ARCHIEF - OKTOBER 2008 - NOVEMBER 2008 - DECEMBER 2008 - JANUARI 2009

EACH MONTH MORE THAN 100 REVIEWS FOR YOUR ROOTS LOVIN' EARS!

 

DOUG BURR - THE SHAWL

NERISSA CAMPBELL - MUSINGS OF A TELESCOPIC TREE

BOBBY BARE - BARE / SLEEPER WHENEVER I FALL

CARLOS DEL JUNCO - STEADY MOVIN’

JOHNNY HAWTHORN BAND - DEATH & TAXES

MARTIN SIMPSON - PRODIGAL SON

THE BOWMANS - FAR FROM HOME

DOC WATSON - BEST OF THE SUGAR HILL YEARS

RICKY SCAGGS - BEST OF THE SUGAR HILL YEARS

LAZY J & THE DIRTY SHUFFLE - BONE TO PICK

 


 

 

DOUG BURR
THE SHAWL
Website MySpace CDBaby
Label: Velvet Blue Music


 

Er zijn artiesten die met hun creativiteit geen blijf weten. Doug Burr hoort bij die categorie en deze Texaan uit Denton bewees reeds op zijn vorige albums en zeker op “On Promenade” dat hij geen enkele onderwerp uit de weg gaat en ook qua arrangementen heel origineel uit de hoek kan komen. Dit album werd overladen met positieve kritieken en we keken benieuwd uit naar de opvolger. Vandaag is het zover en presenteert Doug Burr ons een op zijn minst verrassend te noemen album “The Shawl”. Je moet het maar doen, een album inblikken op zevenentwintig uur in een sfeervol oud gebouw, Texas Hall, dat meer weg heeft van een ruïne, in een ministadje Tehuacana. Een uitgelezen locatie voor een wel heel bijzondere plaat op te nemen moet Doug Burr gedacht hebben. Ik weet niet welke geesten daar rondzweven, maar het gekozen onderwerp van “The Shawl’ heeft er zeker voor iets tussen gezeten. Burr is de religieuze tour opgeslagen en heeft eigenlijk een huzarenstukje verricht door passages uit het Oude Testament, meer bepaald het Boek Der Psalmen, in songvorm te gieten en te voorzien van het gepaste, subtiel uitgekozen instrumentarium. De schare katholieken onder ons intens de teksten kunnen uitdiepen en de niet-gelovige fans moeten zeker niet weglopen, want de muziek en de sfeer die het album grijpen je bij je nekvel. Meestal zijn de nummers sober opgebouwd rond de hoge stem van Doug en passeren fluisterzacht, maar zeer intiem, zoals het openingsnummer en single “I Am Weary With My Sighing”. Het assortiment instrumenten dat erbij wordt gehaald is nochtans indrukwekkend : akoestische gitaar, barritone gitaar, mando gitaar, elektrische gitaar, banjo, pedal steel, Weisenborn, viool, bas, Wurlitzer, pomporgel, accordeon en allerhande percussie. Hij maakt echter zo’n uitgelezen keuze uit dit aanbod dat zijn stem en de tekst steeds de volle aandacht krijgen. Vergelijk het met de breekbaarheid die de songs van Damien Rice die hartverscheurende inslag geven. Zo heeft “God Is Known In Judah” enkel een iets meer geprononceerde akoestisch tokkelende gitaar, maar zijn het de Wurlitzer en de wijds klinkende elektrische gitaar en vervormde vioolklanken die bijna ongemerkt de accenten leggen. “The Righteous Will Rejoice” zou als trage countrywals perfect in het repertoire van een Ryan Adams passen en krijgt op het einde een ware gospelinjectie door de intrede van een voltallig koor. Het meest mystieke moment laat Burr ons beleven in “Wich We Have Heard And Known”, steunend op een mysterieuze, monotone bastoon op akoestische gitaar en doet denken aan de beste composities van Daniel Lanois, met een in echo badende begeleidende elektrische gitaar. Iedereen zal over de tekstuele inhoud van dit album wel het zijne denken, maar wat de prachtige arrangementen betreft is er geen discussie mogelijk. Bij voorkeur te beluisteren bij een knisperend haardvuur. (Blowfish)



 

