dat die niets minder dan springlevend klinkt, en de keur aan eigentijdse- en oude rotten geven stuk voor stuk blijk van een levenslange alliantie met het genre. Via twee cd’s en maar liefst 32 tracks maken we kennis met de hoogtepunten uit het imposante oeuvre van dit label. Uiteraard beginnend met bluesiconen als James 'Snooky' Pryor (1921-2006) en Sam Myers (1936-2006) maar ook Chicago harp master Malcolm "Little Mack" Simmons (1933-2000) die in 1997 met het album "Little Mack is Back" als eerste zijn contract tekende bij Andrew Galloway, de grondlegger van Electro-Fi Records. Hopelijk bereikt dit label dan ook het beoogde doel: het aantrekken van nieuw winkelend publiek. Doorgewinterde bluesliefhebbers zullen "Maximum Mojo" aanschaffen vanwege de lage prijs of omdat het wel handig is om onderweg een paar cd's met veel variatie in het bakje te hebben. Kortom, ideaal voor als je van goede blues houdt maar niet weet wat je moet draaien, want na 10 jaar is het kwaliteitsniveau van Electro Fi Records nog zeer hoog, getuige dit overzicht.
Interviews met Paul Osher, Finis Tasby en Harmonica Shah andere bekende artiesten van dit label zijn terug te vinden in onze 'interviews' rubliek.


Tracks:
DISC 1

Slow Down - Snooky Pryor
I'm Tired Of Your Jive - Sam Myers
Snap - Mel Brown
Drinkin' Cheap Champagne - Enrico Crivellaro with James Harman
Me And Piney Brown - Billy Boy Arnold
Back In Love Again - Finis Tasby
Wig City - Gary Primich
Work That Stuff - Paul Oscher
Ramblin' - Miss Angel
Early In The Morning - Curley Bridges
You're So Special - Little Mack Simmons
Beepin' On Me - Mark Hummel
Out In The Cold - Lil' Dave Thompson
Driving The Backroads - Morgan Davis
Commit A Crime - Fathead
Lonesome Graveyard Blues - Harmonica Shah

DISC 2
Blackberry Wine - Kenny "Blues Boss" Wayne
Juke Joint - Paul Oscher
High Country Blues - Harrison Kennedy
Blues 2.0 - Fruteland Jackson
Big Easy (Ain't Easy No More) - Mark Hummel
Going Away Baby - Willie "Big Eyes" Smith
I'm Here To Stay - Sharrie Williams
Pinetop's Grindermann Blues - Pinetop Perkins with Snooky Pryor
Ain't That Loving You Baby - Johnny Laws
Make Love To Your Mind - Mel Brown
Cobalt - Julian Fauth
Morning Sun - Diana Braithwaite & Chris Whiteley
Blues Over Baghdad - Fruteland Jackson
Morning, Noon and Night - Chris Whiteley with Diana Braithwaite
Sweet Little Woman From Maine - Sam Myers (previously unreleased)
Work 'Till My Days Are Done - Snooky Pryor with Mel Brown


 

 

 

GARY LOURIS
VAGABONDS
Website Myspace
Label : Rykodisc
Distr.:Rough Trade http://www.roughtrade.nl/b2b/
VIDEO1 VIDEO2 VIDEO3 VIDEO4 VIDEO5

 

