ARCHIEF - OKTOBER 2008 - NOVEMBER 2008 - DECEMBER 2008

JANUARI 2009 - FEBRUARI 2009 - MAART 2009

EACH MONTH MORE THAN 100 REVIEWS FOR YOUR ROOTS LOVIN' EARS!

 

CLINT MAUL - BROKEN RECORD

COLIN LINDEN - SOUTHERN JUMBO

SHAWN PITTMAN - MERIDIAN

RUFUS HUFF - RUFUS HUFF

PO’GIRL - DEER IN THE NIGHT

CHASE THE SUN - CHASE THE SUN - LIVING FREE / SWEET CANDY

JIMMY PETTIT - VEGAS HOTEL

JOHN CHAMBERS - SIMONE

FAYSSOUX - EARLY

PAUL MAYASICH ---SPECIAL----

 


 

 

CLINT MAUL
BROKEN RECORD
Website Myspace CD-Baby

 

 

Clint Maul is een alt.country singer-songwriter uit het Amerikaanse Richmond, Virginia die met het album “Broken Record” zijn debuutalbum op de wereld heeft losgelaten. Naar het voorbeeld van Paul Westerberg in diens formatie ‘The Replacements’ en andere singer-songwriters als Merle Haggard, Bob Mould en Gram Parsons brengt Clint Maul op deze plaat voornamelijk alternatieve pop- en rockmuziek. Daarvoor heeft hij enkele ex-bandleden van ‘Sparklehorse’, ‘The Silos’ en ‘The Jayhawks’ uitgenodigd in de studio om hem bij de opnamen van het 12 songs tellende album te assisteren. ‘The Silos’-producer Bob Rupe zat daarbij achter de knopjes. De titel van het album refereert naar een afgebroken relatie die ook aan de oorsprong ligt van de songteksten voor deze twaalf zieltjeshelende liedjes. Het blijft toch indrukwekkend wat voor een mooie muziek er gemaakt wordt door artiesten die met miserie en verdriet moeten omgaan. “Never Learned To Swim” mag het album in gang schieten met zijn op een drumbeat geënte sound waarna er een stevige gitaarrocker wordt geserveerd met “Opposite Luminous” en de gejaagde stem van Clint Maul ons hijgend doorheen deze uptemposong stuurt. Even wat verademing met een pedal steel countrysong in “Dear Rearview Mirror” waarin we even denken met de nieuwe plaat van onze ‘Admiral Freebee’ te maken te hebben. “Do Over” is een aan de eerder vernoemde ‘Jayhawks’ schatplichtige song, gevolgd door de mooie titeltrack “Broken Record” waarin het grote liefdesverdriet wordt geëtaleerd. De perfecte popsong wordt nagestreefd in het Neil Young-achtige nummer: “Really Like America” waarin een koortje een aanstekelijk, catchy refreintje meejoelt. Een grappige tekstuele kwinkslag valt te beluisteren in het vakkundig getitelde “Time Waits Not Tom Waits”. Countrysong “Pants On Fire” mag ook in deze categorie ‘grappig’ ingedeeld worden. Dan komt onze favoriete song op deze plaat “Alone Star State” onze oortjes verblijden op ‘Sparklehorse’-iaanse wijze. Cd-afsluiter “Hell On A Heart” mankeert een beetje het heilige vuur, is te kort en te demo-achtig maar had mits wat meer animo een betere song kunnen worden. De algemene beoordeling van Clint Maul’s “Broken Record” is echter positief te noemen en doet ons bij Rootstime nu al uitkijken naar toekomstig nieuw werk van deze man. (valsam)


 

COLIN LINDEN
SOUTHERN JUMBO
Website Myspace
Label: True North Records
Distr.: Codaex

 

 

