ARCHIEF

OKTOBER 2007 - NOVEMBER 2007 - DECEMBER 2007

JANUARI 2008 - FEBRUARI 2008


OTIS TAYLOR - RECAPTURING THE BANJO

KATHLEEN EDWARDS - ASKING FOR FLOWERS

HONEYBOY EDWARDS - ROAMIN' AND RAMBLIN'

ALLISON MOORER - MOCKINGBIRD

DON MICHAEL SAMPSON - OFF THE RAILS

PAUL THORN - A LONG WAY FROM TUPELO

ABEL JOSEPHSON - BORDER TRASH

MICK CLARKE - SOLID GROUND

MICHAEL WAITE - LET IT GO

SOLOMON BURKE - THE KING LIVE AT AVO SESSION BASEL (DVD)

JIM STANSON - HEART FULL OF FIRE


 

OTIS TAYLOR
RECAPTURING THE BANJO
Website
Label: Telarc
Distr : Codaex
VIDEO

 

De Ieren hebben hun violen, de Schotten hun doedelzak, de indianen hun trommels. Maar van wie zijn de banjo’s. Niet van de blanke immigranten die vanuit Europa de overtocht naar Amerika waagden. Volgens Otis Taylor wèl van de eerste slaven die de kennis over het gebruik van deze instrumenten vanuit donker Afrika invoerden. Otis Taylor, vermaard om zijn tranceblues en zijn obsessionele banjo- en gitaarritmes, kondigde al een tijd geleden aan dat hij dit kon bewijzen. Dit illustreert hij aan de hand van dit album dat hijzelf producete. Ook Guy Davis, Corey Harris, Alvin Youngblood Hart, Keb' Mo' en Don Vappie verlenen hieraan hun medewerking met zang en banjobegeleiding. Zij gebruiken hiervoor diverse types banjo’s, vooral de vijfsnaren banjo. Otis Taylor, geboren in Chicago in 1948, heeft steeds een voorliefde gehad voor dit instrument. Als jonge tiener fietste hij al op zijn één-wieler naar school, zich al banjo spelend in evenwicht houdend. Later maakte hij kennis met de countryblues en de Piedmont bluesstijl, waar de ‘finger-picking’ vaardigheid een kunst apart is. Dit nam hij over en op zijn acht albums hoor je duidelijk hoe zijn fascinatie voor de banjo toeneemt. In het bezit van een Grammy ‘Best instrumentalist in the Banjo categorie’ kan het niet anders of hij moet dit eerherstel aan de Black Banjo als persoonlijke uitdaging zien. Zijn thema’s zijn weer bijtende reacties op het onrecht zwarten en indianen aangedaan. ‘Run So Hard the Sun Went Down’ over iemand die voor de Ku Klux Klan uitvlucht. ‘Simple Mind’ over een verdwenen zwarte vrouw die de sheriff weigert op te sporen. ‘Ten Million Slaves’ een terugblik op de slavernij. Deze worden allen door Otis gezongen met zijn typische jagende stem en bittere uithalen. In ‘Five Hundred Roses’ schreeuwt hij zijn pijn uit over de dode geliefde. Ook Alvin Youngblood zingt aangrijpend in de ‘Prophet’s Mission’ en Keb Mo in het berustende ‘The Way It Goes’. Maar er staan ook leuke dingen op zoals de traditional ‘Walk Right In’ of het Creools kinderliedje ‘Les Ognons’. Guy Davis zingt het bekende ‘Little Liza Jane’ terwijl hij de banjo hanteert volgens de zeer oude ‘clawhammer’ techniek, enkel met gebruik van duim en wijsvinger. Op dit album speelt ook dochter Cassie mee op basgitaar of valt melodisch in met haar etherisch stemgeluid. Op twee nummers hoor je de cornet van Ron Miles, een los/vaste begeleider van Otis. ‘Absynthe’ wordt hierdoor een van de hoogtepunten, al gaat het over een man die gek wordt door teveel absint te drinken. En ‘Live Your Life’ mag van mij gerust de ‘song of the year’ worden genoemd. Sinds hij in 2002 met het album ‘White African’ doorbrak, is veelzijdig artiest Otis Taylor niet meer in te tomen. Hierdoor wordt dit album een onbetwistbare bluestopper, want behalve de historische duiding over de Black Banjo is dit album tevens literatuur, muziekgeschiedenis, eerherstel, revolte, poëzie, magistrale instrumentatie, visionaire beeldvorming en integere bluesbeleving…kortom een samenwerkingsproject van rasartiesten waarbij alles klopt.
Marcie


 

 

KATHLEEN EDWARDS
ASKING FOR FLOWERS
Website - Myspace - Contact
Label: Zoë Records
Distr.: Universal Music
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3

 