NERISSA CAMPBELL
MUSINGS OF A TELESCOPIC TREE
Website Myspace Contact CD-Baby
Label : Crooked Mouth Music

 

 

Drie kwartiertjes duurt het jazzy album “Musings Of A Telescopic Tree” van de in het New Yorkse Brooklyn woonachtige zangeres Nerissa Campbell. In die stad krijg je dit soort muziek in overvloed aangeboden waardoor het wellicht moeilijker wordt om je als artiest te differentiëren van het grote aanbod en om niet te snel tot de zogeheten ‘mainstream’ te gaan behoren. Zij was amper 14 jaar toen ze na een bezoekje aan de ‘Western Australian Academy Of Performing Arts’ besloot om een professionele muzikante te gaan worden. Het werd een opleiding tot vocaliste tijdens dewelke ze in de wereld van de jazzmuziek werd ingewijd. Ze luisterde veel naar gevestigde jazzsterren als Billie Holiday, Louis Armstrong en Ella Fitzgerald maar toen ze een eigen stijl begon te ontwikkelen ging haar voorkeur toch meer uit naar de door jazz beïnvloede popmuziek. Zangeressen als Emiliana Torrini, Cat Power en Björk moesten als muzikale voorbeelden gaan dienen. Nerissa Campbell beschikt over een voor het jazzgenre zeer geschikte stem en dat laat ze op dit album graag horen in liedjes als de R&B-song “Stranger Lurking”, de psychedelische popsong “Pretty” en het jazzy “Song For Maggie” waarin ze voortreffelijk begeleid wordt op piano door Dave Cieri. Wat toch wel zeer sterk is voor een beginnende zangeres is dat alle tien songs op dit album door haar zelf geschreven werden. En dat ze daarbij ook nog een zeer hoog niveau van originaliteit weet te bereiken benadrukt haar kwaliteiten als componiste. Maar dat had ze ook op haar debuutplaat “Paint Me Orange” al gedemonstreerd waarop ze de groovy nummers met haar zwoele, sexy stem pleegde te brengen. Ook op “Musings Of A Telescopic Tree” staan dergelijke typische nachtclubliedjes waarin elementen van pop, jazz, Cubaanse rumbaritmes en bluesy pianoklanken de barbezoeker bovenop zijn biertje in een zweverige roes moet brengen. De bezongen onderwerpen in de tien songs handelen over reizen en het op zoek zijn naar een eigen identiteit in “Glasgow”, het verlies van een geliefde door verraad of dood in “Song For Maggie”, het missen van vrienden in “Of Yesterdays” en uiteindelijk toch ook weer over de onvermijdelijke liefde in de songs “Pretty”, “Love One” en “Love Two”. De Billie Holiday in Nerissa Campbell komt helemaal bovendrijven in het jazzy uptempo nummer “Ain’t It Peculiar” waarin de uitstekende begeleidingsband zich ook eens helemaal kan laten gaan. Het is tegenwoordig eerder een rariteit te noemen maar deze plaat zouden wij maar al te graag nog eens op vinyl willen zien verschijnen want dat hoort ontegensprekelijk bij deze tijdloze sound. Maar ook als cd is dit mooi. (valsam)



 

BOBBY BARE
BARE / SLEEPER WHENEVER I FALL
Website VIDEO
Label: Label: Raven
Distr.: Proper Music

 

