ARCHIEF

OKTOBER 2007 - NOVEMBER 2007 - DECEMBER 2007

JANUARI 2008 - FEBRUARI 2008


HAYSEED DIXIE - NO COVERS

JOHNNY MAX BAND - A LESSON WELL LEARNED

RANDY THOMPSON - FURTHER ON

LEE EVERTON - INNER EXILE

RAY BONNEVILLE - GOIN' BY FEEL

JOHNNY NEEL & THE CRIMINAL ELEMENT - VOLUME 1

OKIESON - TOMORROW’S GONE

SIMON J. ALPIN - ON THE WIRE

GEOFF ACHISON & THE SOULDIGGERS - SOULDIGGIN' CD - SOULDIGGIN' IN THE UK - LITTLE BIG MEN

AL BASILE - THE TINGE



 

HAYSEED DIXIE
NO COVERS
Website
Label: Cooking Vinyl
Distr.: V2
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3



Het verhaal gaat diep in de bergen van Appalachia, in de vallei van Deer Lick Holler waar de groep Hayseed Dixie ontstond. Zich nergens in enige mate ook maar wat aantrekkende van moderne trends of rages maakt deze groep bluegrass in volledig aloude tradities en dat natuurlijk op akoestische instrumenten. Als het gaat om instrumentale vaardigheid of originaliteit binnen het bluegrass-genre moet je niet bij Hayseed Dixie zijn. Ze zijn de vaandeldragers van het zogehete rockgrass-genre: de tot kunst verheven nonsens als het over het maken van bluegrass versies gaat van overbekende groepen als AC/DC en Kiss, mits het met verve gespeeld is. Dit is gelukkig zeker van toepassing op Hayseed Dixie, die er in slagen iedere denkbare song tot Hayseed Dixiaans om te toveren: ludiek, want voor humor ben je wel bij ze aan het goede adres. Het het blijft lachen met dit vreemde viertal, want op hun vorige albums werden de bluegrass-uitvoeringen wat vaker afgewisseld met covers van verschillende bands en met eigen nummers, maar wel met wisselend resultaat. "No Covers" heet niet voor niets de zevende plaat van Hayseed Dixie, want deze keer bevat dit album louter zelf geschreven materiaal. Wil niet zeggen dat onze favoriete rednecks nu alles volledig over een andere boeg gooien. "Meer songs over zuipen, vreemdgaan, moorden en hel," zegt ook de sticker op het hoesje van dit geinige album. Dus de gebruikelijke dosis rockgrass, zoals Hayseed Dixie hun eigen brouwsel van ongewassen bluegrass en oersimpele hardrock bestempelen. Maar wel anders is het instrumentgebruik, want dit viertal laat deze keer de akoestische gitaar voor wat het is en gaat op het merendeel van de 14 nummers voor vol elektrisch: "We really wanted to stick a finger in the face of all those people who once called Bob Dylan a Judas," aldus zanger Barley Scotch. Ook op deze plaat werkt hun crossover van rock en bluegrass bijzonder aanstekelijk. Van pure, door razendsnelle fiddle aangedreven bluegrass over zware rock tot puntige punkrock: Hayseed Dixie serveert steevast authentieke, lekker vuil klinkende Americana. Tracks als "When Washington Comes Around", een song mooi gestut door banjo's en violen of "Stephanie Come To Me Secretly", zijn mooi verhalende songs, die je meteen meeslepen. Daartegenover leunt een song als "Frustration" meer aan bij hun vorige werk, rockgrass op zijn best! Er valt dus deze keer niet alleen te lachen, maar mocht u zich ooit op een feestje bevinden waarin de sfeer dreigt in te zakken, draai dan deze laatste vernoemde song en u zult zien hoe zelfs de grootste zuurpruim zal omslaan.



 

JOHNNY MAX BAND
A LESSON WELL LEARNED
Website - Myspace - Contact
Label: Pour Soul Records
Cdbaby
VIDEO

 

Deze Canadese band uit Zuid Ontario heeft pas zijn vierde cd klaar. Ze brengen blues en rootsmuziek volgepakt met eerste klas invloeden die daarenboven met veel verve gebracht worden. Een van de ingrediënten in hun sound is de New Orleans /Memphis stijl, maar een portie rock en een nog grotere portie blues maakt de mix compleet. Johnny Max is een uiterst sterke zanger, die de bijnaam Motion Machine verdient heeft op de podia van veel festivals. Een andere belangrijke kracht is gitarist Ted Leonard, maar hierover dadelijk meer. Drummer Duncan Mc Bain, bassist Bruce Longman en toetsenman Martin Alex Aucoin, die ook voor het grootste gedeelte van de composities tekende, maken deze uitstekende band volledig. De cd begint al dadelijk heel sterk, met "Down In History" een nummer dat opent met de Keith Richard gitaargeluiden van Ted Leonard, terwijl Johnny Max met zijn Delbert McClinton achtige zangstijl en stem, je met dit nummer al dadelijk de oren doet spitsen. In het volgende nummer "Banks Of The Credit" dat zo mogelijk nog sterker is, krijgen we the Stones meet Little Feat and the Band, waarin Ted Leonard soms klinkt als Keith Richards en het volgende ogenblik de unieke slidegitaargeluiden van Lowell George uit zijn mouw schudt, terwijl Johnny's stem herinneringen aan de hoogdagen van de Band voor de geest roept. En zo volgt het ene sterke nummer het ander op. De ganse plaat heeft een hoog Mc Clinton gehalte, om het kort te typeren, terwijl een aantal songs het geluid van de Band als stempel dragen (o.a. "Lesson I've Learned"). "Write Your Name" zit dan weer in de beste Ray Charles traditie. Pianist/songwriter Aucoin toont zich een waardige volgeling van Professor Longhair en Dr.John in "It's Not My Fault". In "Greezin" is de combinatie Stax/Muscle Shoals perfect gedoseerd om tot een pracht instrumental te komen. De cover "Have Mercy" van Don Covey en "Why I sing The Blues" van BB. King krijgen prachtige bewerkingen zodat ze niet moeten onderdoen voor de originele versies. Zelfs een aftelrijmpje als "Jack & Jill" ombouwen tot een stomende New Orleans Shuffle is geen probleem voor de Johnny Max band. Kortom, dit is een uitstekende plaat van een prima band die ik spijtig genoeg nu pas ontdek, en dat moet ik met het schaamrood op de wangen toegeven, maar beter laat dan nooit, niemand is perfect, hoewel.. Johnny Max?
(RON)