Hoewel Kathleen Edwards vroeger vaak de tweede Lucinda Williams wordt genoemd, beschouwt ze zelf Aimee Mann en Ani DiFranco als haar grote voorbeelden. Begonnen met klassiek viool, maar aangestoken met country door de platencollectie van haar broer was ze drukdoende hen te imiteren op akoestische gitaar in locale clubs. Het horen van Ryan Adams en Whiskeytown deed haar inzien dat ze haar eigen songs moest maken, wat in 1999 leidde tot de EP “Building 55”. Edwards werkte vastberaden door en sinds haar debuut "Failer" (2003), werd haar naam door de critici algauw bij haar rijtje persoonlijke idolen gevoegd. Met "Live From The Bowery Ballroom" (2004) kwam ze met een alleraardigst tussendoortje, waarop we tevens een cover vinden van AC/DC' "Money Talks". Met dit album bewees Edwards dat ze live misschien nog wel beter tot haar recht komt dan in de studio, ook denkende aan haar optreden op het Blue Highways festival waar ze een zeer goede indruk maakte. Met het sterke "Back To Me" (2005) bewees ze al dat haar prachtige debuut geen toevalstreffer was. "Back To Me" opent met een tweetal lekker stevig rockende songs. Songs die direct de aloude vergelijking "Lucinda Williams meet Neil Young's Crazy Horse" als begeleidingsband van stal haalt. Die parallellen liggen dan ook redelijk voor de hand. Vooral de overeenkomst in het wat slome, lijzige met een rauw randje stemgeluid is opvallend. Het zijn de wat stevigere songs waarin Edwards wat ons betreft op haar best is, maar ook de wat meer ingetogen songs hebben op "Back To Me" duidelijk aan kracht gewonnen. Edwards heeft vervolgens flink de tijd genomen voor haar derde plaat, maar het resultaat mag er zijn en er is geen twijfel meer mogelijk: Kathleen Edwards behoort tot de allergrootste singer/songwriters van dit moment en heeft met "Asking For Flowers", de beste plaat die deze bijzondere singer-songwriter tot dusver heeft afgeleverd en dit mede door de hemelse gitaarklanken haar echtgenoot/producer Colin Cripps (Sarah McLachlan, Bryan Adams), en die van multi- instrumentalist Greg Leitsz (Sheryl Crow, Wilco, Robert Plant & Alison Krauss) die als een warme golf over dit album heen trekt. De nu 30 jarige Edwards klinkt helderder dan Lucinda, maar ook warm. De songs op dit nieuwe album zijn krachtiger en afwisselender dan op de voorgangers en hebben meestal dezelfde macabere fascinatie voor donkere teksten als een Ryan Adams. De songs zijn gewoon van een onwaarschijnlijk hoog niveau, de instrumentatie is zonder uitzondering treffend en de productie om in te lijsten. "Asking For Flowers" gaat nog voorzichtig van start met het rijk gearrangeerde "Buffalo", dat vocaal gezien soms net te hoog gegrepen lijkt voor de Canadese, maar dat zich na meerdere draaibeurten openbaart als een perfecte opener. Na de rechtdoorzeegaande rootsrocker "The Cheapest Key" is vervolgens de melancholieke titeltrack, waarin het spel van gitaristen Greg Leisz en Jim Bryson om van te likkenbaarden is, het eerste hoogtepunt. Het zeer indringende "Alicia Ross", over de moord op een Canadees meisje een paar jaar geleden, is zelfs nog mooier en vanaf dat moment volgen er eigenlijk alleen nog maar hoogtepunten, want zo is het volgende nummer "I Make The Dough, You Get The Glory" een potentieel radiohitje in wording. Het absolute prijsnummer komt echter pas helemaal op het eind. Met "Goodnight, California" eindigt deze schitterende en afwisselende plaat op gepaste wijze in een meeslepende en eigenlijk veel te kort muzikaal duel tussen gitarist Greg Leisz en het strijkkwartet, waarvan Kathleen Edwards zelf ook deel uitmaakt. Ik kan en wil niets negatiefs zeggen over "Asking for Flowers". Het is een volwassen en een aan alle kanten doorwrocht album, een plaat waarop werkelijk alles klopt, gewoon onweerstaanbaar, een alternative country singer/songwriterplaat om nog heel lang te koesteren. Canada kent al een lange traditie als leverancier van grote sterren: Anne Murray, Loreena McKennitt, Alanis Morissette, Sarah McLachlan, Avril Lavigne, Celine Dion, Shania Twain en Nelly Furtado. Kathleen Edwards zet die traditie gestaag voort en belooft binnen afzienbare tijd, net als als haar landgenotes, de wereld te gaan veroveren. Ze is er helemaal klaar voor.


 

 

HONEYBOY EDWARDS
ROAMIN' AND RAMBLIN'
Website
Info: Blind Raccoon
Label: Earwig Music
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3

 

 

