ARCHIEF - OKTOBER 2008 - NOVEMBER 2008 - DECEMBER 2008 - JANUARI 2009
EACH
MONTH MORE THAN 100 REVIEWS FOR YOUR ROOTS LOVIN' EARS!
|
THE TROUBADORS - STOLEN TIME
PAUL HOBBS - TILL WE MEET AGAIN
PRESTON CAMP JR. - GOIN’ TO TEXAS - TIMETRAVELER
JEAN GREER McCARTHY - BLESSINGS AND BURDENS
DENA DEROSE - LIVE AT JAZZ STANDARD, VOL.2
PHIL SMITH - GOLDMINE
SOUTHERN IMPACT - SOUTHERN IMPACT
VARIOUS ARTISTS - DELMARK 55 YEARS OF BLUES
DAN McCANN - STREET SONGS
BOO BOO DAVIS - NAME OF THE GAME

THE
TROUBADORS
STOLEN TIME
Website Myspace
CDBaby
Als
ik denk aan Yorkshire, dan denk ik aan pudding en aan een stukje Engeland waar
al eens in een bos op vossen gejaagd wordt gezeten op een paard. De jagers op
het paard, niet de vossen uiteraard. Dat beeld staat enigszins haaks op de dingen
die gebruikelijk geassocieerd worden met Texas. En toch. Steve Chapman Smith
en Andy Healy, de harde kern van The Troubadors, zijn uit Yorkshire UK en klinken
alsof ze de Americana met de paplepel meegekregen hebben. Toch pudding dus.
Wat er ook van zij, in de tijd die zij stalen van vrienden en familie –Stolen
Time- hebben deze twee kerels een zeer geslaagde plaat gemaakt. Om ons de pas
af te snijden vermelden ze zelf, eerlijk als ze zijn, hun voornaamste inspiratiebronnen:
Steve Earle (een van beide heren’s stem is bijna een exacte copie), Jackie
Leven, Neil Young, Tom Petty, Lucinda Williams, Chuck Prophet en nog meer gelijkgestemde
zielen. Hoewel de gelijkenis met hun helden erg duidelijk is, doen The Troubadors
meer dan eer betonen. Ze hebben genoeg te vertellen om een plaat lang te boeien.
Sommige van hun helden brengen niet altijd even sterke platen als Stolen Time...
Een eerste song die eruit springt is ‘How About That’, met een sterke
catch phrase die zo uit Earle’s pen had kunnen vloeien: Ain’t it
funny/How about that/ You send a young kid to war/And a wild man comes back.
‘Jack ‘n’ Peggy’ is ook een mooie, diedruppelsgewijze
strofe na strofe zijn geheim prijsgeeft. De eerste grote verrassing komt er
met ‘Citron Girl’. Die song begint als een beetje tegendraadse Americana
en gaat dan plots over op Beach Boys soundalike die we tegenwoordig associëren
met Fleet Foxes. En plots ga je wel heel erg houden van The Troubadors, want
op de volgende song ‘Whipping Boy’ houden ze diezelfde sfeer aan,
gemengd met wat melancholie à la The Jayhawks in acoustische setting.
Op ‘Broken Bridge’ is het opnieuw retour Earle County, met mandoline
en uptempo horse rhythm... Geen enkele plaat is onmisbaar, maar aan Stolen Time
gaat u gegarandeerd uw hart ophalen!
Duke J

PAUL
HOBBS
TILL WE MEET AGAIN
Website CD-Baby
De
twaalf zelfgeschreven liedjes op het debuutalbum “Till We Meet Again”
van de uit Santa Maria afkomstige Californische zanger en liedjesschrijver Paul
Hobbs zijn optimistisch klinkende nummers die nochtans geïnspireerd waren
door een periode van verlies in het leven van de artiest. Het ultieme doel blijft
echter om een feelgood atmosfeer op te wekken bij de luisteraar. In het dagelijkse
leven is Hobbs een toegewijde postbode met een jarenlange droom om ooit een
eigen plaat te kunnen uitbrengen waarop hij zingt en akoestische gitaar en mondharmonica
speelt op de liedjes. Maar het is producer en lifetime-vriend Richard Green
die het overgrote deel van de overige instrumenten op het album bespeelt. Green
tekende ook nog mee voor het componeerwerk van drie songs op deze cd. De rode
draad doorheen de songs is de liefde en alles wat daar omheen te vinden valt
waardoor die liefde zo levensbepalend is voor ieder individu op deze wereld.