De Amerikaanse countryzanger Bobby Bare (° 1935) heeft in het totaal reeds meer dan veertig albums uitgebracht. Twee hiervan, ‘Bare’ (1978) en ‘Sleeper Whenever I Fall’ (1978) maken samen met enkele bonus tracks de collectie van deze cd uit, die in het totaal 22 tracks bevalt. De songs uit ‘Dare’, veelal geschreven door Shel Silverstein (u weet wel, bekend van oa ‘A Boy Named Sue’ dat opgenomen werd door Johnny Cash) zijn het interessants. Een mooi voorbeeld hiervan is de songparel ‘Yard Full Of Rusty Cars’, een sociale schets van het Amerika in de late jaren zeventig dat geweldige tekstregels bevat als ‘Show me a man with a yard full o' rusty cars /and you know he's got a fridge full o' beer ‘. In deze song valt de vergelijking met Johnny Cash het meest op. In de andere nummers klinkt Bobby Bare een stuk zoeter dan the man in black. Maar met Ben Keith (bekend van oa Neil Young) op steel gitaar, Willie Nelson, Waylon Jennings en Chet Adkins die een handje toesteken valt er voor elke countryliefhebber muzikaal ten volle te genieten. Luister maar naar de knappe karakterschets ‘The Gambler’ of de country tearjerker ‘This Guitar is For Sale’. Op de songs uit ‘Sleeper Whenever I Fall’ doet de stem van Bobby Bare ons meer denken aan iemand als James Taylor. Dit is oa het geval bij ‘Sleep Tight Good Night Man’. Interessant zijn ook een paar bekende covers ‘I'll Feel a Whole Lot Better’ van The Byrds en ‘The Last Time’ van The Rolling Stones, waaraan Bobby Bare een eigen interpretatie geeft. Op enkele nummers wordt er helaas net iets te veel zoetstof (lees strijkorkest) toegevoegd, zoals in ‘Love Is A Cold Wind’ en krijg je iets dat op slechte Neil Diamond lijkt. Balanceren op de rand van de goede en de slechte smaak was voor country artiesten op het einde van de seventies een moeilijke opgave. Gelukkig zijn de mindere momenten eerder zeldzaam en houden we veel meer goede songs dan missers over op deze collectie. De laatste studioplaat (‘The Moon Was Blue’) van deze country veteraan dateert ondertussen al uit 2005 en kunnen we alleen maar hopen dat de man, misschien onder impuls van zijn zoon Bobby Bare Jr., spoedig nog eens wat nieuw materiaal opneemt. Maar in tussentijd kunnen we alvast hergenieten van ’s mans roemrijke verleden. (Shake)



 

CARLOS DEL JUNCO
STEADY MOVIN’
Website
Booking: BlueBridge Network International
Label: Northern Blues Distr.: Parsifal

 

 

Cubaan Carlos Del Junco, beeldhouwer, muzikant, bezitter van gouden medailles, Juno Awards en eretitels en meermaals bekroond tot beste ‘Harmonica Player of the Year,’ heeft zijn zevende album uitgebracht. Deze naar Canada geëmigreerde bluesharpist leerde dit instrument al op jonge leeftijd hanteren. Amper veertien jaar oud deed hij op school mee aan een talentenjacht. Later rondde hij zijn studies af aan het ‘Ontario College of Art’ en exploreerde zijn mogelijkheden als muzikant. Jazzvirtuoos Howard Levy leerde hem enkele bijzondere technieken. Hij speelde in verschillende bands vooraleer hij in 1990 zelf een fusiebandje oprichtte met de naam ‘The Delcomos’ dat blues met jazz combineerde. In 1993 kwam zijn eerste album uit met voor het merendeel bluesklassiekers. Inmiddels is hij vijftig jaar en op dit voorlopig laatste album varieert hij met blues, swing, jazz en soul. Tussen ‘Diddle It’ en ‘Doodle It’ hoor je op elf tracks verschillende stijlen en ritmes die allen één ding gemeen hebben: virtuoos harmonicaspel op één van zijn Hohner Golden Melody Harmonica’s. Als ondeskundige waag ik het niet me op glad ijs te begeven om over positie, sleutels, ‘overblowing’ of toonaarden te berichten. Maar de nummers zijn sfeervol, inventief en uitbeeldend. Op enkele zingt Carlos met ingehouden passie zoals op ‘Movin’ Down The River Rhine’ waar hij bluesy expressief als het ware het traject van Sonny Boy Williamson aftast. Enkele nummers schreef hij zelf. Zijn muziekmaat en gitarist Kevin Breit evenzo. In ‘Bye For Now’, een poëtisch pareltje, komen beiden elkaar gevoelvol tegemoet in hun liefde voor intimistische blues. ‘The Simple Life’ daarentegen zweemt naar jazz, beelden oproepend van zowel zwartwit films als moderne panoramische landschappen. Je herkent hier de beeldhouwer die melodisch/ritmisch weet te visualiseren. De traditional ‘Amazing Grace’ wordt door Carlos in originele en gewijde harmonicaomlijsting omhuld. ‘Dull Blade’ daarentegen lijkt ondergronds te gaan het mysterie achterna. Drummer J.J. Andersen jaagt hier het ritme op. In het geïnspireerde ‘Bailey’s Bounce’ tenslotte hoor je hoe schroom en liefde zich verstrengelen wanneer Carlos op zijn manier, bluesharpgewijs, een hulde brengt aan ‘harmonica wizard’ DeFord Bailey, één van de eerste bluespioniers die door de blueshistorici werd vergeten. Sessiemuzikant Kevin Breit, die ook Cassandra Wilson begeleidde, en nog enkele andere verrijken dit album met elk hun eigen specifieke inbreng. Wat ‘Steady Movin’ zo aantrekkelijk maakt is de aarzeling tussen ogenschijnlijke jazzy improvisatiekunst en toch het respectvol aanleunen bij authentieke blues. (Marcie)