De in 1915 geboren David 'Honeyboy' Edwards is één van de weinige nog in leven zijnde oorspronkelijke Blues legendes die de akoestische Delta-blues spelen. Als gitarist en country-blues zanger doet hij dat al sinds hij op veertien-jarige leeftijd zijn geboortehuis te Shaw, Mississippi verliet. De New York Times omschrijft hem als "één van de laatste authentieke vertolkers van de blues uit de twintiger- en dertiger-jaren van de vorige eeuw". In 1942 werd Honeyboy Edwards ontdekt door Alan Lomax die een vijftien-tal songs als eerste opnam voor de Library of Congress. Hoewel hij pas vele jaren later in 1951 opnieuw een plaat uitbracht is Honeyboy in die tijd bijna net zo belangrijk voor de ontwikkeling van de blues geweest als Robert Johnson, bij wie hij zelfs aan het sterfbed stond. Echter omdat er geen mysterie om hem heen is ontstaan (hij kan het nog steeds allemaal vertellen) is zijn cult-status niet echt van de grond gekomen. In de vroege jaren vijftig verhuisde hij van de Delta naar Chicago waar hij voor het Chess-label diverse songs opnam waaronder "Drop Down Mama" welke later werden uitgebracht in een 'anthology-serie' op dit label. In 1972, ontmoet hij Michael Frank, de oprichter van Earwig. Voor dat label neemt Honeyboy in 1979 met Sunnyland Slim, Kansas City Red, Floyd Jones en Big Walter Horton de CD "Old Friends" op. Honeyboy's vroegere Library of Congress-opnames samen met meer recent werk werden in 1992 uitgebracht op de CD "Delta Bluesman" ook op Earwig. In 2006 verscheen er van deze monumentale man de prachtige DVD, "Honeyboy", dewelke zijn levensverhaal vertelt, en geïllustreerd is met prachtige beelden van de Mississippi-Delta waarin Honeyboy op een indrukwekkende wijze zijn nummers brengt. Het verhaal over Robert Johnson, dat een jaloerse echtgenoot zijn drank vergiftigde staat er ook op en je krijgt het uit eerste hand want de twee kenden elkaar door en door omdat ze vaak samen optrokken als hobo. Honeyboy schreef tijdens zijn leven diverse bekende bluessongs waaronder "Long Tall Woman Blues", "Sweet Home Chicago" en "Just Like Jesse James". Commerciëel succes was echter niet weggelegd voor Honeyboy vandaar dat de altijd nog fitte 92-jarige op zijn fiets de platenzaken in Chicago afgaat om te kijken of er een CD of DVD van hem is verkocht, want dat is momenteel zijn enige bron van inkomsten. Maar die inkomsten zullen er nu wel zeker gaan verhogen met het nieuwe album "Roamin' and Ramblin' " dat bij Earwig Music verscheen, het label dat hij steeds trouw is gebleven. Bij hem hoor je geen stroef gitaarspel, maar wel echt ouderwetse knoestige blues. Ruim de helft van de nummers op deze plaat zijn is in de zomer van 2007 opgenomen, en tussendoor horen we opnamen van meer dan een kwart eeuw geleden, nl.uit 1975 en 1976, en zelfs een opname uit het jaar 1942. Edwards is dus een ouwe bluesman, een rot in het vak, om het zo te zeggen. Producer Michael Frank heeft bovendien een klasseband om Edwards heen gezet en een paar perfecte gasten uitgenodigd, zoals Johnny "Yarddog" Jones, Bobby Rush, Billy Branch, Sugar Blue en mondharmonicalegende Walter Horton horen we op oudere opnames die nog niet eerder te horen waren. Edwards zingt zeer overtuigend zijn doorleefde blues tussen al deze gitaar en mondharmonicaduetten in, met als resultaat een verbazingwekkend tijdloze bluesplaat waarin hij bewijst: Honeyboy Edwards is "still going strong", geef die man de aandacht die hij verdiend!

Tracks
1. Apron Strings
2. Crawling Kingsnake
3. Trouble Everywhere
4. I Was in New Orleans Last Night
5. How Long
6. Maxwell Street Shuffle
7. The Army Blues
8. Roamin' and Ramblin'
9. Talking About Little Walter
10. Smoky Mountains
11. Strollin' Down Highway 61
12. Low Down Dog
13. Little Boy Blue
14. Freight Train Tale
15. Riding The Rails
16. She Worries Me All The Time
17. Boogie Rambler
18. Shufflin' the Blues Conversation
19. Jump Out


 

 

 

ALLISON MOORER
MOCKINGBIRD
Website - Myspace
Label: New Line Records
Distr.: Rough Trade

 

 

Het gaat de altcountry zangeres Allison Moorer voor de wind, en niet om het minst wegens de dubbele tandem die ze met Earle vormt, haar nieuwe album "Mockingbird", een hommage aan een reeks vrouwelijke singer/songwriters is gewoon weer prachtig. Haar vorige cd’s "Alabama Song" (1998), "The Hardest Part" (2000) en "Miss Fortune" (2002) hadden stuk voor stuk hun sterke momenten, maar neigden te vaak naar de gepolijste Nashville country, dus teveel countrypop en soul gericht. De live-cd "Show" (2003) klonk een stuk minder gepolijst en smaakte naar meer. Na het live document maakte Moorer de overstap van Universal South naar de vooral op bluegrass georiënteerde independent Sugar Hill Records en gebruikte de haar geboden vrijheid door veel moois op "The Duel" (2004) te plaatsen. Op deze cd schotelt Allison Moorer ons een onweerstaanbare portie rootsrock voor. Moorer stond altijd wat in de schaduw van haar zus Shelby Lynne, tot ze deze briljante "The Duel" afleverde. In 2006 stapte ze in het huwelijksbootje met niemand minder dan Steve Earle, die ook haar album "Getting Somwehere" geproducete, meteen één van de belangrijkste altcountry releases van dat jaar. Waar zusje Shelby Lynne net een mooi eerbetoon aan Dusty Springfield heeft uitgebracht, pakt Allison het met haar nieuwe album breder aan, door louter materiaal van vrouwelijke artiesten op te nemen, om de veelzijdigheid van vrouwen in de muziek te benadrukken. Hulp krijgt ze van grootheden als producer/gitarist Buddy Miller, die deze bonte verzameling samensmelt. Moorers warme alt en southern drawl zijn de constanten en ze heeft het zichzelf niet makkelijk gemaakt door overbekende nummers van groten als Patti Smith, Nina Simone, Kate McGarrigle, Gillian Welch, Joni Mitchell, Julie Miller en Ma Rainey op te nemen, maar ze laat zien uitstekend raad te weten met zowel jazz, blues, country, folk, bluegrass, singer-songwriter als new wave. Een plaat met vrijwel uitsluitend covers, alleen de titeltrack schreef Moorer zelf. Dat is niet bij voorbaat een geslaagde missie, maar net als zus Shelby toont Allison zich op "Mockingbird" een meester in het vertolken van de songs van anderen waaronder veel bekende tracks zoals "Dancing Barefoot" (Smith), "Ring Of Fire" (Carter-Cash), "Revelator" (Welch) en "Both Sides Now" (Mitchell). Cat Power en Shelby Lynne gaven de aftrap, en nu neemt ook Allison songs van beide dames op, waarmee de cirkel rond is. Bij alle drie de platen valt de liefde voor de liedjes op, zoals ook op deze "Mockingbird", waar ze bijgestaan door een aantal ervaren muzikanten, waaronder uiteraard manlief Steve Earle, een plaat heeft gemaakt waarop ze het werk van anderen op indrukwekkende wijze naar zich toe trekt en de originelen meer dan eens weet te overtreffen.