Qua songstijl herkennen we op deze plaat die positieve sfeer van sixties-folkzangers
als Cat Stevens en Donovan naast de literaire schrijverscapaciteiten van artiesten
als Jackson Browne en James Taylor. Al van bij het eerste nummer “You
Were The Right One” wordt er blijdschap opgewekt, mede door het songtempo
en de optimistische songtekst. Natuurlijk is het niet allemaal positivisme op
deze plaat. Songs over afscheid nemen en liefdesverdriet zijn nog altijd onontbeerlijk
als het op goede liedjes schrijven aankomt. De vaak louter op akoestische gitaar
begeleide tragere nummers als “Rain Down Love”, “Wondering”,
het walsje “Goodbye Face”, “My Little Heartache” en
“Till We Meet Again” - geïnspireerd door het overlijden van
zijn moeder 7 jaar geleden en zijn vader 2 jaar geleden - vormen de ideale voedingsbodem
voor dergelijke gevoelens. “Are You Listening?” is zelfs een regelrechte
country-tearjerker. De tenorstem van Paul Hobbs lijkt ons uitzonderingsgewijs
echter ook zeer geschikt voor vrolijkere nummers zoals mag blijken uit het uptempo
gebrachte “Heaven On Earth” en het door orgelklanken gedragen “Still
Dreaming”. Het afsluitende instrumentale deuntje-voor-het-slapengaan “Lullaby
For Gary” bevestigt het grote muzikale talent en potentieel van deze postbode-artiest.
(valsam)


PRESTON
CAMP JR.
GOIN’ TO TEXAS
TIMETRAVELER
Website Contact
Label : Red Note Records
Toen we in september 2007
de vorige cd “Anywhere, Texas” van Preston Camp Jr. voor dit magazine
bespraken begonnen we het verhaal met deze zin: ‘cowboymuziek in zijn
puurste vorm’. Blijkbaar heeft onze toenmalige recensie deze sympathieke
Texaan behoorlijk geïnspireerd want onlangs stuurde hij meteen twee nieuwe
albums naar onze redactie met een ‘bedankt bij voorbaat’-briefje
erbij. Daarmee neemt hij echter geen enkel risico want ook van deze cd’s
“Timetraveler” - dat al in de lente van 2008 verscheen in de States
- en zijn eigenlijk echte laatste worp “Goin’ To Texas” kunnen
we geen enkel kwaad woord bedenken. Als liefhebbers van de verhalende country-
en westernsound klinken alle 19 (jawel, negentien) liedjes op “Goin’
To Texas” ons als muziek in de oren (wat wellicht ook zijn bedoeling was).
Al van bij de aftrap boeit Preston Camp Jr. ons met de song “Mr. Right
Mr. Wrong” en ook de daaropvolgende ballad “Find A Page” gaat
er bij ons in als zoete broodjes. Wat ons doorheen de beluistering van het gehele
album specifiek is opgevallen is de gelijkenis met de muziek en de songs van
Chip Taylor die ook zo’n vlotte liedjes kan schrijven en zingen. Net alsof
ze tussen de soep en de patatten tot stand zijn gekomen, maar de echte muziekkenner
realiseert dat dit maar schijn is. Er wordt steeds intensief en keihard gewerkt
aan dergelijke nummers en het is allesbehalve eenvoudige muziek. Over elke noot
en elk woord is grondig nagedacht en dat komt de kwaliteit van de nummers alleen
maar ten goede. Een ander aankomend talent uit Amerika dat deze kunst in de
vingers heeft is Ted Russell Kamp. Maar die vergelijking tussen Preston Camp
Jr. en Chip Taylor kwam bij me op toen ik luisterde naar “Made In The
Shade” en naar het tranerige duet met Jennifer Ferren inclusief parlando:
“The Conversation”, een intriest verhaal over ongeneeslijk ziek
worden en het onvermijdelijke pijnlijke afscheid. De pedal steel countryballads
over liefde en leed, het leven en een lach en een traan volgen elkaar in sneltreintempo
op en – zoals we hierboven als vermeldden – er staan geen zwakke
nummers op dit album dat liefhebbers van het genre weer enorm zal plezieren.