 

JOHNNY HAWTHORN BAND
DEATH & TAXES
Website Myspace Contact
Label: Abe's records
CDBaby VIDEO

 

 

Johnny Hawthorn kreeg op zijn tweede cd hulp van Todd Nichols, gitarist bij Toad The Wet Sprocket voor de productie en de opname. Na de positieve reacties op zijn titelloze debuut, wilde Johnny Hawthorn deze keer zijn gitaar zo te horen nog wat meer op de voorgrond plaatsen. Johnny was tot op heden immers een veel gevraagde sessie gitarist, die naar eigen zeggen vooral beïnvloed was door mensen als Jeff Beck, Robben Ford en Roy Buchanan, al zijn deze invloeden niet dadelijk hoorbaar hier. Samen met Todd Nichols zorgden ze op deze cd voor een direct geluid, alles werd op simpele wijze "in house" opgenomen, zonder veel duur studiowerk. Van scheurende lapsteel tot akoestische en elektrische slide gitaren en voorzien van vervormde vocals, mondharmonica en hier en daar een jazzy atmosfeertje, zo zorgt Hawthorn voor een zeer afwisselend totaalgeluid. Een kruising van roots en blues is dit, een mengeling van verschillende texturen, met de klassieke blues "In My Time Of Dying" die een knipoog is naar Led Zeppelin's geluid en Robert Plant's vocale krachtpatserij. De instrumentale rockende gitaaruitspatting à la Albert Lee of Danny Gatton met de titel "Bamboozled" is een ander hoogtepunt. Sterk in contrast daarmee staat het sfeervolle "St. Stephan's Green", "When I Kiss You" en "Loser's Game " nummers die de andere, subtiele kant van Hawthorn belichten. “Death & Taxes” is hierdoor een zeer afwisselingvolle rootsplaat geworden, waarmee deze gitarist uit Los Angeles zich voor eens en voorgoed op de kaart zet. (RON)

 


 

 

MARTIN SIMPSON
PRODIGAL SON
Website Contact
Label : Topic Records

 

 