Gary Louris vormde met Mark Olson het gezicht van The Jayhawks - herinner u de parels "Hollywood Town Hall" (1991) en "Tomorrow the Green Grass" (1994) - maar deze band staat al jaren op non-actief. Zowel Louris als Olson maakten snel nieuwe vriendjes. Olson met zijn liefde (en inmiddels weer ex liefde) Victoria Williams, en bracht zijn eerste echte soloalbum uit, het zeer aangename "Salvation Blues". Louris daartegenover doet het op "Vagabonds" onder meer met Black Croweszanger Chris Robinson, Jenny Lewis, Susanna Hoffs (Bangles), Andy Cabic (Vetiver) en Farmer Dave (the Beachwood Sparks). Ook Gary Louris toont aan dat hij op eigen benen een bovengemiddelde songwriter is. "Vagabonds" is ingetogen, soms melancholisch en altijd bijzonder smaakvol. Het kader wordt door Louris vrij breed gehouden en het gaat zo nu en dan ook meer de popkant uit, in ieder geval meer dan op Olson’s solodebuut. Waar Olson op "Salvation Blues" vooral verhaalde over zijn loodzware afgelopen jaren en zijn nieuwe zoektocht naar geluk, zijn de teksten van Louris meer algemeen en ook meer oppervlakkig. Want Louris is minder een gekwelde songwriter, dit werd ook al duidelijk toen Olson The Jayhawks verliet en Louris het stokje overnam. Zowel qua thematiek als muziek konden The Jayhawks vanaf dan minder in de typische roots/country hoek geplaatst worden. Voor "Vagabonds" riep Louris de hulp in van reeds genoemde Chris Robinson, die in de titeltrack ook nog deel uitmaakt van een achtergrondkoortje. Dit nummer vat perfect samen waar Louris voor staat. Meeslepend, gedoseerde opbouw en toch groots, een popachtig refrein en een flinke walm van melancholie. Na de titeltrack heeft Louris nog een fantastisch slotstuk in petto, met de ingetogen nummers "D.C. Blues" en afsluiter "Meandering". Dromerig en Louris vocaal op zijn best. "Vagabonds" is echter alles behalve een sombere plaat, integendeel. De nummers zijn divers, van rocknummers, country inslag als in het reeds vernoemde "D.C. Blues", een gospel tintje in "To Die A Happy Man", tot een gedragen rockopera, "We Will Get By", en zelfs psychedelica in het nummer "I Wanna Get High". Al verloochent Louris zijn historie niet: de typerende arrangementen van The Jayhawks klinken in sommige nummers duidelijk door, misschien wel het duidelijkste in het openingsnummer "True Blue", maar is er zeker geen kopie van. Al blijven de drie eerst vermelde songs, zijnde ook de drie afsluiters, de sterkste momenten van dit album. Na een carrière van 23 jaar weet Louris als geen ander hoe je een op traditionele leest geschoeide song in elkaar moet zetten, voeg daarbij de bijna onopvallende gitaar- en lapsteelpartijen, zacht gloeiende orgels en natuurlijk Louris' zijdezachte stem, en we kunnen "Vagabonds" categoriseren als ambitieus en tijdloos. Het mag dan wat minder roots klinken dan dat The Jayhawks en ook Mark Olson solo deden, het is bij vlagen wel gedurfder en spannender wat Louris laat horen en niettemin doet "Vagabonds" aan het einde van een lange trip toch vooral verlangen naar een hernieuwde samenwerking tussen Mark Olson en Gary Louris.


 

 

GRAND ISLAND
BOYS & BRUTES
Website Myspace Contact
Label : Racing Junior
Distr. : Bertus

 

Net een jaartje geleden mochten we onze lezers al verblijden met een bespreking van de cd “Say No To Sin” van het Noorse rockkwintet Grand Island. De heren vonden blijkbaar dat onze kritieken lovend genoeg waren om ons ook de opvolger van die plaat toe te sturen. “Boys & Brutes” heet deze nieuweling met daarop 11 songs die volgens ons toch ook een beetje aantonen dat de formatie op één jaar tijd behoorlijk volwassener geworden is en professioneler klinkt. Grand Island blijft op de eerste plaats een ambiancegroep en songschrijver en leadzanger Espen Gustavsen roept en schreeuwt nog altijd alsof zijn leven er van afhangt. Dat zijn tenslotte de handelsmerken van Grand Island en die moeten ze in ere houden. Maar de songarrangementen zijn toch wat gladder en de liedjes hebben meer melodie meegekregen dan de songs op de vorige plaat. Grand Island deed in de voorbije twaalf maanden drie Europese tournees, speelde op grote festivals en werd genomineerd voor twee Noorse Awards (Spellemann en Alarm). Tussen al die drukte door vonden ze dus nog de tijd om “Boys & Brutes” op te nemen in de Propeller studios. De mastering was in handen van Dave Collins die dit ook al gedaan heeft voor Queens Of The Stone Age, Madonna, Sting en Black Sabbath. Er staan enkele vrij intensieve songs op deze plaat zoals “I Am The Horizon”, “Behemoth” en “Butcher’s Paper”, afgewisseld met een paar mysterieuze liedjes zoals de eerste single uit dit album “Wish It Was Summer Always” en ”Razorblades And Celebrations”. Maar we vinden ook hitgevoelige en moderne popsongs terug als “Love In Decay”, “Please Consider Me” (waarop – god vergeve het hun - zelfs een trompet te horen valt) en “Death And Dying (the Twilight Of Our Decline)”. Zelfs een melodieuze ballad als “Love Is A Traitor” misstaat helemaal niet op deze cd. Ondanks al het voorgaande moeten we als eindconclusie toch meegeven dat Grand Island vooral klinkt als een oergezellige kliek op kroegentocht die met hun rockfans verbroederen rond een stevige pot bier. Skol.
(valsam)