Enkele songtitels van liedjes die bij ons meermaals door de speakers galmen
zijn: “Goin’ To Texas”, “Questions” (weer een
duet met Jennifer Ferren), “Lonely Barroom Fool”, “Fallin’
Down”, “Don’t Take Me Wrong” en “Shelter”.
Laat ons tot slot nog even terugblikken op het album “Timetraveler”
waarop zestien tijdloze nummers van Preston Camp Jr. staan die dateren uit de
voorbije twee decennia en die pas voor dit album voor het eerst werden opgenomen.
De door ons geselecteerde hoogtepunten op dit schijfje zijn: “One Fool
To Another”, “You’re The Only Good I Know”, “Silver
Angel”, “He Feels No Pain”, “The Easy Way (Once More)”
en “It Seems Like Some Things Never Change”. Wij gooiden bij de
vorige recensie ook al met heelder boeketjes bloemen naar Jennifer Ferren die
ook hier weer haar mooie vocale stempel drukt op enkele liedjes. Wanneer mogen
we eens wat solowerk van deze getalenteerde dame verwachten? Maar het ging vandaag
in de eerste plaats over Preston Camp Jr. en daarover kunnen we alleen maar
besluiten dat we met één van de beste singer-songwriters in dit
countrygenre te maken hebben. Heerlijk. Heerlijk. Heerlijk mooi.
(valsam)

JEAN
GREER McCARTHY
BLESSINGS AND BURDENS
Website Myspace
Contact CD-Baby
Twee
jaar geleden hoorden we voor het eerst van de Canadese zangeres Jean Greer McCarthy
toen ze met haar met folksongs gevulde akoestische plaat “Coulee View”
in de schijnwerpers trad. Voor haar tweede cd besloot ze om de studio in te
trekken en haar nieuwe liedjes ondersteund door een volledige orkestratie op
te nemen. Dat was voor haar een nieuwe ervaring die wel heel goed is meegevallen.
Zij schrijft sterke liedjes, luister bijvoorbeeld maar eens naar cd-opener “I
Own It” en de daaropvolgende op akoestische gitaar gebrachte ballade “So
Life Goes”. Niet voor niets wordt haar songstijl vergeleken met enkele
groten in het genre zoals Rickie Lee Jones, Suzanne Vega en de Canadese zangeres
Jann Arden. Zij is ook nog sociaal geëngageerd want een groot deel van
de opbrengst van de verkoop van “Blessings And Burdens” komt een
ontwikkelingsprogramma voor jonge kansarme Canadese vrouwen ten goede. Mooi
meegenomen, maar ons is het toch vooral om de liedjes te doen. Derhalve genieten
wij met volle teugen van songs als “Midnight Baby”, ‘You Should
Know” en de heerlijke titeltrack “Blessings And Burdens”.
Inhoudelijk deinst Jean Greer McCarthy er ook niet voor terug om in haar persoonlijke
leefwereld op zoek te gaan naar onderwerpen voor de songs op dit album. Voorbeelden
van dergelijke intimistische songs zijn “The Deed Is Done” en “Wave”
dat ze in duet samen brengt met de lokale zanger Richard Doerksen. Naast het
schoppen van een geweten bij haar landgenoten weet ze ook de cd-luisteraar met
rake teksten te overtuigen en tot dieper nadenken te bewegen. Als dochter van
een bouwvakker was ze er al op erg jonge leeftijd van overtuigd dat ze zelf
ook huizen wilde bouwen, een toch vrij ongebruikelijk beroep voor een vrouw.
Maar ze zette door en studeerde tegelijkertijd verder, hetgeen haar nadien nog
enkele diploma’s opleverde. Na haar huwelijk en het krijgen van twee kinderen
richtte ze met haar man en haar vader de stichting “Greer Homes”
op die zich toespitste op het bouwen van milieuvriendelijke woningen. Met “Blessings
And Burdens” bewijst Jean Greer McCarthy echter dat ze ook stevige platen
kan maken waar het cement gevormd wordt door haar capaciteiten om mooie teksten
te schrijven en die verhalen met schitterende muziek te omkaderen. Dit knappe
album is absoluut een zeer geslaagd project.