 

RANDY THOMPSON
FURTHER ON
Website - Myspace - Contact
Label : Jackpot Records
Distr. : Martha Moore
CD-Baby

 

“File under Americana/Country” staat er op de biografie die Martha Moore ons toestuurde als bijlage bij de cd “Further On” van Randy Thompson, een artiest uit Clifton, Virginia. Treffender kan je de muziek op deze cd inderdaad niet omschrijven. Echte countryrock die al meteen te beluisteren valt in de twee eerste songs op dit album “Don’t You See” en “Songbird”. Na twee vorige albums “Wearin’ Blue” uit 2003 en “That’s Not Me” uit 2004 kan je Randy Thompson op die ingeslagen weg horen verdergaan in de tien nummers op dit schijfje. Hij is een goede vriend en bewonderaar van Steve Young en dat respect kan je horen in zowat elke song, die evenzo op Youngs’ albums hadden kunnen staan. Op twee songs “Rocksalt & Nails” - een prachtige cover van de Utah Phillips countryballad - en de titeltrack “Further On” speelt de nu 80-jarige Don Helms mee, de legendarische steelgitaarmuzikant die ooit deel uitmaakte van de Drifting Cowboys, de begeleidingsgroep van Hank Williams. Ook de viool en mandolineklanken van Rickie Simpkins (ooit bij Emmylou Harris) zijn overal opvallend aanwezig in de liedjes op deze plaat. En de bij de opnames pas 15-jarige Colin Thompson - zoon van Randy - speelt slide gitaar op 2 nummers. Andere opvallendheid is dat de song “Further On” een op muziek gezette tekst is uit de jaren ’20 of ’30 van de hand van Wesley Sober, de grootvader van Randy Thompson. “Ol’ 97” is een oude lokale folksong die hier op swingende wijze ten gehore wordt gebracht en waarbij je de indringende geuren van de katoen-, riet- of tabakplantages van Virginia kan ruiken. Een coverversie van de bluegrass-klassieker “Molly & Tenbrooks” - ooit een hit in de jaren ’40 voor Bill Monroe - wordt hier op sublieme wijze door Randy Thompson neergezet. In twee andere liedjes gaat het er wat emotioneler aan toe: “Don’t You Remember” en “Riptide” gaan over de problemen in een huwelijk en de daarop volgende scheiding. En dan moet ik het toch ook nog even hebben over het absolute hoogtepunt op dit album: “Leave The Light On”, een heerlijke, vanuit het binnenste van het hart gezongen Bruce Springsteen-lookalike. Zoals je kon lezen omvat deze cd een periode van haast een hele eeuw die netjes ingekapseld wordt in tien puike songs. Een leuke plaat.
(valsam)



 

LEE EVERTON
INNER EXILE
Myspace
VIDEO 1 VIDEO 2
Label: Rootdown Records
Distr. : Sonic Rendezvous

 

"Inner Exile" is het debuutalbum van de Zwitserse singer-songwriter Lee Everton. En deze eerste proeve van bekwaamheid mag er best wezen, want dit is een album vol heerlijke akoestische niets-aan-de-handmuziek waarmee het aangenaam wegdromen is. Zijn liedjes lezen als een pleidooi voor veiligheid en geborgenheid, een toon die muzikaal gestut wordt door Alexis "Singha Dee" Amitirigala, Leon "Mandela" Duncan, Matias "Maze" Salami, Adrian Weyermann, Roman Bruderer, The Interruptor, The Kung Fu Horns, Pat Zihlmann, Roman Hosek en vooral de reggeaband The Scrucialists die hem meestal live begeleiden. Everton leunt in de traditie van zijn helden Bob Marley & The Wailers en Van Morrison, sterk op de reggae, maar waar tevens plaats is voor wat blues, country, folk, soul en pop. Hij slaagt er op die manier in om zowel krachtig als bescheiden te klinken en de luisteraar ruimte te laten voor een eigen interpretatie. Een recept waarin een flinke dosis zonnestralen en een uiterst laid-back gevoel worden gecombineerd met een gebrek aan pretenties en zorgen. Lee Everton maakt luie, zonnige en zorgeloze popliedjes zonder enige pretentie. Popliedjes waarvan je onmiddellijk de zomer in je kop krijgt. Popliedjes die alle donkere wolken doen verdwijnen. Popliedjes die smaken als koude biertjes op een broeierige zomeravond. Popliedjes die je hevig doen verlangen naar een mooie zomer. Niets nieuw onder de zon dus, een beetje reggae, een vleugje folk, zelfs een snufje blues, maar vooral veel prettig voortkabbelende luisterliedjes van hoge kwaliteit. Doe nog maar een biertje! En vergeet in de tussentijd niet te luisteren, want deze Lee Everton kan een hele grote worden. Voor alle mensen die maar niet op de zomer kunnen wachten, ga op de bank liggen en sluit je ogen. Het is net alsof je op een zonovergoten strand ligt en denkbeeldig de branding hoort met een cocktail in je hand. "Inner Exile" is een uitgesproken feelgood-plaat, de ideale soundtrack voor een mooie zomeravond. Een lieflijk juweeltje.