 

 

DON MICHAEL SAMPSON
OFF THE RAILS
Website - Contact
Label : Eigen Beheer / Red Horse Productions

 

 

Taos, New Mexico is de verblijfplaats van Don Michael Sampson, een songsmid die zijn sporen verdient met het schrijven, zingen en op plaat zetten van countryballads, blues- en folksongs. Zijn brood verdient hij met het veelvuldig live brengen van die liedjes op allerlei podia doorheen Amerika. Een recensent vergelijkt zijn zangstijl met die van J.J. Cale en dat klopt grotendeels ook met mijn eigen waarnemingen. Inhoudelijk gaan de liedjes over bedenkingen en observaties van wat er allemaal om ons heen gebeurt in deze hectische tijden, zowel in ons privé leven als in het hedendaagse Amerika en in de rest van de wereld. “Rocking The Nation” kijkt naar de situatie in de States onder George W. Bush. Zelf zegt Don Michael Sampson dat hij met het schrijven van dit nummer begon onder vader Bush en dat 17 jaar later de situatie onder zoonlief Bush alleen maar erger is geworden. Toch beschikt hij nog over een gezonde dosis patriotisme, getuige daarvan het nummer “Fourth Of July”, een datum die hij zich vooral herinnert omwille van de optredens van lokale muzikanten op een podium in een zaaltje in het stadje waar hij als kind woonde. “Off The Rails” is de opvolger van “Shadow Horses”, zijn tiende cd en indertijd nog van een zeer lovende recensie voorzien door Rootstime. Deze cd-recensie kan en mag derhalve zeker niet onderdoen voor enige voorgaande bespreking. Daar is ook geen enkele aanleiding toe want “Off The Rails” is even indrukwekkend als zijn oudere werk. Ik zou zelfs durven zeggen dat Don Michael Sampson als de wijn is: hij wordt alsmaar beter met de jaren. Alleen doet Sampson dat niet door lang in een donkere ruimte te liggen maar integendeel door zeer actief en creatief te zijn in de muziek. “Fields Of Faith” is een liedje waarin hij beschrijft hoe de burger door vast te houden aan het geloof en het vertrouwen in de toekomst altijd een eerlijke kans op beterschap blijft behouden. “Shot By Shot” is een heerlijk liedje dat had kunnen thuishoren op Springsteens’ “Nebraska”. Net als het tragische verhaal dat verteld wordt in “Map Of America”. Gelukkig wordt het nadien wat vrolijker met de op bluesgrass geïnspireerde song “Brand New Diamond” en de daaropvolgende ode aan de liefde met het liedje “You Mean Everything To Me”. In de afsluitende song “It Feels Like Heaven” bezingt Don Michael Sampson het grote wonder van het bestaan op deze planeet aarde en zijn vurige wens dat iedereen zijn best doet om de wereld en wat die ons te bieden heeft te respecteren en goed te bewaren voor de volgende generaties. “Off The Rails” verveelt echt in geen enkele song en slaagt er meermaals in om de luisteraar te verbazen met zijn eenvoud en oprechtheid. Het is een positieve kijk op de wereld en wil hoopgevend zijn voor alle mensen van goede wil. Een nobele gedachte in deze paastijd en daarom volledig ondersteund door (valsam).


 

 

 

PAUL THORN
A LONG WAY FROM TUPELO
Website - Myspace
Label: Perpetual Obscurity Records
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3 VIDEO 4

 

 