(valsam)

DENA
DEROSE
LIVE AT JAZZ STANDARD, VOL.2
Website Myspace
Label: MaxJazz Distr.: Codaex
De
New Yorkse Dena DeRose begon piano te spelen wanneer ze ongeveer drie was en
kreeg al snel een klassieke opleiding. Eenmaal wanneer ze deze had voltooid,
speelde ze in jazzbands en begeleidde onder meer musicals op de piano. Mid jaren
’80 kreeg zij een vreemde vorm van artritis aan één hand
en plots leek het alsof haar carrière reeds voorbij was alvorens deze
goed en wel had kunnen beginnen. Twee jaar lang kon ze haar instrument niet
meer bespelen. Toen zij op een avond een jazzclub bezocht met vrienden, vroegen
deze haar of ze wat wou zingen. Zowel Dena, als het aanwezige publiek genoten
hier zo erg van dat ze prompt door de eigenaar van de zaak geboekt werd om over
een paar weken nog eens terug te komen. Tegen de tijd dat DeRose erin slaagde
stilaan beroemd te worden als jazzvocaliste, kreeg ze het gevoel in beide handen
terug en kon ze gelukkig weer piano spelen. En nu bracht deze bijzondere zangeres
/ pianiste haar zevende cd uit, die eigenlijk het logische vervolg is op de
vorige: ‘Live At The Jazz Standard, vol. 1’. De live opnames van
de volume 2 werden uit de zelfde reeks concerten geplukt als de songs op volume
1. Alle songs werden opgenomen in de bekende ‘Jazz Standard’ in
Manhattan. Bassist Martin Wind en drummer Matt Wilson, een oerdegelijke ritmesectie,
staan garant voor een prima begeleiding. De zangeres gaat meteen zeer elegant
van start in ‘The Ruby And The Pearl’. Als een slang kronkelt de
glasheldere stem van Dena sensueel doorheen deze song. Als men de muziek van
DeRose trouwens met één woord zou kunnen omschrijven is het wel
‘elegantie’. Ze maakt gedistingeerde jazz die smaakt naar champagne
en kaviaar. Al durft Dena natuurlijk ook te swingen. Luister maar naar de luchtige
bossa nova ‘Detour Ahead’ of het vlotte ‘Laughing At Life’.
Dave Brubeck’s ‘In Your Own Sweet Way’ is het enige instrumentaaltje
en misstaat zeker niet in deze collectie. Het best is Dena misschien wel in
de ballads, zoals in ‘I Can’t Escape From You’, dat hier op
zo’n bijzonder doorleefde manier wordt vertolkt dat wij er even stil van
worden.
Al bij al is deze volume 2 een gevarieerde cd geworden die een lekker laidback
sfeertje uitstraalt. Ons oordeel: ideaal voor op een luie zondagochtend of net
voor het slapengaan.
Shake

PHIL
SMITH
GOLDMINE
Website Myspace
CD-Baby
“Hi!
I’m Phil Smith.” Zo begint het briefje dat we van deze uit Brisbane,
Australië afkomstige singer-songwriter mochten ontvangen als bijlage bij
het promo-exemplaar van zijn nieuwe cd “Goldmine”. Hij werd in de
warme zomer van 1970 geboren in Sydney waar hij op vijftienjarige leeftijd koos
voor het uitzwermen in de grote wereld met zijn akoestische gitaar op de rug.
Daar had hij amper één jaartje eerder leren op spelen en hij gebruikte
het instrument om er zijn eerste probeerseltjes van songs mee te componeren.