"Southern Jumbo" van de Canadese blanke bluesman Colin Linden is een heerlijk, bij tijd en wijlen zelfs dansbaar plaatje. Maar er is nog meer, want het label True North Records waarvan de cd's hier in de Lage Landen in het verleden zeer moeilijk verkrijgbaar waren, heeft nu zijn onderdak gevonden bij Codaex en daar zijn we zeer blij mee. Vanaf nu liggen oudere en nieuwe cd's van Blackie and the Rodeo Kings, Tom Wilson, Stephen Fearing, Bruce Cockburn e.a. in de rekken, zo ook deze "Southern Jumbo" uit 2005. Hij is bijna een vijftiger en speelde met grote namen als The Band, Leon Redbone, John Hiatt, Lucinda Williams en Bruce Cockburn. Zijn gitaarspel is beïnvloed door zijn grote voorbeeld Howlin' Wolf en ademt de typische sfeer van The Band, zonder te vervallen in imitatie. Vandaar ook, dat zijn collega-muzikanten hem steeds weer weten te vinden, hij speelde al op meer dan 200 albums en heeft daarbuiten vele cd's zelf geproduceerd. Linden maakte de afgelopen twintig jaar slechts sporadisch platen, maar is sinds 2000 een stuk constanter in zijn releases. Zo verscheen in dat jaar Sad & Beautiful World, vervolgens Big Mouth (2001) en met Southern Jumbo laat hij wederom horen dat hij van alle markten thuis is. Want of het nu om een potje ferme blues, rock, country of soul gaat, de Canadees draait er zijn hand niet voor om. Ook op "Southern Jumbo" laat Linden zich wat stijl betreft geen enkele beperking opleggen en trekt hij met assistentie van onder andere The Memphis Horns stevig van leer in bluesnummers als "Bucket Of Soul" en "I Give Up", om vervolgens even bij te tanken in "Go Back Old Devil", een relaxt countrybluesje-voor-op-de-veranda. Maar er is ook plaats voor prachtige ballads ("That Was Me" en "Train Left An Hour Ago") en zuidelijke shuffles ("Might A well Enjoy The Rain"). En daarna gaat het weer met opgestroopte mouwen verder in de stevige rockers "Test Song" en "Dog Catcher". The Memphis Horns maken inderdaad dat we van een zuidelijke mix kunnen spreken. Een mix die zich de komende zomermaanden prima zal laten smaken. Linden die hier een kundig partijtje country/old-time blues speelt, wordt al dan niet begeleid door o.a. bassist Larry Taylor en drummer Stephen Hodges, die beiden ook Tom Waits al meerdere malen bijstonden. Blues kun je beschouwen als een vrij primitieve muziekvorm, en dat is meestal ook de kracht van de muziek, het gaat om emotie, het gaat om verdriet, het gaat om ellende, en hoe rauwer de muziek, hoe beter die emoties tot hun recht komen. Dat heeft Linden heel goed begrepen, maar hij voegde iets toe dat in de blues vrij zeldzaam is - subtiliteit. En als ik zeg dat hij subtiliteit toevoegde bedoel ik dat ook letterlijk zo. Het knappe is namelijk dat hij de rauwheid en de ongepolijstheid van de blues juist vast weet te houden, en misschien zelfs wel weet te versterken, terwijl hij door de geraffineerde arrangementen en de ingenieuze ritmewisselingen meer diepgang weet te bereiken dan in het genre gebruikelijk is. Hoewel Linden muzikaal gezien met alle winden meewaait, weet hij toch een opvallende eenheid tussen de nummers te bewaren. En dat is de kracht van de echte liedjesschrijver. Dat levert opwindende akoestische countryblues op die niet snel zal vervelen.

Op 15 juni 2007 is Richard Bell die op "Southern Jumbo" zijn medewerking gaf aan de gevolgen van kanker overleden. De Canadees Bell was in het verleden lid van Ronnie Hawkin's Hawks. In 1991 nam hij de vacante plaats van pianist in bij The Band. In 2006 trad hij ook toe tot Burrito Deluxe. Verder is hij te horen op platen van Bob Dylan, Judy Collins, The Cowboy Junkies, Janis Joplin, John Sebastian, Fred Eaglesmith, Bonnie Raitt, Karen Dalton, Blackie And The Rodeo Kings .... en bij Colin Linden.


 

 

SHAWN PITTMAN
MERIDIAN
Website CDBaby
VIDEO 1 VIDEO 2

 

 

Shawn Pittman is één van die jonge Texaanse gitaristen, die samen met andere beloftes als Johnny Moeller, Gary Clark Jr., Nick Curran en Mike Keller the "Lone Star State" vertegenwoordigen op bluesgebied. Afkomstig uit Oklahoma, begon hij op zijn grootvaders strat te spelen en leerde wat Chuck Berry riffs, en ging van daar uit een stap terug, naar de basis. De muziek van blues-oudjes als Jimmy Reed, Elmore James en Albert King probeerde hij op de akoestische gitaar die hij zelf gekocht had onder de knie te krijgen en toen dat stilaan begon te lukken maakte hij kennis met de muziek van Texas via gitaristen als Anson Funderburgh en Mike Morgan. "Ik moet naar Dallas" dacht de jonge Shawn, want dit voelt als familie. De basis van Otis Rush en Chicago grootheden als Muddy Waters en Howlin Wolf was natuurlijk belangrijk maar toch waren zijn directe invloeden de Texaanse jongere generatie gitaristen als Jim Suhler en Paul Size even belangrijk voor hem. Hij begon in de groep van Mike Morgan, the Crawl, even later in de begeleidingsband van Susan Tedeschi en begon daarna aan een solo carrière. In 1996 kwam "Blues From Dallas, Texas" en wat later verhuisde Shawn naar Austin, waar hij nog steeds woont. De bekende Ron Levy bracht de in eigen beheer verschenen cd opnieuw uit, en daarna volgde "Burnin' Up" en "Something's Gotta Give", een cd waar Pittman wat invloeden van soul en funk aan toevoegde. Spijtig genoeg ging het Cannonball label over de kop en Shawn moest het terug alleen rooien en greep terug naar de pure blues met "Full Circle" in 2001, drie jaar later volgde "Stay" een release waar hij toch weer terug greep naar soul, zijn tweede liefde na de blues. De cd had duidelijke Stax invloeden. De donkere krachten die Pittman's optredens tot een enorme intensiteit lieten uitbloeien, waren echter ook tezelfdertijd deze jongeman zelf ten gronde aan 't brengen. Hij werd onberekenbaar en nam de beslissing om volledig te stoppen met het "Life On The Road", en een dagjob te zoeken. Na twee jaar bureelwerk kon Shawn echter the lokroep van de muziek niet weerstaan. Hij had alles weer op een rijtje en begon in mei 2008 terug met schrijven en optreden. "Meredian" is het resultaat, een no -nonsens bluesplaat, opgenomen zoals zijn optredens: drie man, live, geen overdubs. Daardoor klinkt deze cd bijna als een live optreden. Hij speelt met de diepte en de gevoelsvolle flair van een oude bluesman, maar met de energie van een rebelse jonge rocker. Luister maar naar zijn afsluitende instrumental "Hurricane" en het wordt je duidelijk. (RON)