Paul Thorn is het best bewaarde geheim in rootsland. Natuurlijk is dat voor Paul zelf niet zo leuk. Na zes uitstekende cd's kent het grote publiek hem nog steeds niet. Ik kon dan ook een glimlach niet onderdrukken toen ik een bijgevoegd gebed voor meer bekendheid zag bij zijn persmap. Een humorvolle smeekbede beginnende met "Dear Lord" en voorzien van tekeningetjes van Paul op zijn blote knieën waar hij smeekt om meer succes temeer omdat hij het volgens eigen zeggen evenzeer verdient als zijn vrienden Delbert McClinton en Charlie Robison, die nog geen poot uitstaken om hem in de talkshow te krijgen waar ze beiden tientallen malen waren. Op het eind bedankt hij de Heer op voorhand voor de enorme mediabelangstelling die hem vanaf nu te beurt gaat vallen. Wel Paul, de Heer vroeg om even te helpen. Met plezier, want Paul Thorn, beste mensen, verdient inderdaad wel beter. Mensen als Mark Knopfler, Kris Kristoffersen, Jeff Beck, Sting en John Prine weten het al, want zij spreken allen met enorm veel lof over hem. Uitspraken als: "Er is geen betere artiest zonder platencontract te vinden, meer zelfs, er zijn weinig artiesten met vette platencontracten die zo goed zijn als Paul Thorn". Hem "miskend" noemen is misschien wat overdreven, maar in ieder geval is hij een "onderschat" groot artiest, zanger en gitarist. Zoals de titel al aangeeft, is hij van Tupelo afkomstig. Zijn muziek is bijna niet te omschrijven, want de diversiteit aan stijlen is enorm groot en zijn verbondenheid met de muziek van Mississippi is authentiek. Hij is ook een van de sterke verhalenvertellers. Zijn wijsheid komt evenzeer uit een fles whiskey als van de preekstoel. Hij heeft humor (getuige zijn gebed), hij heeft soul, maar vooral hopen talent, zowel als songschrijver, als muzikant en zanger en daarom kan ik deze zoveelste cd van Paul zonder overdrijving een klein meesterwerk noemen, waarvan ik nog lang zal genieten. Een paar van de twaalf erg sterke songs staan nog een trapje hoger en zorgen ervoor dat deze zonder problemen mijn top 10 van het jaar zal halen. Zo is "A Woman To Love" één van die songs, een gouden bluesy ballad, met die prachtstem van hem die je kippevel bezorgt. De perfecte gitaarsolo van Bill Hinds in het midden krijg je er nog gratis bovenop. "I'm Still Here" dat dadelijk daarop volgt en de titelsong "A Long Way Fom Tupelo", vormen een treintje van drie van die topsongs na mekaar, songs waarvan je er anders met moeite ééntje per cd van kan aantreffen. En dan is het nog niet gedaan "Crutches", lekker funky met een heerlijk meiden backingkoortje en Bob Britt op slide. In "It Don't Get Any Better Than This" is de stijl dan weer wat verschoven naar de alt.country. Het sterke "All About People" met zijn Stones stijl intro, rockt behoorlijk, maar het is vooral weer die uitstekende stem die alle aandacht naar zich toetrekt. Veel ingetogener is het rustige semi- akoestische "Burnin Blue". Een combinatie van gospel ritmes en blues in "What Have You Done To Lift Somebody Up?" maken van deze song een absoluut hoogtepunt, nog versterkt door de lap steel slide solo van Bob Britt. Dezelfde ingredienten in "Starvin' For Your Kisses", gospel en blues in perfecte dosissen, heerlijke gospel background koortjes, kortom... hallelujah! Heer, laat onze gebeden verhoord worden! Laat de talkshow hosts dan nu maar aanrukken: Frieda Van Wijck op kop. Paul Thorn met de laatste showband, ik zie het zo al voor me!
(RON)


 

 

ABEL JOSEPHSON
BORDER TRASH
Website
Label:Eigen beheer
Cdbaby

 

Abel Josephson speelt low down en dirty moddervette blues. Sorry, maar anders kan ik het niet benoemen. Met een gitaarsound die klinkt als Billy Gibbons in zijn puurste vorm, super ruig, Z.Z Top zonder de minste franjes. Texaans tot en met, en met daar bovenop een hete Mexicaanse chilisaus. Abel komt uit Amarillo in Texas, leerde het vak in de muziekstad Austin maar woont nu in Californië. Zijn debuut van 3 jaar geleden kreeg dan ook de naam ”Helicopters over Hollywood” mee en was nog een beetje meer beschaafde rock, genre Mellencamp, Bob Seger. Voor deze “Border Trash” heeft hij dus duidelijk gestalte gegeven aan de muziek waar deze titel naar vraagt. Hij heeft gelijk: je bent van Texas, gedraag je dan als een Texaan, zal hij gedacht hebben. Weg met de gladde California sound. Als je hier naar luistert zie je bordertowns, metershoge cactussen, desolate stoffige vlaktes, roestbakken langs verlaten wegen en eenzame vervallen benzinestations. In die sfeer klinkt de muziek van Abel op zijn best. Op het eind van de bespreking van “Helicopters…” hoopte de recensent van dienst toen dat hij de pop invloeden bij de opvolger zou inruilen voor fiddle, lap steel en dobro. Het eerste is gebeurd, maar van die softe “Americana” aanpak is Abel niet gediend. Al van in de openingssong laat hij horen van welk hout hij tegenwoordig zijn pijlen maakt. “Border Trash” is van begin tot eind voer voor de Z.Z. Top fan, zij zullen hiervan smullen. “Drop Me Like A Rock” gaat terug naar het geluid van de eerste drie cd’s van onze baardige hot rod fans uit Texas. Alles klinkt letter ruig en moddervet, behalve, en dat is wel een minpuntje, valt Abel’s stem wat zwak uit tussen dat geweld, die zit nog steeds ergens in Hollywood, zo te horen. “Get Myself Back” en vooral “Chop it Down Low” hebben dat echte Billy Gibbons geluid wat we kennen van “Tush”, “La Grange” en andere knappe songs van die eerste platen. “Crunch” is een song over het lievelingsgeluid van Abel: namelijk het openen van een bierblikje. Zoals je merkt, geen hoogstaande poetische teksten hier, wel de pure power van slidegitaar en Texaanse ritmes. “Bone Pile” is meesterlijk, messcherpe vette slidesounds all around, en tot de einstreep komt daar weinig verandering in. Het lekker scheurende “Lizard Queen”, de beukende titelsong “Border Trash”, maar vooral het half Spaanse, half Engelse “Malverde”, allemaal nog sterke songs; Dit is prima Texaanse bluesy gitaarrock, pretentieloos en vanuit de buik gebracht. Aanrader voor de fans van…zie hoger.
(RON)


 

 

 

MICK CLARKE
SOLID GROUND
Website - Myspace - Contact
Label: Taxim Records
Distr.: Bertus

 