Zes jaar werden doorgebracht in het Engelse Bristol en Londen waar hij zijn
eerste groepje opzette. In 2003 keerde hij terug naar Australië om er bij
zijn stervende vader te kunnen doorbrengen. In 2007 verscheen een eerste ep
“Desire” waarop een eerbetoon aan zijn vader stond in de vorm van
de song “Time To Be A Man”. Daarna begon hij nummers te componeren
voor zijn debuutplaat “Goldmine”. Zijn fascinatie voor de muziek
en het songschrijven haalde Phil Smith weg bij enkele slechte vrienden en bracht
hem zo terug op het rechte pad. In een muziekstijl die we als op Americana geïnspireerde
folk- en countrymuziek kunnen omschrijven levert Phil Smith ons op dit debuutalbum
elf liedjes in dit genre af. Als liefhebber van Nick Drake, Ryan Adams, Neil
Young en James Taylor koos hij er voor om zichzelf ook op deze muziekstijl toe
te gaan leggen. Naar het voorbeeld van zijn idool Ryan Adams wilde hij ook mooie,
melodieuze liedjes maken waarin een boeiend verhaal kon worden verteld. De teksten
gaan over de dingen die hij zelf in zijn turbulente leven heeft meegemaakt en
nog steeds mee maakt. Ze gaan over vrienden en vriendinnen die soms tot vijanden
zijn uitgegroeid, over de liefde en het verlies ervan, over drank en drugs en
de gevolgen ervan, over het vele reizen en het steeds terug naar huis komen.
Het album werd in een afgelegen pand aan de voet van een berg in New South Wales
opgenomen en is hoofdzakelijk op akoestische gitaarklanken gebaseerd, maar met
subtiele toevoeging van andere instrumentatie als piano, pedal steel, orgel
en viool. De liedjes die het album haalden zijn meestal melancholische overpeinzingen
zoals in de countryballad “(I’ll Walk The Line) One More Time”,
“Blackbird”, “Everybody’s Going Somewhere”, “Where
Does It Go?” met heerlijke backing vocals van zangeres Roz Pappalardo,
het droevige “The Grave Of Margaritis”, “Home Around Three”
en “Mary” maar gelukkig wordt ook al eens een uptemposong aangeboden
in de vorm van “Annie” en “Baby Doll”. In “One
More For The Road” zitten beide tempo’s vermengd door het trage
begin en het swingende refrein als tussenstuk. Hier zorgt zangeres Sara Tindley
voor wonderlijk mooie backing vocals. Als het zijn bedoeling is geweest om een
cd te maken die zo nauw mogelijk aansluit bij zijn idool Ryan Adams, dan is
Phil Smith hier glansrijk in geslaagd. Vermits Adams pas aankondigde het binnenkort
voor bekeken te houden ligt de wereld van dan af aan open voor zijn opvolger:
deze Phil Smith, op zoek naar zijn eigen “Goldmine”. En naar het
goede voorbeeld van Adams om 2 of 3 cd’s per jaar uit te brengen zal ook
Phil Smith al snel met nieuw werk komen want hij geeft in zijn briefje aan dat
de volgende twee cd’s al klaar liggen.
(valsam)

SOUTHERN
IMPACT
Website Myspace
CDBaby
Texas
heeft een enorme traditie in gitaristen. Steve Beck is, ondanks zijn leeftijd
van 53 jaar, een nieuwe naam aan het bluesrockfirmament. Hij is afkomstig van
San Antonio. Toch heeft hij zich vooral laten inspireren door het Britse gitaargeluid
van Jimmy Page. Onder zijn eigen naam bracht hij in 2006 zijn debuut ‘Midnight
Dance’ uit. Deze cd bevatte zowel akoestische als elektrische gitaarnummers.
In 2008 richtte hij met zanger/bassist Roland Salazar en drummer Jacob F Noll
Jr. Southern Impact op. Op het titelloze debuut van Southern Impact kiest Steve
resoluut voor de bluesrocksound. Het album bevat 9 nummers. Met 3 nummers die
amper 2min30 halen is het cd’tje al beluisterd na 27 minuten. Het album
bevat zowel instrumentale als door de bassist Roland Salazar gezongen nummers.
Voor het vocale gedeelte hoef je zeker niet op zoek te gaan naar Southern Comfort.