 

RUFUS HUFF
Website Myspace
Label: Blues boulevard
Distr: Music-Avenue
VIDEO 1 VIDEO 2

 

 

Neen, Rufus Huff is geen soloartiest, maar een groepsnaam. Al verwacht je bij deze naam een zoetgevooisde alt.country artiest of folkie, toch is het heel wat anders wat we voorgeschoteld krijgen. Toen we tussen de bezetting de naam van Greg Martin op gitaar zagen opduiken wisten we meteen wat we konden verwachten, namelijk ruige zuiderse gitaargeluiden en boogieritmes. We kenden hem inderdaad al sinds zijn periode met Kentucky Headhunters als een topgitarist die desondanks nooit de faam kreeg die hij verdiende (zie clips). Zowat twee jaar geleden waren we nog zwaar onder de indruk van zijn band die hij samen oprichtte met Jimmy Hall, de gouden stem van de vroegere Southern rockband Wet Willie, samen hadden ze de Mighty Jeremiahs als gelegenheidsband gevormd, een band die Southern rock perfect wist te mixen met gospel en er een uniek genre van maakte. Wat later dook Greg terug op met weer een nieuwe band: Taildragger en op hun cd "Skeptic Tank" maakten ze extra ruige, hedendaagse Southern. Deze Rufus Huff leunt daar sterk bij aan, want de gensters vliegen ook hier in het rond. Greg Martin is en blijft een gitarist die weinig concurrentie heeft, vele rootsliefhebbers zullen misschien wat hij doet niet kunnen smaken wegens te hard, ikzelf heb het er ook wat moeilijk mee, maar de onstuitbare power en drive waarmee het gebracht is, maakt veel goed. Dikwijls komt het geluid van Greg Martin in de buurt van Billy Gibbons en zijn Texaanse baardmannen, ook vocaal is dit het geval, want Jarred England is een zanger met een ruig bluesy stemgeluid in de allerbeste traditie. Het risico dat de Rufus Huff echter gaat klinken als de zoveelste Amerikaanse jaren zeventig hardrockband met spandexbroeken en bandana komt regelmatig om de hoek kijken, maar gelukkig is Greg Martin er om dat in de hand te houden door het hoge ZZ Top gehalte in zijn gitaarstijl. "Good Morning Little Schoolgirl", duidelijk geschoeid op Alvin Lee's versie, mixt hij dan ook vakkundig met de nodige Texaanse boogie-invloeden, zodat deze wat overcoverde song toch weer boeiend blijft. Laat het ons maar duidelijk stellen, zonder Greg Martin was deze "Rufus Huff" een doordeweekse cd geworden, nu neemt hij samen met die drie andere bands waarin hij speelde een apart vakje dicht bij mijn cd speler in, binnen handbereik. (RON)


 

PO’GIRL
DEER IN THE NIGHT
Website Myspace
Distr.: Lucky Dice Music
CDBaby VIDEO

 

 