Mick Clarke draait al wat jaren mee in het circuit maar behoort niet tot de grote namen. Muzikaal heeft deze bluesrocker echter het één en ander in huis en ook compositorisch kan hij goed weg komen. Muzikaal hangt hij een beetje tussen zijn grote voorbeelden Danny Gatton en Roy Buchanon in, dus dat zit wel snor. Al heeft Clarke gekozen voor een eigen sound en heeft hij zich niet laten verleiden tot kopiëren. Mick Clarke begon zijn carrière als lid van Killing Floor, eind jaren '60. De ouderen onder ons hebben misschien ooit van deze band gehoord, want zij brachten in de jaren '69 en '70, twee albums uit, collector-items intussen. Maar begin jaren '80 ging onze Engelse blues gitarist solo en levert nu zijn dertiende album af. En wat voor één! Mick Clarke kan niet alleen ontzettend goed uit de voeten op gitaar, maar hij heeft ook een uitzonderlijk talent om pakkende liedjes te schrijven. Hierdoor verveelt "Solid Ground" geen moment, en dat is toch wel eens anders binnen dit genre. Op zijn vorige studioplaat "Blue Montain" (2000) wist hij zijn gekende blues-rock af te wisselen met akoestische tracks, hetgeen hier ook weer gebeurd. Clarke heeft ondertussen in die acht jaar, en de jaren voordien, veel opgetreden en deelde het podium met o.a. Johnny Winter, Canned Heat, Big Jay McNeely, C.J.Chenier, Foghat, Savoy Brown en the Paladins. Eveneens verschenen enkele pracht platen waaronder het reeds vermelde, "Blue Montain", maar ook "Roll Again", "No Comprimise" en "Tell The Truth", platen die zoals zijn nieuwe nu ook verschijnt bij het Duitse Taxim label, en met deze nieuwe plaat levert Clarke wederom een uitstekend cd af die zeker alle gitaarfanaten zal aanspreken. Enkel op de sound verder gaan, horen wij zowel Rory Gallagher, Stevie Ray Vaughan, Roy Buchanan of Albert Collins : wat normaal is in een wereld vol invloeden. "Solid Ground" is feitelijk een plaat, waar de blues vandaan komt en waar die heen gaat, waar de blues nu anno 2008 voor staat. Alle ingrediënten zijn aanwezig: van dampen tot slow en andersom. Toch vind ik dat "Solid Ground" meer diepgang en variatie heeft dan zijn voorgangers en in die zin komt er deze keer meer kunst bij kijken, waarschijnlijk door zijn 25 jaar ervaring die hij nu heeft met zijn eigen band. De opnames zijn subliem, dertien nummers door Clarke zelf geschreven, waaronder twee elektrische instumentale tracks: "Whasszt!" en "Tatouine", en zelfs een akoestische nummer, "Horse Bolt Stomp". Andere uitschieters zijn de blues-rock nummers "Graveyard Shift" en "So Cool" en het eveneens akoestische "Haphazard Man". Op "Solid Ground" laat Clarke zich steunen door Dave Lennox (keyboards), 'Dangerous' Dave Newman (harmonica), Chris Sharley (drums), Eddie Masters (basgitaar), en laat goed horen waarom hij de laatste jaren live zoveel succes kreeg: zijn spierballenblues weet hij toch te koppelen aan ingetogen momenten en dat zorgt ervoor dat zijn muziek een erg dynamisch karakter krijgt. Liefhebbers van dit genre kunnen deze plaat dan ook blind aanschaffen.


 

 

MICHAEL WAITE
LET IT GO
Website - Myspace
Label : Eigen Beheer
CD-Baby

 

Opgegroeid aan de zuidkust van Lake Superior als zoon van een kok en een professor Engels leerde Michael Waite in zijn jeugdjaren allerlei muziekstijlen ontdekken via de platen van zijn ouders. Zij hadden een uitgebreide collectie bestaande uit cowboymuziek, jazz, Ierse ballads, jazz en bluegrass die zoonlief Michael met veel plezier absorbeerde en die de basis vormden van de muziek die hijzelf later ging schrijven en zingen. Die diversiteit aan stijlen is nu ook terug te horen op zijn debuutalbum “Let It Go”, een cd die hij opnam in nauwe samenwerking met enkele oude muzikale vrienden zoals John Churchville en Jared Nelson Smith. Ze kwamen samen in een opnamestudio in Chicago gedurende een week in maart 2007 en zetten er in die periode in totaal 16 klassesongs op plaat waarvan wij nu zo vaak als we zelf willen mogen genieten. 65 minuten leuke muziek die het plezier van de muzikanten die het opnamen reflecteert. “Dragonfly” is een mooie ballad, “Make It Right” is fun fun fun. “Erica’s Song” is een perfect liefdesliedje en “Mean Ol’ Dog” is rotbrutaal maar getuigt ook van grote liefde voor zijn hond die hij op een dag wegens ouderdom moest laten inslapen. Verwacht echter geen al te complexe melodielijnen of brede orkestraties op deze plaat. Michael Waite houdt het graag simpel waardoor de luisteraar automatisch geconcentreerd naar zijn teksten kan en zal luisteren. Ook in de keuze van onderwerpen zoekt hij de eenvoud op. Songs over “Ice Cream”, “Cold Black Water”, “New Love, Old Love” en “Bedtime Prayer” zijn nu eenmaal niet echt vergezocht te noemen. In enkele songs zijn de blazers dominant aanwezig en dat draagt knap bij tot het creëren van de perfecte sfeer voor die liedjes. Schoolvoorbeeld hiervan is “Cold Black Water” waarin ik een beetje Amos Lee en Ray Lamontagne meen terug te horen. “Arizona Bill” heeft als doel grappig te zijn en slaagt daar moeiteloos in: we denken dat een tekst als “The dog said ‘woef’ and the cat said ‘miauw’” dit alles verklaart. Het swingende calypso-melodietje “Spread The Love Around” is zo aanstekelijk dat je echt niet kan blijven zitten. Maar ook ernstig zijn is een gave die Michael Waite volledig beheerst, getuige daarvan het liedje “Black Television” met een stevige portie maatschappijkritiek. Eén cover op deze plaat: “A Satisfied Mind” dat in 1955 werd geschreven door Joe ‘Red’ Hayes en Jack Rhodes en later terug te vinden was op het album “Saved” van Bob Dylan uit 1980 en op de Kill Bill-soundtrack in de versie van Johnny Cash. Michael Waite beschikt ook nog eens over een heel mooie stem zoals je kan horen in “If I’m Not Strong Enough” en in het laid back gezongen “Wake Up”. Zeer mooie plaat.
(valsam)