 

 

RAY BONNEVILLE
GOIN' BY FEEL
Website - Myspace
Label: Red House Records
Distr.: Music & Words

 

"Goin' By Feel", de zesde cd van de Canadees Ray Bonneville, is de opvolger van "Roll It Down" uit 2003, een album dat zoals het in Rootsland wel vaker gebeurt, veel later werd opgepikt door het een nochtans uitstekende reputatie genietende folk- en singer-songwriter-georiënteerde Amerikaanse label Red House Records (in de Benelux verdeeld door Music & Words). Op dit album was hij in het gezelschap van gerenommeerde muzikanten als Richard Bell (Bonnie Raitt, The Band) en Colin Linden (Bruce Cockburn, Blackie & The Rodeo Kings), op zijn nieuwe album koos Bonneville echter volledig voor een andere inbreng van artiesten. Onder leiding van producer Gurf Morlix (o.a. Lucinda Williams) - en er tevens op meespeelt - en met muzikanten als gitarist Brad Hayes, de drummers Rich Richards en Geoff Arsenault, en Eliza Gilkyson creëert Bonneville een prachtig donker sfeertje en beweegt zich op dit schijfje vrijwel voortdurend in hetzelfde vaarwater als Bob Dylan, Tony Joe White, Eric Clapton en vooral J.J. Cale. Want met deze laatste deelt Bonneville zijn nasale stem en zijn gitaarspel. Al liggen met betrekking tot dat laatste ook Clapton en Knopfler constant op de loer. Hij maakt gewoon zeer ontspannen en laid-back muziek en slaagt er ook in om ondanks die laid-back aanpak hele spannende bluesy muziek te maken. Bonneville maakt al meer dan dertig jaar muziek en de laatste twintig jaar schrijft hij ook zijn eigen liedjes, en daar is hij alleen maar beter van geworden. Net als "Roll It Down" kiest Bonneville immers voor een voornamelijk naar het intimistische overhellend rootsy bluesgeluid, waarin zowel folk als country ook de nodige aandacht krijgen. En mooi is het allemaal zeker wel want hij levert met deze plaat een echt meesterwerkje af. Naast een meesterlijk gitarist weet hij de meeste nummers van een prachtig smeulend bluesgevoel te voorzien. Ook zijn talent op de harmonica is in een aantal nummers sfeerbepalend. "Goin’ By Feel" kenmerkt zich door een onweerstaanbare groove. Bonneville zwerft al jaren door de VS, en dat hoor je terug in zijn unieke muzikale cocktail van swamp, blues, country en folk. Ray beschouwt zelf New Orleans als zijn grootste inspiratiebron. Ook Katrina ontbreekt ook hier niet, want met "I Am The Big Easy" brengt hij dan ook een emotioneel eerbetoon aan die stad. Vooral het ingetogen "Shy Star" en het politiek getinte "Carry The Fallen" waarvoor de man Eliza Gilkyson uitnodigde voor de harmonieën mogen wat ons betreft ook hier alle dagen op de radio. Wellicht draagt dat er toe bij dat dit de prijsnummers van deze prachtplaat zijn. Bonneville brengt gewoon de blues weer een stap verder - wat meer sophistication, wat meer diepgang, en dat zonder de essentie van de blues te verliezen, het blijft altijd de ruwe randjes en de pure kracht houden die bij de blues horen. Een vette swampy plaat die overigens in zijn geheel overtuigt, van een artiest die zichzelf Noord-Amerikaan noemt en dat valt te billijken. Want één van die prijsnummers, "I Am The Big Easy" zegt meteen genoeg en we kunnen dan ook met recht zeggen: He came a long way!