 

 

 

MARCIA BALL
PEACE, LOVE & BBQ
Website Myspace
Label: Alligator Records
Distr. : Munich Records

 

 

Zangeres/pianiste Marcia Ball, (geboren in Orange, Texas, in 1949, groeide op in een klein plaatsje Vinton, Louisiana, dicht tegen de grens van Texas), doet op daar nieuwe album "Peace, Love & BBQ" hele mooie dingen in de vorm van dampende boogies, groovende blues en gevoelige ballads. Haar stem beweegt zich ergens tussen die van Bonnie Raitt en Janis Joplin, wat dus prima past bij haar swampy repertoire. Ball heeft een dozijn cd's op haar naam staan, waarvan "Presumed Innocent" (2001), de eerste voor Alligator Records is. Sindsdien heeft Ball wel degelijk een nieuwe start gemaakt. Een overtuigende start met dit debuut voor Alligator, zonder echter vernieuwend bezig te zijn, maar fris omdat dit soort energieke muziek nog maar zelden wordt gemaakt, zeker op dit niveau. Sinds ze dat jaar bij het label van Bruce Iglauer belandde kwam haar carrière dus wel degelijk in een stroomversnelling terecht. "Presumed Innocent" kreeg wat later een W.C. Handy Award voor beste blues-album van 2002. Maar ook met het volgende album "So Many Rivers" (2003) tekent Ball, met haar flamboyante pianospel, voor 2004 W.C. Handy Blues Award - "Contemporary Blues Album of the Year", maar ze won ook de W.C. Handy Blues Award voor de beste vrouwelijke moderne bluesartiest van dat jaar. Op dit album weet ze zich muzikaal voortdurend heen en weer pendelend tussen haar muzikale voedingsbodem New Orleans en haar thuishaven Austin, en met de hulp van producer Stephen Bruton telkens weer in om sprankelend uit de hoek te komen. Voor haar vorige album, "Live! Down the Road" uit 2005, feitelijk haar eerste live cd, ontving Ball tevens ook een Grammy nominatie voor "Best Traditional Blues Album". Op haar nieuwe cd "Peace, Love & BBQ" stelt ze niet teleur, integendeel. Vanaf de eerste tonen, de opener "Party Town" en daaropvolgende funky titeltrack laat ze meteen haar bekende "Louisiana"-sound horen. Zo laat dit wederom door Stephen Bruton geproduceerd album, flink wat kruidige cajun en uptempo zydeco-muziek doorschemeren met daarnaast natuurlijk de bekende invloeden uit blues en country, waardoor Marcia Ball pingpongt tussen de staten Texas en Lousiana. We vinden hier dertien zeer degelijke songs, waaronder acht originals, songs die gebruikt gaan worden om geld in te zamelen voor het orkaan Katrina Relief. De inhoud van deze songteksten als geweld, verwaarlozing, honger zijn natuurlijk niet zo meer relevante contexten voor het luisteren naar haar werk. Al is meer naar het einde van de plaat , het nummer "Ride It Out", wel één van de hoogtepunten. Een song over een gezin dat vele orkanen weet te overleven, in de eerste plaats te wijten aan de sterkte van deze stichting, maar ook omwille van hun verplaatsingdrang langs de rivier van Mississippi naar Alabama. Hoe dan ook, er is zeker iets te leren. Bovendien liet ze heel wat ruimte voor producer Stephen Bruton (elektr.- en akoestische gitaren) naast de band bestaande uit Don Bennett (bass), Corey Keller (drums), Thad Scott (sax), Mike Keller (gitaar) en Ian McLagan (Hammond B3). De medewerking van Tracy Nelson in de aangrijpende Hurricane Katrina -ballade "Where Do You Go?" en van Dr. John in "I'll Never be Free", maar vooral de door Wardell Quezergue (Fats Domino, Professor Longhair) bestuurde blazersectie zorgt voor een pikant barbecuesausje. Ball is een vakvrouw en het is altijd plezierig om haar bezig te zien (Belgium Rhythm 'n' Blues Festival, Peer 2002). Hoewel ze is geïnspireerd door Professor Longhair, Fats Domino en Allen Toussaint, kiest ze met haar muziek geen speciale richting. Maar wat zij ook speelt, het klinkt altijd even prachtig. Vooral de blazersinstrumenten geven aan de rauwe zangstijl van Ball een funky omlijsting. Tevens geeft de bas van Don Bennett, haar trouwe co-muzikant, aan de Rhythm-Bayoustijl van Ball een extra impuls. Marcia Ball laat op "Peace, Love & BBQ" met haar pianostijl, blues samensmelten met elementen van zydeco, swampblues en boogiewoogie. Met een warme zomer in het vooruitzicht is dit voor bluesfanaten de ideale plaat om de volgende maanden mee door te komen. Een prettige 'goedfeeling' cd, een cd voor de luisteraars die verder staren dan hun bluesnaveltje.