Sommige opgroeiende meisjes nemen flarden van geheime sprookjes mee, verborgen in hun rafelige jurkzakjes of bewaard tussen hun dagboekbladen. De songwriters Allison Russell en Awna Teixeira uit Canada zouden tot dat meisjesclubje kunnen behoren, ervoor terugdeinzend om van hun droomwereldje af te dalen. Maar al vroeg thuis weggegaan uit Montreal en Toronto, lieten zij sommige herinneringen liever achter zich. Sprookjes kunnen ook angstaanjagend zijn. Hun muziek echter bleef feeëriek en leunt aan bij fantasie en symboliek. Het songweefsel is pure poëzie doortrokken met glanzende gouddraad waarbij vooral de klarinet voor schittering zorgt. Ook de vrouwelijke vocalen en harmonieën doen folky sprookjesachtig aan al zingen zij over hartzeer en liefdespijn. Naast hen voegt ook multi-instrumentalist Benny Sidelinger zich bij Po’Girl en krijgt dit musicerend trio nog het gezelschap van een achttal gastmuzikanten. Gitaren, dobro, harmonica, wurlitzer, clavinet, piano, drums en percussie verbreden het klankenpalet. De banjo en accordeon voegen er originele toetsen aan toe. Eén voor één volgen de songpareltjes elkaar op, dralend in een weemoedsfeer of twijfelend tussen een dansbaar ‘Gandy Dancer’ of een bevrijdend ‘Sing Away’. Vooral ‘Fool’ en het betoverende ‘Dig Me A Hole’ blijven melodisch en instrumentaal vasthaken. Klarinet en banjo variëren het ritme. Het trio bespeelt zowat alle emoties gaande van verwondering, droefenis, blijdschap, groeipijnen en vriendschap tot het verlangen om alle geheimen van het leven te ontsluieren. Op één na schreven de zangeressen alle teksten zelf. Daar je geneigd bent om vooral naar melodie en de rijke instrumentatie te luisteren, ware een boekje met de lyrics welkom geweest. Want overstelpt door de variatie in instrumentatie en de emotie in de zanglijnen, ga je nu niet op zoek naar de samenhang of het verhaal. Maar hun muziek is uniek zodat je hen slechts in de verte kan vergelijken met Lynn Miles, Natalie Merchant of de McGarrigle zusjes. Hun invloeden zochten de zangeressen niet alleen in folky kinderverhalen, maar vonden zij ook in meer volwassen leef- en muziekcontouren waar de muziek zalft op de plaatsen waar het schrijnt. Country, jazz of blues, om het even als het maar integer en oprecht overkomt bij Allison en Awna. Dit album, dat opgenomen werd tijdens een passage in Austin, Texas is al hun vierde. Het rusteloze vertaalt zich verder in hun constant toeren door Amerika en Europa en in hun zoektocht naar traditionele of nieuwe muziek die zij op fijn vrouwelijke wijze tot iets geheel eigens transformeren. (Marcie)


 

CHASE THE SUN
CHASE THE SUN
LIVING FREE / SWEET CANDY
Website Myspace
CDBaby
Booking: Chase The Sun management Contact

 

 

Sommigen zijn al lang moe van al die nieuwe bandjes van tegenwoordig, allemaal pittige bandjes die allemaal in het afgelopen jaar hun debuut hebben uitgebracht. Met de komst van het titelloze debuut van de Australische band Chase The Sun, kun je denken: alweer één? Maar in een poging de plaat toch op waarde te schatten en niet meteen als de zoveelste rootsband aan de kant te schuiven, heb ik ook dit debuut meermaals beluisterd. En hij is blijven hangen. Jan Rynsaardt (gitaar en vocals), Ryan Van Gennip (bas) en Jon Howell (drums en percussie) doen denken aan de muziek van de eind jaren zeventig, de old-school akoestische blues. Frontman Jan Rynsaardt roots liggen in Sydney, al in 2003 vormde Jan zijn eigen band Rynsaardt, een bandnaam die later veranderde in Freeway. Met deze blues-rock-band tourde hij regelmatig en deelde het podium met grote namen uit de blues en roots scène, als Jeff Lang, Ian Moss, John Butler, Johnny Winter en Walter Trout. Met zijn nieuwe band Chase The Sun versmelt hij meer de akoestische plattelandsblues uit zijn jeugd met hectische grotenstadsgeluiden. Het resultaat is een dampende ketel ruige blues die regelmatig overkookt. Nog meer dan zijn gitaarspel is zijn stem, Rynsaardt grote troef. Als een kameleon verandert die per nummer van kleur. Aan het eind van de cd hebben we alle varianten van de kleur 'rauw' wel gehoord. Soms hoor je Howlin' Wolf, soms Tom Waits, soms denk je echt met Roger Chapman van doen te hebben. Op de beste momenten herinneren stem en muziek me aan de twee Elektra-cd's die de in 1993 overleden Louisiana bluesman John Campbell maakte. Chase The Sun is inmiddels een graag geziene band in Australië, al waar ze naar het schijnt de boel regelmatig plat te spelen. Op hun debuut cd kan ik me daar wel iets bij voorstellen. Chase The Sun maakt energieke rootsmuziek. De liedjes zijn ongecompliceerd in de zin dat er (op het gehoor althans) geen ingewikkelde capriolen worden uitgehaald. Het is recht toe recht aan, zonder virtuoze solo’s, ingenieuze akkoordenschema’s of innovatieve ritmes. De muziek is duidelijk beïnvloed door blues en roots. Opvallend aan de liedjes is dat de teksten allen een zelfde sfeer uitstralen. En dat is geen sfeer om vrolijk van te worden. De meeste liedjes gaan over de zinloosheid en de doelloosheid van het dagelijkse leven. En al deze somberheid is dan wel weer verpakt in pakkende, energieke liedjes. Op een zodanig ongecompliceerde manier dat je bij Chase The Sun absoluut niet het gevoel hebt dat ze bewust aan een bepaalde muziekhype meedoen. "You Gotta Go", "I'm Going To Hell", "Gypsy Woman" en "Come Back Around" ... het zijn hele knappe songs die Chase The Sun ons voorschotelt. Pas verscheen er ook "Living Free / Sweet Candy", een single met 3 heerlijke songs. En als deze tracks: "Living Free", "Sweet Candy" en "Living Free (Cut to the Chase Edit)" een vooruitblik zijn op een nieuwe cd, hoeven ze met dit nieuwe werkstuk niet lang meer te wachten, want dit zijn wederom songs die heerlijk in het gehoor liggen, maar die tegelijkertijd weten te verbazen en te verrassen, een zeldzame combinatie.