Martin Simpson is een 55-jarige gitarist uit Engeland die kan terugblikken op een indrukwekkende carrière in de muziekbusiness. Amper 12 jaar oud leerde hij gitaar spelen en een jaartje later had hij ook de banjo al helemaal onder de knie. In het traditionele folkcircuit beleefde hij zijn eerste kennismaking met live optredens. In 1976 mocht hij een eerste album uitbrengen onder de titel “Golden Vanity” en kon hij het voorprogramma van ‘Steeleye Span’ spelen. Hij werd toen ook professioneel muzikant als gitarist en banjospeler in de begeleidingsgroep van folkzanger June Tabor. In 1985 trouwde hij met de Amerikaanse zangeres Jessica Radcliffe en twee jaar later verhuisde Martin Simpson naar de Verenigde Staten waar hij in de New Yorkse scène kon samenspelen met meerdere lokale artiesten. Tegelijkertijd verbreedde hij zijn muzikale interesses naar genres als bluegrass, blues, cajun en Indiaans geïnspireerde nummers. Hij werkte er ook naarstig verder aan het ontwikkelen van zijn eigen sound, een gebalanceerde mix van traditionele en hedendaagse muziek. Zijn cd’s “The Bramble Briar” uit 2001 en “Kind Letters” uit 2005 waarin hij terugkeerde naar de traditionele Britse vertelstijl bracht hem in het gezichtsveld van muzikanten als Jackson Browne en David Lindley, waarmee hij in 1997 al een geheel instrumentale plaat opnam: “Cook & Unusual”. Martin Simpson hertrouwde een paar jaar geleden met Kit Bailey, dochter van de Amerikaanse zanger Roy Bailey met wie hij ook af en toe als begeleider optreedt. Daarnaast schrijft Martin Simpson ook instructieboeken voor gitaaropleiding en neemt hij dvd’s op met gitaarlessen. De cd “Prodigal Son” die wij nu kregen ter bespreking werd reeds in 2007 opgenomen en kreeg in 2008 een ‘BBC Radio 2 Folk Award’ als beste album. Het is een mengeling van traditionele songs en originele eigen nummers waarin vooral typische zuiderse Amerikaanse muziekklanken te herkennen vallen. Gastmuzikanten op dit album zijn Kellie While, Kate Rusby en folklegende Jackson Browne. Het opgemerkte optreden van Martin Simpson eind 2007 in “Later …with Jools Holland” en zijn gesmaakte optreden bij “The Proms” van vorig jaar waren de aanleiding tot het succes van deze nieuwe plaat. Zijn fingerpicking gitaarspel en zijn slide rootsgitaarspel vormen de ideale basis voor de Keltische rootsmuziek en de Amerikaanse country en bluessound die hij in zijn muziek weet te combineren. Vocaal is hij niet direct een grootmeester te noemen maar dat compenseert hij ruimschoots door ‘stemmen’ uit te nodigen voor het zangwerk op “Prodigal Son”. Zo helpt Jackson Browne voortreffelijk op de song “Louisiana 1927”, geselecteerd uit het repertoire van Randy Newman. In een zelfgeschreven intiem persoonlijke ode aan zijn overleden vader “Never Any Good” vallen dan weer de mooie harmony vocals van Kellie While en Kate Rusby op. Tussen de 15 nummers op dit album staan er ook enkele mooie instrumentaaltjes zoals “She Slips Away”, geschreven voor zijn overleden moeder.. Met de sterkhouders en traditionals “Lakes Of Champlain”, “Mother Love”, het voorgelezen werk “Little Musgrave”, “The Granemore Hare” en het 9 minuten durende “Andrew Lammie”, “Batchelor’s Hall” over een verloren liefde en de door Leadbelly geschreven ragtime-bluesballad “Duncan & Brady” vooraan herinneren we deze “Prodigal Son” vooral als een aanrader voor fans van de traditionele Engelse ballads en van goede folksongs. (valsam)


 

 

THE BOWMANS
FAR FROM HOME
Website - myspace - CDBaby


 

Altijd sympathiek als twee zussen muziek maken in plaats van met elkaar te bekvechten. Sarah en Claire houden gewoon van zingen, al sinds zij, opgroeiend in Davenport, Iowa, hun samenzang uitprobeerden. Hun eerste volwaardig album ‘Far From Home’ kreeg al heel wat positieve respons zowel in eigen land als in Europa. Want de zusjes hebben ervaring vergaard toen zij nog in koffiehuizen zongen in Pittsburg, waar zij parallel hun universitaire studies wilden afmaken. Toen Sarah later naar New York trok om daar een solocarrière te beginnen en bovendien keer op keer uitgenodigd werd om als celliste met andere artiesten mee te musiceren, vervoegde ook zus Claire zich bij haar. Sindsdien trekken de zingende zussen samen op en toeren zij door Amerika en Europa met hun repertoire van americana, folk en singer-songwriterpoëzie. Met deze eerste cd doen zij hun reputatie als geboren rasartiesten alle eer aan, fijngevoelige zussen die lyrische teksten met intuïtieve samenzang weten te combineren. ‘Make It Last’ swingt als een kleuter op een zwier, maar op‘The Kitchen Song’ omhult Sarah’s viool de melancholie van een ziel die wegzakt in vrees en eenzaamheid. Vaak geeft haar cellobegeleiding een beklemmende sfeer aan treurige teksten. Vergane liefdes, tijden die ten kwade veranderen, normloosheid en levensmoeheid, zijn niet altijd een optimistische levensspiegel voor een twintiger. Want Sarah schreef, op één na, alle teksten zelf en zingt met een ijle stem die aan Sarah McLachlan, soms aan Lynn Miles herinnert. De zussen krijgen sfeervolle versterking van een twaalftal muzikanten, die met mandoline, banjo, trompet, fluit, tuba en zelfs met potten en pannen assistentie verlenen, zonder dat dit de intimiteit van het album verstoort. Op een rijtje gezet zijn alle songs even lyrisch, op ‘Porker Song’ na, een leuk kinderliedje geschreven door zus Claire. Maar ‘Williamsburg Bridge’, ‘World With No Boundaries’ en het titelnummer ‘Far From Home’ vloeien uit Sarah’s pen als innige ballades, waarin je haar klassieke scholing opvangt. Het sublieme ‘I Have Fallen’ met aanzwellende pianobegeleiding, met de bedrieglijke melodische lijn van een slaapliedje, mocht van mij dubbel zo lang duren. Het telepathisch aanvoelingsvermogen bereikt hier een hoogtepunt qua harmoniërende samenzang. Want al zingen de talentvolle zussen ergens dat de betovering verbroken is, niet met deze ‘Far From Home’. (Marcie)