 

 

JOHNNY NEEL & THE CRIMINAL ELEMENT
VOLUME 1
Website - Myspace
Label: Breakin’ Records
VIDEO 1 VIDEO 2

 

Deze man kwam voor het eerst in mijn vizier toen ik de "Pattern Disruptive" LP van Dickey Betts kocht. Het mooie keyboardgeluid trok toen mijn aandacht, maar ook bleken de zeven sterkste songs op de LP door Neel geschreven. Dit hoorde natuurlijk ook Dickey's baas Greg Allman en "the rest is history". Johnny Neel kennen we nu natuurlijk van the Allman Brothers Band, hij is naast Greg Allman de tweede man op toetsen, want The Brothers hebben graag van alles twee, twee slide gitaristen, twee drummers, twee keyboordspelers en twee zangers. Hij is genomineerd omwille van zijn songwriting met een Grammy, en werkte ook met Lonnie Mack en Gov't Mule. Naast Hammond B-3, zijn hoofdinstrument, speelt hij ook piano, mondharmonica en niet te vergeten is hij een prima zanger. Artiesten die van zijn songs gebruik maakten waren onder meer vanzelksprekend The Allman Brothers, Joe Louis Walker, John Mayall, Ann Peebles, Irma Thomas en nog een lange lijst anderen. Johnny Neel nam zijn solo debuut "Late Night Breakfast" in zijn eigen studio op en naast de vaste muzikanten van zijn eigen band waren er ook bekende gastmuzikanten aanwezig als Shane Theriot (The Neville Brothers), Rick Vito (Fleetwood Mac) en Wayne Jackson (The Memphis Horns). Neel werd ook nog eens lid van "Blue Floyd" een jam band die bluesy versies bracht van Pink Floyd standaards. In deze band zaten ook Mark Ford (Black Crowes), Matt Abts (Gov't Mule), Berry Oakley, en de enkele jaren geleden gestorven superbassist van Mule, Allen Woody. Hierna volgde dan samen met drummer Matt Abts, X2, dat door pers en publiek goed onthaald werd. In 2004 maakte Neel nog "Gun Metal Blue" in feite zijn tweede solo cd. Je merkt het al, de bands waar Johnny mee optrekt zijn jam bands, die er voor bekend staan om op het podium lekker te improviseren en met mekaar in interactie te gaan, wat het spelplezier natuurlijk enorm doet stijgen. Johnny neemt met zijn Criminals Element deze gewoonte nog een stapje verder. Na het beluisteren van uren materiaal hun live opnames werden de mooiste passages als idee gebruikt voor de nummers op deze cd, en ook hier was het op die basiselementen dat de nummers als jams in de studio opgenomen werden. En dat hoor je, doorheen de cd loopt een sfeer van "losjes in de blues", improvisaties en vooral plezier in de studio. Krijg hierdoor echter niet de impressie dat we hier te doen hebben meteen rommelige bedoening. Integendeel, alles zit behoorlijk strak in het gareel, muzikanten van dit kaliber kunnen zich niets anders permitteren en zijn zo op mekaar ingespeeld dat ze soms wel telepathische gaven lijken te hebben en weten wat de ander gaat doen. Toch hoor je duidelijk dat er geen dingen vastgelegd zijn, maar dat maakt deze cd net zo mooi. "Toasted" is daar al dadelijk een goed voorbeeld van. Met een "..O.k, let's play that" geeft Neel het startsein voor "Toasted", een explosief en funky song met New Orleans ritmes en vinnige gitaarsolo’s en zo volgen er nog wel meer. "I Can’t Believe", een funky shuffle, houdt de dansbeat er flink in, het mooie intermezzo van Neel op Hammond en Randy Boen op leadgitaar, krijgen we er gratis bovenop, dit is duidelijk één van die jam momenten. Het hoogtepunt van deze opname krijgen we daarna: "What Am I Gonna Do?". Een langzame song waar ik maar niet genoeg van krijg. Naast Johnny Neel zingt ieder van de groepsleden, wat hier prachtige koortjes oplevert, en Randy Boen weer magistraal gitaarwerk toevoegt. The Criminal Element bestaat naast Randy uit Curt Redding op drums ook nog uit Russell Wright op bas, en alledrie komen ze uit de band Nine Mile, een vijfkoppige formatie waarvan ik niet weet of die nu nog bestaat. "Temperature" dan, na een paar minuten spelen maakt ook deze song weer de nodige ruimte voor het jammen, wat weer eens boeiende gitaarmomenten oplevert. Een van de drie andere zangers heeft een stem die qua timbre en zangstijl erg lijkt op die van Stevie Wonder, spijtig genoeg geeft de hoes-info weinig prijs. In "Find My Way" een rustige song, is het deze man die voor de vocals zorgt, en dat levert een knap, wat R&B getint reultaat op. "Slap It On Ya" geeft er, overeenkomstig de titel weer een lap op en is een vinnige en funky jam met op het einde reggea-elementen er in verweven. "Funk Pump" is echte P-Funk met een grappige wah - wah gitaar die bijna klinkt als een verkouden Donald Duck op speed. Niet direct wat ik van Johnny Neel verwacht had, maar met aangename verrassingen als deze mag hij vlug terugkomen. Begin maar aan volume 2, Johnny!
(RON)



 

 

OKIESON
TOMORROW’S GONE
Website - Myspace - Contact
Foto: Bertus Rosier
VIDEO 1 VIDEO 2