 

 

JIMMY PETTIT
VEGAS HOTEL
Website CDBaby

 

 

Hoewel hij reeds jaren meedraait in de Austin scéne, van midden jaren zeventig om precies te zijn, heeft zijn naam niet die weerklank als vele van zijn stadsgenoten. Dat verwondert me erg, zeker na het beluisteren van zijn cd "Vegas Hotel", wat om maar meteen met de deur in huis te vallen, een verrassend sterke release is. Na wat omzwervingen in plaatselijke jazz rock en punkbands ontdekte Jimmy dat zijn roeping lag in de rootsmuziek en midden jaren zeventig kwam hij in contact met Joe Ely, in wiens band hij een tijdje speelde, waarna hij de band verliet om enkele jaren nadien weer terug te keren. Hij deed opnames op bekende labels zoals Elektra, Hightone en Antone’s, toerde daarna een ganse tijd als bassist met de te vroeg overleden John Campbell, en deed er ook een plaatopname mee. Diens "Voodoo Edge" nam Jimmy nu ook op voor deze release. Mason Ruffner, Lloyd Maines en Joël Guzzman zijn andere rootsmuzikanten waarmee hij samenwerkte. Zijn stijl is heel apart, een bluesy soort roots-rock is wat zijn cd vult. Met zijn ruige, gritty stem die zelfs wat herinnert aan die van John Campbell, declameert hij meer tekst dan dat hij zingt en zijn teksten zijn al even apart. Het lijkt allemaal heel erg op de muziek die begin jaren negentig gemaakt werd door de groep "Mystery Slang" en hun cd "River Towns". Waarschijnlijk toeval en vermoedelijk heeft Jimmy nooit van deze obscure band gehoord. De erg aparte muziek van beiden is echter enorm gelijkend. Een mysterieuze sfeer dwaalt hier ook door alle nummers, invloeden van Captain Beefheart, Tom Waits en Howlin’ Wolf zijn duidelijk aanwezig, swamp meets voodoo… Het geheel klinkt heerlijk zuiders en zwoel, een broeierig soort bluessongs, dat is wat Jimmy maakt. Met knipoogjes soms, naar Prince bijvoorbeeld: "Tonight I’m Gonna Party Like It’s 19…29" zingt hij in "Portfolio blues 9" en even verder in dezelfde song komt een bekende ZZ Top gitaar riff regelmatig terug. "Wolf In Sheep’s Clothing" is ook een zeer zwoel klinkend nummer, met bezwerende, half gefluisterde teksten met een diepe ruige modderig klinkende stem. Jimmy Pettit heeft met deze "Vegas Hotel" een van de meest aparte klinkende releases van dit jaar op ons losgelaten. Ik ga ‘m in ieder geval binnen handbereik plaatsen, want dit is voor herhaling vatbaar. (RON)


 

 

JOHN CHAMBERS
SIMONE
Website Myspace Contact
Label : Cat Dragon CD-Baby

 

De gilde van de singer-songwriters groeit in deze lenteperiode sneller aan dan de paddenstoelen in de weide of de ontluikende bloemknopjes op de magnoliaboom. Met John Chambers uit het Amerikaanse Lubbock, Texas hebben we er al weer een uitstekend exemplaar bij gekregen. Dit stadje - waar ook Joe Ely opgroeide en nog steeds verblijft - ademt muziek uit die zeer typerend voor de Texaanse sound kan genoemd worden. Toen hij jaren geleden van de universiteit stapte begon John Chambers aan een carrière als scriptschrijver voor tv-series en deed hij ondertussen 100-en-1 klussen om in zijn levensnoodzakelijke behoeften te kunnen voorzien. Zijn positieve ingesteldheid, zijn optimisme en zijn onvoorwaardelijke liefde voor muziek sleurden Chambers door menige moeilijke periode in zijn leven. In de tien liedjes die op zijn debuutplaat “Simone” staan hoor je het verdriet en de hartenpijn in songs als “Virginia” en “Driving In the Rain” maar ook die inhoudelijk wat trieste nummers worden met een positieve en optimistische kwinkslag gezongen. In de vakpers deinst men er niet voor terug om zijn songschrijvercapaciteiten te vergelijken met artiesten als Jerry Garcia, Peter Gabriel en Paul Simon. De bevestiging van dergelijke beweringen kan je beluisteren in nummers als “Donuts”, “Prairie Fire” en “Blesses The Sky”. Onze onvoorwaardelijke waardering gaat echter het meest uit naar de titeltrack “Simone” waarin Maureen Murphy voor een subtiele vocale ondersteuning zorgt, naar “Lacey” dat een echte feelgood-song blijkt te zijn en naar het in duet met Tommy X Hancock gebrachte nummer “So Still, So Green” dat echt een songpareltje van de zuiverste soort mag genoemd worden. Tussendoor zorgen songs als “Charlie Chaplin Highways” en het afsluitende “Little Star” voor het cement dat het geheel van sterke nummers stevig aan elkaar verbindt. Het album “Simone” van John Chambers is een fijne cd die ook in de volgende maanden nog menig keer in onze muziekinstallatie zal belanden. (valsam)