 

 

 

 

SOLOMON BURKE
THE KING LIVE AT AVO SESSION BASEL (DVD)
Website
Label: Edel Records
Distr. : V2 Music
VIDEO

 

BIO
Solomon Burke (Philadelphia, Pennsylvania, 21 mei 1940) is een Amerikaans soulzanger. Hij is een van de muzikanten die begin jaren zestig aan de wieg stond van de soulmuziek. Alhoewel hij nooit grote pophits heeft gehad, zijn een aantal van zijn nummers uitgegroeid tot klassiekers, die meerdere malen zijn uitgevoerd door andere artiesten. "Everybody Needs Somebody to Love") is hiervan waarschijnlijk de bekendste. Burkes wortels liggen in de gospel. Hij zingt in een kerkkoor, preekt op jonge leeftijd al in zijn kerk in Philadelphia en presenteert een gospelprogramma op de radio. Tussen 1954 en 1958 neemt hij enkele gospelnummers op voor het label Apollo. In 1960 wordt hij ontdekt door producer Jerry Wexler en tekent hij een contract bij Atlantic Records. Zijn eerste singles zijn covers van countryliedjes als "Just Out of Reach". Door gospel te mengen met de toen populaire muziekstijl R&B legt hij de basis voor soulmuziek. Hij heeft in de jaren zestig wel enkele grote R&B-hits, maar weet niet door te breken tot het grotere poppubliek, wat andere soulzangers (Aretha Franklin, Otis Redding, Sam Cooke) wel lukt. Enkele R&B-hits uit die tijd zijn onder andere "Cry To Me", "If You Need Me", "Got To Get You Off My Mind" en "Tonight's The Night". "Everybody Needs Somebody to Love" uit 1964 is mogelijk zijn bekendste nummer: het wordt datzelfde jaar nog gecoverd door de Rolling Stones op een van hun eerste albums, en krijgt ook bekendheid in de versies van Wilson Pickett en the Blues Brothers. In '64 wordt hij ook door een diskjockey uitgeroepen tot de "King of Rock and Soul", een titel die hij nog steeds met trots draagt. In 1969 scoort hij zijn grootste hit met een cover van "Proud Mary" van Creedence Clearwater Revival. Eind jaren zestig verlaat Burke Atlantic. In de jaren zeventig, tachtig en negentig brengt hij onregelmatig muziekalbums uit. Deze albums worden echter enkel goed ontvangen bij enkele muziekliefhebbers, en niet bij het grote publiek. Regelmatig geeft hij dan ook in deze tijd aan de muziekindustrie vaarwel te zeggen. Wel heeft hij in 1986 een kleine hit met "A Change is Gonna Come", oorspronkelijk van Sam Cooke. Dit nummer wordt ook in Nederland een kleine hit. Ook is hij te zien in de film "The Big Easy" uit 1987. In 2002 maakt Solomon Burke een comeback mee. Andy Kaulkin, de eigenaar van Fat Possum Records, haalt hem over om een album op te nemen met nummers geschreven door enkele bewonderaars. Met het resulterende album Don't Give Up On Me, weet hij een nieuw publiek te bereiken. Enkele van de artiesten die een nummer hebben geschreven voor het album zijn Bob Dylan, Elvis Costello, Tom Waits, Van Morrison, Nick Lowe, Brian Wilson en Dan Penn. Het album is geproduceerd door Joe Henrey. "Don't Give Up On Me" wint een Grammy Award voor beste bluesalbum en wordt door verscheidene muziektijdschriften (onder andere Mojo, OOR, Rolling Stone) beschouwd als een van de beste albums van het jaar. In 2003 treedt Burke op op zowel Pinkpop als North Sea Jazz en neemt hij het nummer "Catch Up To My Step" op met Junkie XL, en in 2004 volgt het duet "Devil in me", met de Italiaanse zanger Zucchero op diens duetalbum "ZU & Co". Solomon Burke staat aan het hoofd van een zeer grote familie. In 2002 had hij 21 kinderen, 64 kleinkinderen en 8 achterkleinkinderen. Behalve zanger is hij ook werkzaam als predikant en is hij eigenaar van onder andere een eigen kerk en een keten van begrafenisondernemingen.