Het gitaarspel is gelukkig veel interessanter. Steve gaat al stevig van leer
op opener ‘The Edge’. ‘I Can’t Believe’ is ook
een stevige rocker, maar de tekst lijkt gestolen te zijn uit ‘Reconsider
Baby’. De laatste 2 nummers wijken enorm af ten opzichte van de eerste
zeven nummers want deze klinken als de intro’s van Led’s ‘Stairway
To Heaven’. Ondertussen is Roland Salazar vervangen door de nieuwe bassist/zanger
Daryl Chadick. Het debuut van Southern Impact mag als een probeersel beschouwd
worden van een groep die in ontwikkeling is. Hopelijk heeft Steve met Daryl
Chadick de juiste zanger gevonden om zijn gitaarspel te ondersteunen en levert
het een nieuw album in 2009 op. (Bootsy Lester)


VARIOUS
ARTISTS
DELMARK 55 YEARS OF BLUES
Label: Delmark Records
Distr.: Music & Words
Muzikaal werd Chicago vooral bekend omwille van de elektrische blues. Sinds de jaren dertig werden er meer bluesgrootheden geproduceerd dan in eender welke andere stad in de USA. Grondleggers in de jaren dertig: Big Bill Broonzy, Memphis Minnie en Arthur Crudup. Na W.O.II kwamen er anderen: Muddy Waters, Little Walter, Howlin' Wolf. Het onafhankelijke platenlabel Chess was naast Sun Records in Memphis wellicht één van de invloedrijkste in de blues en rock 'n roll geschiedenis. Andere labels in Chicago werkten met Jimmy Reed, Elmore James en Otis Rush. Chuck Berry en Bo Diddley ontketenden de gekte die rock 'n roll heette, anderen als Buddy Guy, Junior Wells en Magic Sam deden het met hun zangerskwaliteiten of door hun instrumentenbeheersing. Delmark Records is tot op vandaag een trendsetter die de Chicago blues alive & kicking houdt. Bob Koester, de oprichter van dit fameuze label haalde pianist Speckled Red uit de kroeg en pootte hem in een studio neer waar hij hem een lekkere bluesplaat, "Dirty Dozen" liet opnemen. Dat was de start van een lange reeks releases die tot op vandaag blijven doorgaan: Big Joe Williams, Sleepy John Estes, Jr. Wells, Otis Rush, Jimmy Johnson e.v.a. werden ingeblikt. De sound van Chess werd nooit geëvenaard maar Delmark verkocht wel veel platen. Chicago is vandaag een van de weinige plaatsen waar je nog iedere avond minstens zes of zeven verschillende bluesbands kan gaan beluisteren en bekijken. Wat veranderde is niet alleen de blues uit de jaren dertig en veertig, maar ook en vooral het publiek dat nu meer blank dan zwart is. Het publiek van vroeger waren harde werkers die de blues als "A way of life" zagen. De performers hadden hetzelfde meegemaakt als al die werkers die een beter leven zochten in de grote stad. Die tijden zijn voorbij, maar de blues is er nog steeds, Chicago blues! "Delmark - 55 Years Of Blues" zijn één cd en een dvd lang blues, blues en nog eens blues. Van bluesrock tot countryblues, van boogie tot harmonika- en soulblues, een verzamelaar die werd uitgebracht ter gelegenheid van de 55ste verjaardag van dit blueslabel Delmark, genoemd naar een laan in St. Louis. Een prettig geprijsde update van de stand van de blues anno 2008, die ons leert dat die niets minder dan springlevend klinkt, en de keur aan eigentijdse- en oude rotten geven stuk voor stuk blijk van een levenslange alliantie met het genre. De keuze viel op 17 tracks en een bonus dvd met 10 captaties van 'live performances' en dit allemaal voor de prijs van een enkele cd. Beginnend met harmonicaspeler Jr. Wells met "Hoodoo Man Blues" en Sleepy John Estes met "I Ain't Gonna Sell It", respectievelijk opnames uit 1975 en 1968. Er is voor elk wat wils, want er zijn ook recentere opnames van bijvoorbeeld, Detroit Jr., Steve Freund en Shirley Johnson. Doorgewinterde bluesliefhebbers zullen "55 Years Of Blues" aanschaffen vanwege de lage prijs of omdat het wel handig is om onderweg een paar cd's met veel variatie in het bakje te hebben. Ideaal dus voor als je van goede blues houdt maar niet weet wat je moet draaien. Voeg daarbij de dvd met uitstekende prestaties van o.a.Tail Dragger, Byther Smith, Jimmy Burns en Zora Young en u bent meteen getuige dat bij Delmark Records na 55 jaar het kwaliteitsniveau nog zeer hoog is. Want wat precies deze verzamel-cd’s doen is putten uit een rijke bluestraditie en laten zien hoe dit genre ook gemakkelijk nog een tijdje meekan. Waar wacht je nog op?