 

FAYSSOUX
EARLY
Website Myspace Contact
Label : Red Beet Records
Distr. : Hemifran CD-Baby

 

 

Fayssoux McLean is niet meer van de allerjongsten maar ze was in vervlogen tijden toch één van de gekendste backing vocalisten bij grote sterren als Rodney Crowell en Emmylou Harris. Vooral op diens eerste vier soloplaten “Elite Hotel”, “Quarter Moon In A Ten Cent Town”, “Pieces Of The Sky” en bestseller “Luxury Liner” speelde Fayssoux een vooraanstaande rol, toen nog als Fayssoux Starling omwille van haar toenmalige huwelijk met John Starling (leadzanger van de formatie ‘Seldom Scene’). We weten ondertussen allemaal dat Emmylou Harris zelf één der beste en meest gevraagde backing vocalisten ter wereld is. Haar keuze voor Fayssoux kan dus als een hele eer gezien worden. De dames zijn ook zeer goede vrienden, zo moge blijken uit de drie nummers op dit debuutalbum “Early” waarop Emmylou Harris - o ironie – nu zelf de tweede stem voor haar rekening neemt. Deze eerste full-cd onder eigen naam is een brede mix van zorgvuldig gekozen traditionals, covers en een aantal zelfgepende liedjes. “The Blackest Crow” waarmee de plaat start is zo’n traditionale folksong over de pijn bij het verlies van een geliefde. Hierop zorgt naast Mrs. Harris ook Peter Cooper voor harmony vocals. Het was deze journalist-muzikant die Fayssoux overtuigde om na meer dan twintig jaar op muzikaal non-actief te hebben gestaan en een nieuwe loopbaan als lerares terug in de muziekwereld te stappen en een eerste soloplaat uit te brengen. Peter Cooper nam zelf plaats in de producerstoel voor dit album. De zelfgeschreven titeltrack “Early” is een typische countryballad waarin Fayssoux en Emmylou in perfecte harmonie samen voor hemelse engelenzang zorgen. Dan wordt de snelheid wat opgedreven in de countryrocker “Save It! Save It!”. Deze zangeres schrijft ook heel mooie liedjes, getuige daarvan de gracieuze pedal steel tearjerker “I Know It’s Over” waarin Emmylou’s klagende stem voor een extra traantje helpt te zorgen. De legendarische Lloyd Green is de man die de pedal steel op dit nummer inspeelt. Een ander hoogtepunt op deze uitstekende countryplaat is de song “California Earthquake” geschreven door Rodney Crowell en heel aangrijpend gezongen door Fayssoux. Iets minder naar onze smaak zijn de religieus geïnspireerde traditionals en gospelcovers “Amen Children” en de cd-afsluiter “Weepin’ Mary”, beiden tracks met Ricky Skaggs op mandoline. Gelukkig zitten daartussen nog enkele songs over de hartenpijn en het grote liefdesverdriet in “Walking Home In The Rain”, “I Know How It Feels To Love” en “Miss The Mississippi And You” waarin Fayssoux zelfs even laat horen dat ze ook de kunst van het jodelen onder de knie heeft. Laat alle positieve perskritieken op deze debuutplaat vooral een stimulans zijn voor Fayssoux McLean om nog een tijdje verder te gaan met de muziek en met het zingen. Want deze plaat is een echte verademing tussen alle lawaai dat we in deze tijd op de radio noodgedwongen moeten aanhoren. (valsam)

Fayssoux BeNeLux Tour 2009

23.05.09 - Bluegrass Festival, Voorthuizen, NL
24.05.09 - Het Vliegend Tapijt, Marke, BE
27.05.09 - TBA, Amsterdam, NL
28.05.09 - Het OudeRaadhuis, Hoofddorp, NL


PAUL MAYASICH

Website Myspace

Booking & Info : Goldirox productions / Nancy Jackson

Voor mensen die houden van een prima klinkende slide gitaar, die zich kan meten met het werk van David Lindley, Duane Allman, Ry Cooder en Derek Trucks en aanverwanten, hebben we hier een geheime tip, een man wiens naam misschien niet diezelfde weerklank heeft als bovenvernoemde heren, maar wat ons betreft moet daar dringend verandering in komen. Daarom willen we bij Rootstime even de schijnwerper plaatsen op het oeuvre van deze uitstekende muzikant, singer - songwriter én topgitarist, Paul Mayasich, Mayo voor de vrienden, bestaande uit 4 cd's, die stuk voor stuk uitstekende roots en blues muziek bevatten. Laten we ze even in chronologische volgorde onder de loupe leggen.