Een debuutalbum schept verwachtingen. Zeker als de intro ‘The Rain’ zo melancholisch inzet met omfloerste samenzang. Deze donkere regensfeer of country noir zet zich voort over de tien songs, door singer-songwriter Sebastiaan van Bijlevelt met zijn ietwat gruizige stem gezongen. Het ritme is eerder traag, waardoor je dit album als een sfeerscheppende laatavondplaat kan koesteren. Maar indommelen is uitgesloten want de bandleden inspireren tot wakker blijven. Vooreerst is er het drumspel van Floris de Jonge, met dat apart geluid dat de oren doet spitsen. Daarnaast zorgen bassist Ruben Trimbach en lapsteel-gitarist Bartjan Baartmans voor de originele inkleuring, zoals bij ‘Red Duck Dude’ of het ‘Savage Beauty’. En dan zijn er nog een rits gastmuzikanten die dit americana product uit Nijmegen een ‘Nashville’ onderdompeling geven, zoals bij ‘Dry Off’, een aanklampende song die lijzig zijn weg zoekt door het neveldal van de desillusies. Of bij het pakkende ‘Hoping For’, zwanger van ingehouden verzuchtingen. De songs zijn allen eigen poëtische invallen van Sebastiaan samen met bandlid Paul Van Gogh, die beiden de akoestische en elektrisch gitaarbegeleiding op zich nemen. 'Tomorrow's Gone' met gevoelvolle gitaarbegeleiding doet denken aan een veld met Monet’s klaprozen, zachtjes meedeinend in de avondwind. ‘Loneliness’ klinkt als een verdoolde geest op zoek naar een meertouw om zich vast te grijpen. Alle songs, op enkele na, asemen die sfeer uit die je ook vindt bij Wovenhand, Bonnie Prince Billy, Damien Rice of bij The Continental Drifters. Sebastiaan producete zelf deze cd die in de Wild Verband Studio werd opgenomen. Er had wel een inlegboekje bij gemogen met de songteksten, want nu gaat er wat van de poëzie verloren door de slepende wijze van zingen. Dat Sebastiaan, met zijn diepwarme stem, zich ook geluidssculptuur/ kunstenaar mag noemen, had zeker ook zijn invloed op deze stemmige cd, want de sfeer die wordt opgeroepen grenst aan de artistieke materialisatie van bitterzoete emoties.
Marcie

OKIESON LIVE

02 mrt 2008 16:00
Cambrinus - Horst
09 mrt 2008 16:00
Cafe van Rijn - Nijmegen
26 mrt 2008 20:00
Theater Borra - Amersfoort
15 mei 2008 20:00
De Bunker - Gemert
15 jun 2008 16:00
Festival Op De Toffel - Vierlingsbeek, Noord-Brabant



 

 

 

SIMON J. ALPIN
ON THE WIRE
Website - Myspace - Contact
Label : Ravine Records
Distr. : Sonic Rendezvous

 

Ondanks het feit dat ik me constant beweeg in het wereldje van de alternatieve indie music had ik toch ook nog nooit gehoord van Simon J. Alpin. Deze Londense artiest kan nochtans een indrukwekkend lijstje van samenwerkingsverbanden voorleggen met grote namen in dit genre. Hij trad op als sessiemuzikant bij de opnames van o.a. Teenage Fanclub, Lambchop, M. Ward, Willard Grant Conspiracy en Devendra Banhart. Voor zijn eigen eerste soloalbum kon hij een beroep doen op hulp uit dit exclusieve wereldje. Niemand minder dan Caitlin Cary, Danny George Wilson, Jess Klein, Willard Grant Conspiracy-voorman Robert Fisher en WGC-violist Josh Hillman speelden mee op “On The Wire”. Dit album werd zo goed als volledig live opgenomen in amper twee dagen in juni 2004 maar pas uitgebracht eind 2007. Waarom toen pas is ons tot op heden nog steeds zeer onduidelijk. Simon J. Alpin produceerde albums voor WGC en ook het prachtige “The Famous Mad Mile” van Danny George Wilson. Toch wil hij ook nu nog duidelijk een artiest in de achtergrond zijn en blijven. Zelfs in zijn eigen cd-boekje is er slechts een foto van hem volledig in het duister gehuld terug te vinden. Die cd is echter wel een schot recht in de roos voor deze gitarist en lap steelgitaarspeler die zijn typische Americana-sound met folk en countryinvloeden op vrij indrukwekkende wijze ten gehore brengt in elf zelfgeschreven songs. Zelf beweert hij beïnvloed te zijn door artiesten als Lowell George, Ry Cooder, Bob Dylan, Jackson Browne en Van Morrison, maar in enkele songs kan je ook stukjes Townes Van Zandt, Elliott Smith en Nick Drake terughoren. Simon J. Alpin beschikt overigens ook nog eens over een mooi stemgeluid en de toegevoegde sterke damesstemmen van Caitlin Cary (ex-Whiskeytown maar nu solo en ook nog één van de “Tres Chicas”) op 3 songs en van Jess Klein op 2 andere nummers maken het geheel bijzonder aangenaam beluisterbaar. Vooral de zachte, haast intieme ballads bekoren meteen ondanks de voornamelijk duistere onderwerpen die bezongen worden: afgebroken relaties, overleden vrienden en overdreven drankgebruik. Op “Row To Hoe” voel je de emoties die nog eens sterk geaccentueerd worden door de klagende vioolklanken van Josh Hillman. “All Talk” wordt meegezongen door Robert Fisher en krijgt daardoor een behoorlijk groot Willard Grant Conspiracy-gehalte. Op “Won’t Stop” is er wat meer swingende muziek te horen en een uitstekende backing vocalsbijdrage van Jess Klein. “Heading Out” is een einde-relatiesong waarin de zeurderige pedal steelgitaar ervoor zorgt dat je als luisteraar meegezogen wordt in de ellende die de zanger via de tekst probeert weer te geven. Naar ons gevoelen is “The Pass” veruit de sterkste song op “On The Wire” met een tekst gezongen héél diep vanuit de put, haast depressief en ook alweer over een stuk gelopen liefde. In amper drie minuten wordt je hart uit je lijf gerukt. Ook “Here With Me” borduurt verder op deze emoties. Ook ijzersterk is het verhaal over de tragische dood van een vriend genaamd “John Doe”. Als je een fan bent van de muziek van Willard Grant Conspiracy is deze debuutplaat van Simon J. Alpine een absolute aanrader die als sfeermaker onklopbaar zal blijken te zijn, zelfs al gaat het hier vooral om een sfeer van treurnis en droefheid. “On The Wire” is een plaat zoals er tegenwoordig jammerlijk veel te weinig van gemaakt worden. Alle liedjes zijn van zeer hoogstaande kwaliteit en worden na enkele beluisteringen alleen maar sterker. Topklassewerk.
(valsam)