DAN
McCANN
STREET SONGS
Website Myspace
CD-Baby Contact
Dan
McCann is een singer-songwriter die al heel wat jaartjes in de muziekscène
meedraait maar nu pas met “Street Songs” zijn debuutplaat heeft
uitgebracht. Hij woont in Austin, Aspen, Los Angeles en heeft een mooie verzameling
lokale muzikanten bereid gevonden om met hem de studio in te trekken voor de
opnamen van dit tien songs tellende album. Hij haalde zijn inspiratie bij enkele
groten der aarde in de muziek zoals Lowell George, The Band, Captain Beefheart,
Stevie Ray Vaughan en de obligate Beatles en Stones. Dan McCann was in een vorig
leven bassist bij Evan Johns and bij ‘The H Bombs’ vooraleer zich
aan het schrijven van eigen nummers te wagen. De liedjes op “Street Songs”
zijn hedendaagse pop- en rocksongs met stevig gitaarspel en een rockende sound
die bij ons reflecties oproept aan Steve Miller Band, Tom Petty, Todd Rundgren
en zelfs Jimi Hendrix. Zo leunt het nummer “Voodoo Hut” zeer dicht
aan bij de elektronische sound van Steve Miller Band en het instrumentale “The
Guitar Man” zit vol riffs met elektrische gitaar à la Jimi Hendrix
of Jeff Beck. Dan McCann kan er prat op gaan dat hij een eigen geluid heeft
ontwikkeld voor de nummers op deze cd. Af en toe wordt er zelfs behoorlijk experimenteel
tewerk gegaan, zoals in “Tujunga Sister”. In “Smokie Roman”
herkennen we het zangwerk en het bluesy gitaarspel van Stevie Ray Vaughan. De
damperige swingrocker “Santa’s Surfboard” is nog zo’n
instrumentaaltje met gitaarspel in de stijl van Duane Eddy of zelfs ‘The
Shadows’. Helemaal blues wordt het op “Gerald’s Jump”,
alweer een instrumentaal nummer waar de vettige gitaarlicks voor de nodige sfeerzetting
zorgen. We vermoeden dat Dan McCann specifiek voor heel wat instrumentale muziek
kiest omdat hij zelf voldoende beseft dat zijn stem niet tot de selecte categorie
der grootste zangers behoort. Niet dat er ergens vals gezongen wordt maar zijn
stembereik is wat te beperkt om stevig uit te halen in de rocknummers. De knap
gebrachte, rustige song “Gotta Have Long” illustreert dit vrij goed.
Vijf van de tien nummers laten geen zanger horen en de bluessong “The
Harp Man” met zeer sterk mondharmonicawerk gespeeld door Vic Damus waarmee
de cd afgesloten wordt toont aan dat dit een goede keuze was van Dan McCann.
(valsam)


BOO
BOO DAVIS
NAME OF THE GAME
Website Myspace
Contact
Label: Black & Tan Records
In
het hart van de Mississippi Delta ligt het kleine slaperig stadje Drew, het
is eigenlijk maar een kruispunt tussen wat lokale wegen. Maar op 4 November
1943 werd daar James 'Boo Boo' Davis geboren, als zoon van een katoenplukker.