WHERE YOU BEEN?

In 2002 kwam dit debuut op de markt, een cd die mij met verstomming sloeg, want muziek als deze had ik in jaren niet meer gehoord, een hemels klinkende slide, sterke songs, bovendien gebracht met een knappe stem. De cd begint met "Gimme A Break", meteen een eigen compositie en een sterke song, voorzien van sterke gitaarpartijen. "Back Slidin" volgt , samen geschreven met bassist John Wright, een orgeltje dat herinnert aan Augie Meyers in zijn hoogdagen, en middenin de song Paul die op slide heerlijk beheerst improviserend loos gaat. Het vettige Hounddog Taylor geluid daarna in de cover van "Sadie" is hier heel apart, want niet alleen die slide klinkt hier supervet, Paul's stem dit ook, mij lijkt het of Paul door een "Green Bullet" microfoon zingt, of is het een megafoon? Het resultaat is in ieder geval de meest "dirty" versie die ik ooit van dit nummer hoorde. Vuiler dan het origineel, en dat wil wat zeggen in het geval van Hound Dog. Wat dan volgt is de hemel: "Somewhere in The Night", mijn favoriete Mayo song, en maandenlang de song die je op Rootstime's "myspace" tegemoet waaide als je 'm opende. Een song met een slidegitaar die je kippenvel bezorgt en met super veel sfeer, ook in Paul’s stem. Dit nummer zal ik binnen tien jaar nog met evenveel plezier draaien, hierop komt (voor mij althans) geen sleet. We gaan niet elke song op deze cd apart bespreken, maar willen wel graag kwijt dat alles eigen materiaal is, behalve één song, het bluesy "Prisoner" van John Wright, en dat het doorheen gans de cd genieten geblazen is voor fans van slide en National Steel gitaar van begin tot einde, daar zorgen sublieme nummers als "Mile After Mile" en het dreigende "This World" bijvoorbeeld voor. Als debuut kon dit al zeker tellen.

TIMES IS HARD

Verschenen in 2004, met bijna dezelfde bezetting, al heeft de begeleidingsband nu een naam gekregen "Benderheads". Deze release gaat verder in dezelfde lijn, dat wil zeggen, de slide als hoofdingrediënt voor prima roots-rock en blues op deze opvolger van dat ijzersterke debuut. "Mainline" opent sterk, een eigen compositie met een slidegeluid zoals enkel Ry Cooder (en Mayo) zijn slide kan laten klinken. "Bottle Up & Go" de Lightnin' Hopkins klassieker, hier volledig geüpdate door Paul Mayasich in een stijltje dat herinneringen oproept aan David Lindley's "El Rayo X" periode. Prima song! Daarna "Be An Angel", een sfeervol nummer, rustig beginnend in een Paris /Texas sfeertje, om halfweg uit te pakken met een slidesolo waar geen woorden voor zijn. Dan de Cooder klassieker "Down In Hollywood" in een ietwat meer funky versie dan het origineel. Ook "How Can A Man Stand Such Time And Live" is een song die Ry Cooder live ooit coverde, en deze Alfred Reed compositie lijkt eveneens op Paul's lijf geschreven, want een ingetogen prachtversie is het resultaat, met (ik weet het, ik val in herhaling) opnieuw een ongelofelijk mooi gitaarpartij. Verder enkel nog eigen composities, zoals het heerlijke "Lonely Time" en "That Man", dat de sfeer van de Muscle Shoals studios ademt, het lijkt wel of Duane Allman jamt met Booker.T. Doorheen de cd is er dan nog die sterke stem van Paul, die elke song aankan, of het nu rockt als in "Roll With The Punches" of intens bluesy is zoals in de lange afsluiter "Troubled Blues", altijd komt het op zijn pootjes terecht. In het wat aparte "Times Is Hard" klinkt hij zelf even als John Martin meets Nick Drake (ja, tracht je dat maar even voor te stellen). Slotsom, weer een voltreffer van formaat, deze "Times Is Hard", een titel die vier jaar na verschijnen pas zijn volle betekenis leek te krijgen, toen de recessie toesloeg.