 

 

JACK TEMPCHIN
SONGS
Website Contact
Label : Night River Records
Distr. : Hemifran
CD-Baby

 

Als een artiest zijn cd “Songs” heet, dan weet je wel wat je kan verwachten als je de plaat in de lader steekt. Liedjes dus die allemaal uit de pen vloeiden van Jack Tempchin. Dat is een songschrijver uit San Diego die al een lange reeks credits kan voorleggen. Hij is al meer dan 40 jaar actief met muziek bezig en schreef vele jaren geleden de nummers “Peaceful Easy Feeling” en “Already Gone” voor de Eagles. Zo mag hij ook “You Belong To The City” van Glenn Frey en “Slow Dancing” van Johnny Rivers voor zijn rekening nemen. Er zijn heel wat liedjesschrijvers die met veel minder al tevreden moeten zijn. Zijn eerdere albums “After The Rain” uit 2000, “Lonely Midnight” uit 2003 en “Staying Home” uit 2004 lieten ons kennismaken met een bijzonder getalenteerde componist. Jack Tempchin kan ook goed zingen hetgeen hij bewijst op “Songs” en tijdens de vele tournees die hij deed met o.a. Ringo Starr, Kenny Loggins, Chicago en Christoffer Cross. De tien nummers die op deze soloplaat staan werden tijdens zijn vele muzikale reizen geschreven op uiteenlopende plaatsen zoals Hawaii, Dublin, Parijs en in Amerika. De afwerking en de studio-opnames namen daarna nog ongeveer een jaar in beslag. De liedjes op dit album zijn verschillende kortverhalen op muziek met meestal een rockende gitaarsound als muzikale begeleiding. Voorbeelden hiervan zijn “Out In The Desert”, “Waiting” en cd-afsluiter “Couch Rider”. Maar ook rustigere folksongs duiken op deze plaat op. Zo is het jazzy “It Could Have Been You & Me” een knap en rustgevend nummer met een heerlijk franstalig parlando-intermezzo door Sandrine Fritz. En dat jazzritme kabbelt nog even rustig verder op “Ghost In The Night (Dancing In The Moonlight)”. Jack Tempchin is van vele markten thuis, zo blijkt verder uit de prachtige countryballads “Box Of Memories” en “East Of Eden” waarin hij klinkt als Glenn Campbell. In “Box Of Memories” is er een op de achtergrond spelend, tranerige vioolgeluid dat de juiste sfeer voor dit emotionele nummer helpt te zetten. Daarna presenteert hij zijn eigen - overigens ijzersterke - versie van “Smuggler’s Blues”, een nummer dat hij vele jaren geleden ook al voor Glenn Frey heeft geschreven. Een laatste hoogtepunt op “Songs” is het emotioneel gebrachte liefdesliedje “All The Love” waarin Jack Tempchin nogmaals zijn vocale kwaliteiten onderstreept. Dit is een erg mooie plaat.
(valsam)


 

 