 

GEOFF ACHISON & THE SOULDIGGERS
Website - Contact
Label: Jupiter II records

 

Moest je nog niet van deze man gehoord hebben, waartoe heel wat kans bestaat, dan heeft dat twee redenen. Ten eerste leefde Geoff tot voor kort in Australië, vanwaar weinig informatie ons bereikt en ten tweede heeft hij nooit bij een major getekend, zodat zijn platen enkel bij optredens als zoete broodjes van de hand gaan, maar er daarbuiten weinig rond gebeurd. Rootstime wil daar iets aan doen en duidelijk maken met wat voor een talent we hier te doen hebben. Zij die me kennen, weten dat ik een zwak heb voor goede gitaristen, en zodoende wil ik Geoff even in onze "blikvanger" plaatsen, en drie representatieve cd's van hem onder de loep leggen. De man heeft er ondertussen elf, daarom pikken we er drie sterke uit. Geoff staat bekend als een "gitaristen gitarist". In de isolatie van de Australische plattelandsgebieden ontwikkelde hij met zijn eigen middelen een eigen aparte geluid, dat vooral bekend staat om één belangrijk element, het ontbreken van gadgets en elektronische hulpmiddelen zoals effectpedalen en andere toestanden. Enkel met zijn handen tovert Geoff al deze mooie geluiden uit zijn gitaar, iets wat andere gitaristen en kenners, verbaasd de wenkbrauwen doet fronsen. Rond zijn twintigste speelde hij in Melbourne in de band van de bekende Australische bluesartiest Dutch Tilders, maar na een aantal jaren werden de eigen muzikale ideeën te sterk. Geoff wou zijn eigen muziek brengen, een soort blues met veel funky invloeden, muziek die diep in je ziel op zoek gaat naar de waarheid en eerlijkheid, vandaar de naam "Souldiggers". In 1995 ging hij dan voor het eerst naar Amerika, voor de wedstrijd van de Blues Challenge in Memphis en won de Albert King Award. Hij tekende een deal met Gibson om hun gitaren te promoten, en is als gast lesgever ieder jaar gevraagd op Jorma Kaukonen's "Fur Peace Ranch". Een plaats waar enkel topgitaristen les mogen geven aan andere gitaristen, en hun zo verfijnde kneepjes en eigenheden van een bepaalde stijl en sound door te geven. Spencer Bohren, die ik vorig jaar in deze blikvangers besprak en later interviewde, geeft er ook regelmatig les. In 1997 trok hij dan naar Engeland waar hij ook onder meer een live cd opnam, die we even verder ook zullen toelichten. In begin 2007 kreeg hij een aanbod om te verhuizen naar Atlanta, Georgia, wat hij ook deed en sinds een jaar woont hij nu definitief daar. Zijn laatste release is de Live cd "Souldiggin" waarvan ook een DVD bestaat, en iets vroeger werd de akoestische cd "Acho Solo" ook nog uitgebracht, die Geoff vanuit een andere hoek laat horen, want veelzijdig is deze meestergitarist zonder meer, plus een groot componist en songwriter.