Net als Charlie Patton, die een dorpje verderop woonde, in de dertiger jaren
al de blues speelde, leerde Boo Boo al op jonge leeftijd al de blues te spelen
op een ijzeren drum. Ja, drummer wilde hij worden. Rammen op trommels en het
publiek gek maken, dat wilde hij. Geld voor een echt drumstel was er niet, maar
de family band was erg populair in de buurt. Toen de familie verhuisde naar
St Louis werd de band de backup begeleidingsgroep voor Little Walter, Sonny
Boy Williamson, Elmore James en Little Milton. Dit waren toen de blueslegenden,
als je hen mocht begeleiden moest je wel wat kunnen. Hij startte zijn carrière
dus als drummer en schakelde pas laat over naar zang en mondharmonica. Die rol
verschafte hem direct al veel meer kans om uitgebreid rond te reizen in het
internationale bluescircuit als solist. In Europa kiest hij veelvuldig voor
de Nederlandse begeleidingsgroep rond gitarist Jan Mittendorp, die we ook nu
aantreffen op zijn nieuwste album, "Name of The Game", sinds 1999
zijn vijfde release voor het Nederlandse Black & Tan label. Davis is de
'real deal' als het op traditionele, authentieke blues aankomt en reist hij
dan ook sinds dat jaar onder eigen naam met succes rond in het internationale
bluescircuit. Op zijn laatste albums "The Snake" en "Drew, Mississippi",
die bijzonder goede recensies kregen, laat hij zich van zijn beste kant horen
met lekkere Mississippi-blues. En op zijn nieuwste album is dit niet anders,
want ook hier brengt Boo Boo vooral de onvervalste Mississippi-blues ... how
it sounds in 2008. Al wijkt hij deze keer een beetje af van het concept van
zijn vorige albums. In het begin van dit jaar trok Davis, samen met medeoprichter
van de Marcel Scherpenzeel Band, drummer John Gerritse en zijn buddy Mittendorp
door de Lage Landen, en meteen kwam het plan om deze kale blues ook op plaat
te zetten. Dus hier geen bassist maar enkel drum, gitaar en voornamelijk Boo
Boo’s stem en harmonica vormen hier een buitengewoon geheel, een plaat
waarop Davis weer gewoon doet waar hij goed in is. Iedereen die zijn voorgangers
in huis heeft, weet wat hiermee wordt bedoeld. Ook "Name of The Game"
staat weer vol met opwindende en buitengewoon rauwe blues. Blues die zowel invloeden
als de Noordelijke Chicago blues als de Zuidelijke Memphis-blues weet te verwerken
en hier een flinke dosis swing aan toevoegt. De productie is doeltreffend, de
rauwe strot van Davis en het gitaarspel van Jan Mittendorp zijn wederom indrukwekkend.
Alle dertien songs worden op even intense en imponerende wijze vertolkt. Op
"Name of The Game" grijpt Boo Boo meer terug naar de roots van de
blues en de meeste songs klinken dan ook vertrouwd in het oor alhoewel je nergens
kan spreken van plagiaat. Geopend wordt er met het sublieme "Dirty Dog",
een meeslepende song die zich dadelijk nestelt onder je hersenpan en daar blijft
sluimeren. Het ingetogen "Lonely All By Myself", hoeft misschien niet
meer uitleg, toch is het een klasse blues die voldoende inhoud heeft om volop
van te genieten. Andere tracks als "I'm Comin Home" is dan weer doordrenkt
met het geluid van Howlin' Wolf en benadert hij vocaal de klassieke Chess-sound.
Buitenbeetje op deze CD is zonder twijfel "Who Stole The Booty", een
song die zo klinkt dat je volledig in trance raakt. Meestal hebben de songs
swingende arrangementen, maar soul vinden we ook terug in "Why You Wanna
Do It", wellicht samen met "Who Stole The Booty" de beste songs
op deze nieuwe CD, waarvan ik gerust durf te stellen dat 'Boo Boo' Davis nog
meer bewijst een alround artiest te zijn die als geen ander weet hoe een song
te schrijven. 'Boo Boo' Davis mag gerust vernoemd worden met al die andere groten
uit de blueswereld. "Name of The Game" is door zijn virtuositeit en
avontuurlijkheid gewoon een heerlijke hap, hier en daar al uitgeroepen tot de
bluesplaat van 2008. Het zou me niets verbazen als deze conclusie in december
nog fier overeind staat.
BOO
BOO DAVIS BAND LIVE May 7, Hasselt (B), Muziek-O-Droom May 10, Roermond (NL), Café de Weegbrug May 20, Winterswijk (NL), SATC @ Café de Sprong July 31, Hamme (B), Blues Oan Daa Stoazze November 1, Hoogeveen (NL), Café de Lijst November 22, Amen (NL), Café de Amer |