THE KING LIVE AT AVO SESSION BASEL (DVD)
In 2002 had hij 21 kinderen, 64 kleinkinderen en 8 achterkleinkinderen en nu zes jaar later... Joost mag het weten! Maar wat we wel weten is dat Solomon Burke ons blijft verrassen met cd's en dvd's sedert zijn comeback. Op zijn vorig jaar verschenen plaat "Nashville" (2006) wierp soullegende Burke zich op de countrymuziek. Geen onbekend terrein voor de King of Rock ‘n’ Soul, want in de jaren zestig sloeg hij tezamen met Ray Charles en Joe Tex hoogstpersoonlijk een brug tussen country en soul. Onder productionele leiding van Buddy Miller ontfermde de oude Solomon zich over songs van onder anderen George Jones, Don Williams en Dolly Parton. Maar we gaan voor deze DVD enkele jaren terug, want op 8 november 2003, even na zijn uiterst succesvolle met een Grammy beloonde comeback-album "Don’t Give Up On Me", gaven Solomon en zijn muzikale vrienden een optreden in Basel. De zojuist verschenen DVD "The King Live at AVO Session Basel" vormt het filmverslag van die gedenkwaardige avond. De band opent met twee intrumentals, waarna Burke arriveert en plaats neemt in zijn troon op het podium, en dit gewoon omdat hij veel te veel weegt. Gezeten op deze troon vertolkt Burke met grote autoriteit onmiddelijk zijn gedreven "Down in the Valley", gevolgd door Tom Waits "Diamonds in Your Mind", een meer rustige ballade. Bijna alle liedjes van "Don’t Give Up On Me" worden ten gehore gebracht, afgewisseld met een reeks zeer bekende, laten we ze maar meezingers noemen. Het reeds vernoemde "Diamond In Your Mind", naast "Proud Mary", "Soul Searching' ", "I Will Survive" en "Georgia On My Mind". Het optreden wordt afgesloten door Burke’s grote klassieker "Everybody Needs Somebody to Love". Een heerlijke registratie, want dit concert is rijk aan afwisseling, door driemaal een medley in te lassen en boeit zo van de eerste tot de laatste noot. Een must-have!

Tracks:
1. I Will Survive - Terri Burke
2. Mona Lisa - Selassie Burke
3. Proud Mary
4. Medley: Got To Get You Off My Mind/Having A Party/Amen
5. Medley: Dock Of The Bay/Fa Fa Fa/Spanish Harlem/Stand By Me
6. Georgia On My Mind
7. None Of Us Are Free
8. Diamond In Your Mind
9. Down In The Valley
10. The Greeting Song
11. Back At The Chicken Shack
12. A Change Is Gonna Come
13. Soul Searchin'
14. Cry To Me
15. Medley: Long Tall Sally/Lucille/Tutti Frutti
16. Don't Give Up On Me
17. May The Good Lord Bless And Keep You


 

 

 

JIM STANSON
HEART FULL OF FIRE
Website - Myspace - Contact
Label: Eigen beheer
VIDEO

 

Wow, was ik even verbaasd toen ik de info sheet begon te lezen van de voor mij tot nu toe onbekende Jim Stanson.Tussen de muzikanten zag ik namen als gitaristen Jim Weider, die we kennen van The Band, Dylan en Keith Richard - Gurf Morlix, gitarist/producer bij Lucinda Williams en Robert Earl Keen - Judd Newcomb, de fantastische slidegitarist van de Resentments - Kurt Johnson van bij Bon Jovi, waar hij pedal steel en dobro speelt en dit is nog niet eens de helft. “Americana roots rock” noemt men zijn muziek, maar de hoofdinvloed bij Jim Stanson is vooral roots rock. Pas sinds kort, wanneer hij naar Texas verhuisde zijn de Americana invloeden wat sterker geworden. Wat je vooral hoort in zijn muziek zijn de invloeden van o.a. Dylan, Tom Petty, The Faces, Stones, maar ook de oudere bluesgoden. Jim Stanson's stem heeft die frazering en het timbre van Dylan en Keith Richards en tesamen met die eerder vernoemde muzikale invloeden en de hulp van die topmuzikanten levert dat een prachtplaat op, zoals je er maar een tiental per jaar te horen krijgt. "Heart Full of Fire" begint ruig en rockend, de openingstrack "Running Back To You" ontploft om zo te zeggen na een korte intro waarbij je een oude grammofoon een half minuutje het nummer hoort spelen, waarna de "full hifi" erbij komt en een ruige bluesgetinte rocksong te voorschijn komt. Andere prachtsongs zijn “You Can’t Do It All Anymore” en “Standing Alone” waar de hoorbare invloeden van Dylan en Tom Petty mekaar mooi aanvullen. Gurf Morlix zorgt voor een subtiel maar effectief slidegeluid in “Choose Your Poison” terwijl het uitstekende gitaarspel van Jim Weider zorgt voor de juiste sfeer in het rockende “One Too Many” en “Sad Beauty’. In de rustige akoestisch gebrachte songs als “Crying For You” bouwt Jim met behulp van dobro en lapsteel een fragielere Americana sfeertje op waarbij zijn stem net zo goed past als bij de rockgetinte nummers. In “Had A Little Trouble” gaat het geluid zelfs behoorlijk in de J.J Cale richting, een rustig kabbelend “Tulsa” ritme met een knappe dobro solo naar het einde toe. Supermooi! Zwakkere composities zijn op deze “Heart Full Of Fire” ver te zoeken, of laat het ons beter zeggen, onvindbaar. Immers, de resterende songs “No Aces” en “Never Feel The Same” waarbij in dit laatste Gurf Morlix nog een prachtige lap steel passage ten gehore brengt zijn nog maar eens sfeervolle voorbeelden van hoe een goede singer songwriter zijn huiswerk maakt. Daar kan je alleen maar onder zetten: Prima werk, Jim. Doe zo verder!
(RON)