SOULDIGGIN' CD

De vraag die je je stelt tijdens het beluisteren van dit stomende liveconcert is dan ook: Is dit Blues? Of Soul? Rockt dit? Is dit een Jam? - Het antwoord op al deze vraagjes is één volmondig:Ja! Maar hoe we het ook noemen, welke naam we er ook willen op plakken, dit is gewoon beresterke muziek. Omdat Geoff vooral een enorme live reputatie heeft, bespreken we daarom ook twee live cd's van hem, ééntje opgenomen in Australië (deze dus, de meest recente) en dadelijk de opname "In the U.K" die opgesplitst werd in twee delen de eerste helft akoestisch en daarna elektrisch versterkt. De aftrap in het St Andrews hotel in Victoria is "Tell Me Something I Don't Know". De stem van Geoff noemt men in artikels wel eens een mengeling van Joe Cocker en Warren Haynes, misschien, maar ik zelf hoor er veel in terug van Roger Chapman, (zanger bij Family en Streetwalkers, maar toch het bekendst vanwege "Shadow On The Wall" met Mike Olfield). In deze openingsong lijkt het gitaarwerk nogal op dat van Derek Trucks, één van mijn favoriete slidegitaristen. Enkele vroegere muzikanten van Geoff zitten schijnbaar nu ook bij Derek of hebben voor hem gewerkt. "Kerry Lou" een Texaanse shuffle die dan volgt, heeft lange momenten van improvisatie ingebouwd, die prachtig zijn, helemaal in de stijl van de huidige jambands zoals Gov't Mule en Phish. "Take What You Can Get" laat ons horen waartoe Geoff in staat is als hij eenmaal warmgespeeld is. Vanaf nu is mijn top vijf van favoriete hedendaagse gitaristen lichtjes gewijzigd, er staat een nieuwe naam op vier, na Jeff Beck, DerekTrucks en Warren Haynes, van welke drie er trouwens elementen in Geoff’s gitaarwerk terug te vinden zijn. En het gaat maar door, als een stoomwals rollen de prachtige gitaarklanken over je heen, "Sugar Sweet" met hoog jamgehalte, verplettert je gewoon. Om even op adem te komen, krijg je de rustige sfeervolle intro van "Reason to Live" een nummer dat daarna langzaam opbouwt om met een gitaarclimax te eindigen die je met verstomming slaat. In "Stepping Stones", weer zo een nummer waar gedurende tien minuten de sfeer langzaam opbouwt. Hier hoor ik dingen die volgens mij inderdaad ondoenbaar lijken op een gitaar zonder effectapparatuur en de intro van "Hotel" heeft zelfs iets "Voodoo Child" achtig, begin maar eens zonder pedalen. Een constante doorheen het hele concert is ook de funky elementen die doorheen zijn stijl verweven zijn. "If The Washin' Don't Get You, The Rincing Will" blijkt een succes geweest te zijn in Australië, en dat is begrijpelijk want deze shuffle heeft een drive die je benen aan hett werk zet, of ze nu willen of niet, dansen zul je! Afsluiten doet Geoff deze onvergetelijke avond met "Overtime”, een song die jazz, soul, funk en blues samen combineert tot een stomend geheel dat de zaal naar adem doet snakken.

SOULDIGGIN' IN THE UK

Het concert dat Geoff in 2001 in Engeland opnam had plaats in het kader van een "Bottleneck Blues Club" optreden in de Two Zone Studios in Benenden, Kent, en bestaat uit een combinatie van 5 akoestische songs en 6 met een band bestaande uit bassist Dave Clarke, drummer Sam Kelly en toetsenman Dave Lennox. Ditmaal bestaat het optreden vooral uit eigenzinnige bewerkingen van covers wat vooral in de unplugged afdeling verrassende resultaten oplevert. De songs gaan hierdoor een eigen leven leiden en herinneren nog weinig aan de originele versies. Bij dit optreden bespeelt Geoff nog zijn Les Paul Deluxe Gold Top uit 1969, die hij enkele jaren later noodgedwongen moet vervangen wegens slijtagetekenen en die vervangen is door een 2001 Paul Reed Smith Standard 22 'Gold Top' die je kan zien op de hoes van de Australische "Souldiggin' ", zijn meest recente cd. De solo akoestische set begint met "He's Got A Way With Woman" een bluesy A.J Groce's song, waarna Geoff's eigen "Beggin Bowl" het bluesgevoelen nog wat dieper uit zijn ziel naar boven haalt, letterlijk, als een Souldigger. Vrouwtje weg in de eerste song, de job en de centen in de tweede. Je zou voor minder de blues hebben. De mooie, erg aparte versie van "Voodoo", een Neville Brothers song met uitstekend gitaarwerk op de Gibson. De Hendrix cover "Castles Made Of Sand" is in tegenstelling wat je zou kunnen verwachten, ook erg rustig en ingetogen met subtiel, maar niettemin zeer effectieve gitaarbijdragen. Het hoogtepunt van deze solo set blijft voor mij echter de cover van Greg Allman's "Whipping Post". Als tijdens de tweede helft van het concert de lichtjes gewijzigde versie van de Britse "Souldiggers" het podium betreedt om Geoff van de nodige backing te voorzien, slaat dan het vuur in de pan. "Sugar Sweet" een song die Mel London schreef (en die we ook kennen in een versie van Muddy Waters en Freddy King) krijgt hier een versie waar de vonken van afspatten. Het gitaarspel van Geoff is hier zo spetterend, en heeft diezelfde virtuositeit die we kennen bij een Jeff Beck en waarvan vooral in dit nummer een duidelijke stijlovereenkomst te horen is. Willie Dixon's "Same Thing" met zijn mooie samenspel tussen Hammond B3 en gitaar en Robert Johnson's "Walking Blues" die hier een semi Bo Diddley ritme aangemeten krijgt, waarover Geoff improviserend, jammend, zijn gitaarsolos etaleert, losjes uit de pols en to the point, als de enige echte meester van de pure, zuivere sound. Na "Little By Little" met Dave Lennox in een hoofdrol, volgt nog Little Richards "Lucille", de rockklassieker die hier omgebouwd is naar een soepel rollende shuffle vol met hoe kan het anders, stomende gitaarpartijen. Afsluiter "24 hours" een nummer van Champion Jack Dupree, waarvan ik lang geleden als jonge knaap nog een live optreden meemaakte, is mijlenver verwijderd van de versie die deze barrelhouse pianist toen speelde, maar het getuigt van inventiviteit om zo een sobere klassieker te bewerken tot een funky hedendaagse blues. Getuige het uitzinnige applaus op het einde, de "Bottleneck Blues Club" ging uit zijn bol.