Tim Grimm + The Bowmans
Toogenblik op Vr 20/2/2009 om 21:00

 


SUGAR HILL ‘AMERICANA MASTER SERIES’

Goed nieuws uit Suikerheuvel, Nashville, TN. Het geweldige Sugar Hill platenlabel heeft twee mooie compilaties uitgebracht met werk van twee raspaarden uit haar stal: Doc Watson en Ricky Skaggs. De platen heten allebei weinig verrassend ‘Best of the Sugar Hill Years’ en behoren tot de reeks ‘Americana Master Series’. Maar wie geeft om het lage verrassingsgehalte van een platentitel als de inhoud om duimen en vangers van af te likken is?


 

DOC WATSON
BEST OF THE SUGAR HILL YEARS
Website Myspace Label
Distr.: Proper Music

 

Laat ons beginnen met Doc Watson, een man die geen introductie behoeft. Voor de jongsten uit de klas toch even een paar steekkaartgegevens. Arthel ‘Doc’ Watson (°1923) is dé meester van de flat-pick gitaar. Met de ogen dicht –Watson is blind- schudt hij loepzuivere licks uit zijn akoestische gitaar als was het steno. Zó lenig en snel. Zijn stijl is geënt op de bluegrass en Appalachen traditie, maar is ook mee geëvolueerd en is zélf een referentie geworden. ‘Als Johnny Cash en Gram Parsons de elektrische patroonheiligen zijn van de Americana, dan is Doc Watson de akoestische peetvader’ (uit de liner notes van Craig Havighurst). Maar Watson is meer dan een gitaarvirtuoos. Hij is ook een integer en gevoelig interpretant van de traditionele folk en gospel. Als u op de dag des oordeels een plaat van Watson bij zich heeft, dan geraakt u binnen in de hemel, geloof mij. Op deze compilatie, die 22 jaar aan opnames overspant in 14 tracks, staan veel traditionals gearrangeerd door Watson zelf en verder songs van o.a. Mississippi John Hurt, Jimmie Rodgers, A.P. Carter en Bill Monroe. Elke compilatie is natuurlijk slechts een selectie en ongetwijfeld kunnen bomen opgezet worden over waarom dít nummer wel en dát niet. De keuze die Sugar Hill gemaakt heeft staat, naar onze bescheiden mening, als een huis en is een uitstekende introductie. Er is instrumentaal vuurwerk (‘Whiskey Before Breakfast’ – let op de a-ha die Watson er tussen door mompelt) er is gospel (‘You Must Come In At The Door’ en ‘Let The Church Roll On’) er is blues (‘Country Blues’ en ‘Watson’s Blues’) en er is uiteraard folk van allerlei pluimage (‘Solid Gone’ is een van onze favorieten). Watson laat zich begeleiden door de crème de la crème der muzikanten (o.a. zijn eigen betreurde zoon Merle Watson, Béla Fleck, Sam Bush, Marc O’Connor, Jerry Douglas, Bryan Sutton). Let wel, enige voorzichtigheid is geboden: dit is zwaar verslavend spul!