RUDY ROTTA
THE BEATLES IN BLUES
Website Myspace
Label: Pepper Cake
Distr: ZYX

 

De bekendste Italiaanse bluesartiest, Rudy Rotta, heeft met, "The Beatles in Blues" nu reeds negen cd's op zijn palmares, sinds hij in 1988 met "Real Live" zijn eerste stappen in het blueswereldje zette. De uit het noorden van Italie stammende Rotta, heeft eindelijk met deze cd zijn lang gekoesterde droom kunnen waarmaken, namelijk de muziek die enkele generaties in zijn ban hield, nu eindelijk in zijn eigen versies te kunnen afleveren. De muziek van de groep die bekend werd onder de nickname “Fab Four”, de Beatles. Natuurlijk is Rudy niet de eerste om Beatle covers te brengen. Joe Cocker maakte superhits van "With A Little Help From My Friends" en "She Came In Through The Bathroom Window", Wilson Picket met "Hey Jude", Fats Domino deed "Lady Madonna", Ray Charles "Yesterday", en de lijst gaat eindeloos door. Rotta covert echter niet één, maar meteen een ganse cd, twaalf songs van de Beatles. Zijn versies zijn echter niet allemaal bluesversies, ook al geeft de cd titel die indruk, maar ook rock en soul invloeden zijn er in vermengd, zonder echter afstand te doen van de bluesroots. De openingssong “Love Me Do” heeft bijvoorbeeld, hoe kan het anders, meer rock invloeden. “Come Together” is eerder funky en jazzy tegelijkertijd, en "Revolution" is pure R&B, met echter op het eind bluesy gitaarlicks. “Norwegian Wood”, akoestisch gespeeld, heeft duidelijk de blues, net als “Get Back” waar de Beatles B. B. King ontmoeten. Bij “I’ve Got A Feeling” zit Bo Diddley als het ware naast Rudy. Het van een gospelsfeertje voorziene “In My Life”, dat volgens Beatlekenners, niet het bekendste, maar wel beste nummer van de Fab Four is, sluit deze cd af. Rudy heeft zich met deze cd een beetje op glad ijs gewaagd, want zitten die-hard bluesfans wel te wachten op een Beatle-cover cd? Misschien in eerste instantie niet, maar ik maak me sterk dat weinigen onder hen ontgoocheld zullen zijn, want Rudy heeft de juiste balans gevonden, de songs blijven de Beatles versies trouw en voegen toch net genoeg rootsinvloeden toe om de fans van bluesy gitaarmuziek niet teleur te stellen. Daarvoor is Rudi Rotta te zeer een vakman. Wie deze bluesartiest en snarenwonder heel binnenkort aan het werk wil zien kan dat volgende week, op zaterdag 31 mei om precies te zijn. Hij komt naar Duvel Blues in Puurs. Laat deze kans niet voorbij gaan, je was er de vorige jaren, dus “Get Back”, om het met een van zijn Beatle-covers te zeggen.
(RON)


RUDY ROTTA LIVE

30 - 05 - 2008 PUURS - DUVEL BLUES FESTIVAL
02 - 06 - 2008 ZOTTEGEM - DE BLAUWE WOLK
03 - 06 - 2008 RUISELEDE - BANANA PEEL
04 - 06 - 2008 VERVIERS - SPIRIT OF 66


 

 

KATHLEEN HASKARD
DON'T TELL
Website Myspace Contact
Label: Nine Mile Records Myspace
VIDEO

 