I LOVE YOUR SOUP

Voorlopig Paul's meest recente release, een sterke live opname verschenen in 2008, en opgenomen in Bassett Town Hall in Noord Minnesota. Of het hier om een echt concert met publiek gaat is niet echt duidelijk want de opnames klinken als een echte studioplaat. De opener en titelsong is een instrumental met weer wat duidelijke invloeden van Ry Cooder en David Lindley akoestische werk, het doet wat denken aan hun obscure "Eel River" opnames die ze samen maakten. Op "Tell me" klinken de Benderheads wat als Cream en "Mr. Politician" stond waarschijnlijk model. "Never Make Your Move Too Soon" van Will Jennings, bekend gemaakt door Cooder en BB.King krijgt een prima bewerking, lekker funky, met Paul weer heerlijk op dreef op gitaar, met wat speelse verwijzingen naar Derek Trucks typische gitaarlicks, ja, Derek is duidelijk niet de enige die dit in de vingers heeft. Lekker ouderwetse bluesgeluiden dan in "I Can't Be Satisfied" van Muddy Waters. Als Paul zijn dirty kant boven laat komen, resulteert dit is een ruige, vettig klinkende slide met dito vocalen in "Devil's Face". Hound Dog Taylor meets Captain Beefheart at the crossroad.Zoals op elke cd heeft Paul Mayasich ook hier weer een kippenvel bezorgende, gevoelige en sfeervolle track, "Watch Out Boy " is het deze keer, heerlijk! Al moet "Arms Of The Blues" hiervoor niet onder doen, een lange en langzame song, met alle Mayo ingrediënten erin, heerlijke stem, superieur gitaarwerk en heel veel sfeer. Het concert kan niet meer stuk, "Good Man Blues" doet die bluesy sfeer nog wat aanhouden en de prachtige sfeervolle instrumentale cover van "Amazing Grace" overtreft voor mij zelfs die van Jeff Beck, en dat wil wat zeggen. De avond in Bassett Town Hall sluit af met het acht minuten durende, origineel klinkende "Black Coffee", met, moet het nog gezegd, prachtig klinkende slidepassages. Iedereen mag zich uitleven, en Paul doet dat ook op vocaal gebied. Bij deze weten we ook dat the Benderheads live waar kunnen maken wat ze in de studio doen, en het idee van hun live cd vol nieuw materiaal te zetten in plaats van er een best of van te maken, kunnen we alleen maar toejuichen.

THE DOUGH BROS.
PAUL MAYASICH & ANDY DEE

Uit datzelfde 2008 stamt de samenwerking met gitarist Andy Dee. Muziek in dezelfde stijl, met een verschil, deze cd is vooral akoestisch van opzet, met beide gitaristen hoofdzakelijk op dobro, maar ook lap steel, resonator, slide gitaren en zelfs een Cubaanse Tres werden gebruikt. Dat leverde een cd op die doet denken aan de muziek die we kennen van David Lindley en groepen als Tommy Talton en Scott Boyer's band "Cowboy" en Johnny Jenkins, die legendarische "Capricorn" opnames waarbij Dane Allman betrokken was. Ook hier is het op gitaar gebied (vooral slide en dobro) weer volop genieten geblazen. De cd opent met Dylan's "Down Along The Cove" in de versie zoals die voorkwam op Johnny Jenkins legendarische "Ton Ton Macoute" debuut. Kc Douglas "Mercury Blues" krijgt daarna een prachtbewerking, met sterke invloeden à la David Lindley. ook diens "Look So Good" krijgt even verder een vakkundige bewerking. De topsong, vooral op sfeergebied is het heerlijke "Vidalia, Georgia" één van de twee Mayasich composities, en een echt heerlijke song. Daarna "Mean Old World", hier uiterst vakkundig uitgevoerd door Mayo en Dee, een song van Little Walter, maar voor deze versie stonden echter Duane Allman en Eric Clapton model, terug te vinden op "The Duane Allman Anthology" en de song die waarschijnlijk ook de kiem legde van de latere "Derek & The Dominoes". Ook het bekende "Everybody Slides" werd gecoverd, oorspronkelijk van Lowell George, Mike Auldridge en David Bromberg, en deze instrumental vormt één van de hoogtepunten van deze semi akoestische samenwerking tussen Mayasich en Dee. Verder kunnen we nog het grappige, relaxt klinkende "Fishing Fool" vernoemen en een prachtige cover van Danny O Keefe's "Good Time Charlie's Got The Blues". De John Lee Hooker boogie " Going Upstairs" zorgt nog voor een stevige ritme injectie op het eind. Ook deze akoestische samenwerking met Andy Dee is een release die van begin tot eind heerlijke rootsmuziek bevat van een gehalte zoals we dat nog maar zelden tegenkomen.

De laatste berichten aangaande "Mayo" zijn dat hij nu optreed in trio verband, met bassist Billy Franze en drummer Billy Thommes, en dat hij enkele weken geleden opende in Antone's voor de reünie van de "Arc Angels". Na het beluisteren van deze vier heerlijk klinkende cd's kunnen we dan ook moeilijk begrijpen waarom deze artiest hier niet bekender is, en rest ons dan ook alleen nog maar diezelfde vraag te stellen waarmee het voor Paul Mayasich allemaal begon: "Where You Been?" Wat zouden we deze man graag aan het werk zien, haalt iemand 'm vlug naar hier? (RON)