 

RICKY SCAGGS
BEST OF THE SUGAR HILL YEARS
Website Myspace Label
Distr.: Proper Music

 

Ricky Skaggs (1954°) is –om het eufemistisch uit te drukken- wat jonger dan Doc Watson, maar is toch ook al sinds einde jaren ’70 aan de slag bij Sugar Hill. Skaggs maakte deel uit van Ralph Stanley’s Clinch Mountain Boys en de Country Gentlemen. Hij speelde in Emmylou Harris’ Hot Band en hij is, zo zeggen de geschiedschrijvers, een van de voorlopers van de neo-bluegrass beweging die, zo zeggen de geschiedschrijvers eveneens, culmineerde in de soundtrack van ‘O Brother, Where Art Thou?’. Dat zal wel, ‘O Brother’ was een kaskraker, maar 1. eigenlijk was de neo-bluegrass al een decennium eerder geculmineerd in ‘Arkansas Traveler’ van de onvolprezen Michelle Shocked, en 2. neo-bluegrass is een beetje een holle term die gebruikt wordt voor eenieder die van bluegrass houdt en nog geen grijs haar heeft. Vorbeeld: Ricky Skaggs. Deze bijzonder lange inleiding heeft slechts een doel: duidelijk maken dat Ricky Skaggs, wars van elke trend, al jaren lang de roots van de country in zijn hart draagt en levendig houdt. Skaggs heeft gedurende 10 jaar platen opgenomen voor Sugar Hill en op deze compilatie zijn uit die periode 13 tracks samengebracht. Skaggs speelt hier vooral mandoline vergezeld door fijne mensen als Tony Rice (met wie hij een duo vormde), Jerry Douglas, Wes Golding, Mike Auldridge en nog een hele trits anderen. Er wordt gebluegrassed op hoog niveau. Skaggs is dan misschien nét iets minder briljant dan pakweg Doc Watson, toch is deze compilatie van een duizelingwekkende schoonheid. Veel mooie harmony vocals en heel veel gesmacht. Overal is er wel heimwee naar the days of old of naar een meisje dat uiteraard volledig buiten bereik is. En als het dat niet is, dan maakt men ruim tijd voor gebed en bespiegelingen over het hiernamaals. Een erg mooi voorbeeld van dat laatste is ‘Where he Soul of a Man Never Dies’. Het allermooiste stukje muziek op de plaat is Skagg’s versie van Townes’ ‘If I Needed You’, gebracht in een live duet met Sharon White. Zuivere klasse en op zich al de aanschaf van de plaat waard. Beluisterd en meer dan goedgekeurd! (Duke J)



 

 

LAZY J & THE DIRTY SHUFFLE
BONE TO PICK
Website CDBaby

 

 

Bluesgitarist Lazy J. en zijn band Dirty Shuffle is zo Texaans qua geluid als maar enigszins mogelijk is. Dit ruikt naar SRV en Johnny Winter. Real Texas boogie dus, met hier en daar wat jazz, rock en country invloeden er in verwerkt, maar hoofdzakelijk blues vanuit het hart. Niet omdat het zo lekker betaalt, of omdat de radiostations er om vragen, neen, omdat ze niet anders kunnen, omdat het hun leven is en in hun bloed zit. “We doen het om de reacties die het publiek ons bezorgt” zegt Lazy J.”dat is de olie die ons vuur doet branden”. Zo te horen brand het vuurtje ondertussen lekker, dit is niet vernieuwend of apart, maar wel echt. Met nummers als de langzame titelsong “Bone To Pick” of het snellere “Jumping Bones”, nummers die duidelijk invloeden laten horen van een andere Texaan, T- Bone Walker, en dat niet alleen in de titel. Of “My Little Angel” waar S.R.V over de schouders lijkt mee te kijken, net als in de openingstrack “Woke Up This Morning”. “Last Chance” is eerder bluesrock en “You Don’t Love Me”, hoewel het hier niet om de bekende Allman Brothers song gaat, toch helemaal dat stijltje is, maar eerder aan hun songs ”In Memory Of Elizabeth Reed” of “Whipping Post” doet denken. Je hoort het, Texaanse blues en wat southern rock, dat is waar we op deze “Bone To Pick” met volle teugen van kunnen genieten. Een debuut dat belooft voor de toekomst. (RON)