Geloof het of niet, maar Kathleen Haskard speelde ook met Neil Young. Toegegeven, als één van de honderd in het koor op "Living With War", maar het tekent wel haar activiteiten als voorvechtster van vrede, gelijke rechten en anders moois. Na haar debuut "Into the Deep" uit 1998 is er nu eindelijk, na tien jaar haar tweede solo-album, "Don't Tell". Deze plaat is fraai geproduceerd door Chuck Prophet, die haar harde, soms tegen het militante schurkende teksten wist te verpakken in een toegankelijke sound, waarmee ze zich onderscheidt van gelijkgestemde zielen als bijvoorbeeld Michelle Shocked en K.D.Lang. Chuck Prophet is dan ook meer bevlogen dan ooit. Want op zijn eigen vorig jaar verschenen achtste cd "Soap And Water" heeft de Amerikaanse singer/songwriter een intrigerende verzameling songs bij elkaar gebracht. Daarbij kruipt hij achter de knoppen voor de productie van "Translated From Love" van Kelly Willis en duikt hij op platen van Aiden Hawkens en Alejandro Escovedo als gitarist. En nu produceert hij "Don't Tell", de recente cd van singer/songwriter en politiek activiste Kathleen Haskard die met het titelnummer van deze plaat, punkpoëtisch uit de hoek kan komen en zowaar even terug doet denken aan Patti Smith in haar hoogtijdagen, ook al omdat Haskard’s stem enige gelijkenis vertoont. Van haar samenwerking met Stacey Earle werd ook het mooi ingetogen "Losers Weep" meegenomen. Naast Chuck Prophet (gitaar/bass) kreeg Haskard hulp van sessiekanonnen Paul Revelli (drums), Danny Eisenburg (Hammond/piano), Tom Heyman (pedal steel), JJ Weisler (gitaar), Grand Drives Julian Wilson (orgel, vocals) en samen met de Londense gitarist Simon Alpin heeft Prophet gezorgd dat de plaat subtiel en gelaagd klinkt. Vergelijkbaar met Lucinda Williams op "West" ontpopt Haskard zich hier als iemand die laat op de avond, in een laag tempo, op haar best is. Naast deze bezwerend mooie slow songs zoals "Like A Pearl Necklace" en "Leave To Remain" zorgen de meer ruwere songs als de titeltrack en "Hallelujah", voor afwisseling. De thema’s die ze aanroert zijn o.a.: lust, liefde, verlies, verdriet, (valse) hoop en berusting. Haar stem, haar frasering, haar songstructuren bungelen tussen de Americana van Lucinda Williams en de punkrock van Patti Smith, maar net die combinatie is er zo uniek aan. We noemen het gewoon maar: West Coast Folk Rock Noire. Dit is een zeer gezonde rockplaat die niet te veel maalt om wat er nu weer in zou zijn, maar keelsgewijs een aanslag pleegt op je vermogen om muziek te smaken. Kortom: "Don't Tell" is een geslaagd roots album, met een harde, integere boodschap, een plaat die iedereen in zijn platenkast zou moeten hebben.


 

 

BOOGIE WOOGIE JUMPERS
SAME
Website Myspace
Label: Eigen beheer

 

Aricia Evlard, ook bekend als "Sister A" van de Boogie Woogie Jumpers overhandigde ons op het Spring Blues Festival te Ecaussinnes hun nieuwe EP'tje dat drie songs bevat. Dat alle drie deze songs van haar eigen hand zijn is een stap vooruit nadat op de vorige demo nog wat covers te vinden waren, onder meer van Chris Smither en Ray Charles. The Boogie Woogie Jumpers zijn een trio, met "Sister A" als leader aan de toetsen en op vocals, drummer is Vincent Moreau en Sandra Cancelli op double bass. Hun muziek is geinspireerd op de barrelhouse en boogie woogie muziek van de jaren veertig tot de vroege jaren zestig. Twee nummers waarin Aricia de vocals voor haar rekening neemt en een instrumental op dit visitekaartje, dat ons een heel sterke indruk oplevert van het gedreven pianospel van Arica, en de vakkundige begeleiding van haar vrienden muzikanten. Boogie Woogie Jumpers speelden een thuismatch in Ecaussinnes want ze zijn afkomstig uit de omgeving. Aricia is daarbij ook de vriendin van Jan Jaspers, bekend van "Voodoo Boogie", dus kunnen we huize Jaspers / Evlard wel degelijk "the Boogie House" noemen vanaf nu. De E.P opent sterk met het ritmische "Is That Girl", waarin "Sis A" bewijst uit het ideale boogiehout te zijn gesneden en in ware Pinetop Perkins stijl de toetsen beroert. De instrumental "One Million Dollar Boogie" die dan volgt, is zo aanstekelijk dat stilzitten een onmogelijke opdracht is, je moet je overgeven aan "the rhythm of the boogie". Voor "King City" schakelt Aricia nog een versnelling hoger en laat het vuur uit de toetsen spatten in ware barrelhouse stijl. Klasse, we hebben ook onze Marcia Ball in spe vanaf nu!
(RON)