LITTLE BIG MEN

In tegenstelling tot het gedreven gitaarspel en de wat losse jam-achtige sfeer die elk live optreden van Geoff Achison typeert krijgen we op zijn studio cd "Little Big Men" een veel rustiger en perfect afgewerkt geluid, dat dikwijls meer een jazzy pop inslag heeft. "Crazy Horse" is een song die heel laid-back is en wat een J.J Cale stempel met zich meedraagt, vooral de gitaar "News" blijft wat in dezelfde lijn, maar voegt er nog wat Steely Dan aan toe, maar dan zonder in de steriele Donald Fagen geluidenval te trappen. Ook "Happening" met zijn funky baslijn breekt niet met die sfeer die nu vanaf het begin opgebouwd is. De bluesy jams die we kennen van de live optredens zijn ver af, maar dit is ook perfecte muziek, en ik ben blij dat we de veelzijdigheid van deze topgitarist zo ook leren kennen. Hier horen we Geoff meer bezig in een stijl die dichter aanleunt bij Lee Ritenour, Larry Carlton, maar met de inventiviteit en vernieuwingsdrang van Jeff Beck. Vooral in het prachtige "Rule The World" hoor je dit, dit is meesterlijk vakmanschap op gitaar. "Little Big Man" zet die jazzy lijn mooi door en de cd heeft daarmee een prachtig samenhang, want na "Feel Like A King", een ietsje meer funky van opbouw komt het luie "Wagging The Dog" met Geoff's gitaar die lekker voortkabbelt en perfect combineert met het prachtige geluid van de elektrische piano van Mal Logan. In het korte "Fake Identity" en ook in het volgende "Living In Fear" tovert Geoff weer geluiden uit zijn gitaar die vergelijking met Jeff Beck volledig bevestigen. Het reggea-ritme, gecombineerd met de bluesy riffs van Geoff in "Never Give It Up" maken ook van deze song weer een feest voor je oren. Even komt de sfeer van de live optredens naar boven in de energieke instrumental "Reach For the Sky" dat zijn naam niet gestolen heeft, want de song jaagt zichzelf naar hoger sferen tot een soort climax om uiteindelijk langzaam naar beneden te komen. In het slotnummer "Boy" zet Geoff de relaxte lijn van de rest van de cd door en sluit af met een ijzersterke song, waar deze cd trouwens vol mee staat. Acho, good on ya, mate!
(RON)



 

 

 

AL BASILE
THE TINGE
Website - Contact
Label : Sweetpot Records

 

 

Wie nu nog niet op de hoogte is van het bestaan van de uit Haverhill, Massachussets afkomstige Al Basile zou zich toch ééns dringend moeten beraden hier verandering in te brengen. Zijn laatste verschenen album "The Tinge" in een productie van Duke Robillard kan met recht en reden bestempeld worden als een zeldzaamheid qua sublimiteit. Geïnspireerd door grootheden als Louis Armstrong, die hij zelfs live aan het werk zag, slaagt Al samen met eerder vernoemde oprichter van de legendarische bluesband Roomful Of Blues, Duke Robillard (gitaar), Marty Ballou (bas), Mark Teixeira (drums), Bruce Katz (keyboards) en de blazers Rich Lataille en Doug James, er in een waar meesterwerkje neer te poten die naar mijn mening wel ééns geschiedenis zou kunnen schrijven. Zeg maar de helft van de vroegere line-up van Roomful of Blues, bij wie hij zijn carrière begon in 1973 als eerste trompettist in deze jump blues band. In 1975 verliet hij de band om pas in 1998, aan zijn solo carrière te beginnen. "The Tinge" is zijn zesde album voor het label Sweetpot Records, en waren zijn vorige albums "Down On Providence Plantation" (1998), Shaking the Soul Tree" (2001) en Red Breath (2003) welliswaar meer jazz, soul en roots gericht, zijn voorgangers "Blue Ink" (2004) en "Groovin' in the Mood" (2006) meer blues getint, zijn we nu zeer verwonderd dat zijn zesde op de rij ook een zeer soulvol album is geworden. Al Basile is alleen als vocalist te horen en is tevens ook de songschrijver van alle dertien nummers. Reeds in de eerste song, het rockende "Go Back Home to the Blues", kan men kennis maken met dit uitzonderlijk geluid dat deze band voortbrengt en laat Al even zijn kunsten op trompet horen. De songs kunnen we best omschrijven als swingende jazz-getinte blues, soms gedurfd en gewaagd te noemen en dit in verschillende stijlen als big city blues in de reeds vernoemde openingstrack en "Too Slow", R&B in "Just Wait and See", iets meer country-pop gericht in "Can I Trust You With a Kiss" of zelfs een song die kan doorgaan als een echte jazz tune "Give Me the Rainbow". Maar alle songs hebben dat smooth - jazz - blues - gevoel, zoals we dit kennen van Cleanhead Vinson of Joe Williams. "While We're Dancing" en "Can I Trust You With A Kiss?" zijn hiervoor de beste voorbeelden van Al's prachtige jazzy blaaswerk. De hoogtepunten zijn echter de ultra-funky groove in het bluesy "Daddy Got A Problem" en "Just Wait And See", songs waarin Robillard's gitaarwerk en Basile's stem mooi hand in hand gaan. Al Basile laat op deze plaat wederom horen een getalenteerd songschrijver te zijn en brengt zijn R & B in alle oprechtheid en eerlijkheid, zo kan ik "The Tinge" het best omschrijven.