ARCHIEF - OKTOBER 2008 - NOVEMBER 2008 - DECEMBER 2008
EACH
MONTH MORE THAN 100 REVIEWS FOR YOUR ROOTS LOVIN' EARS!
|
THE GARY KENDALL BAND - FEELS REAL STRONG
TOMMY TALTON - SOMEONE ELSE'S SHOES
TIM EASTON - LIVE AT WATER CANYON
LEIGH SLOGGETT - LOOKING FOR THE CLUES
CINDY WOOLF - BEFORE DAYLIGHT
MARC RIBOT - SPIRITUAL UNITY
V.A. : THE FUTURE OF THE BLUES – A NORTHERNBLUES SAMPLER - VOL.3
TIN CAN BUDDHA - LIVE AT THE QUILT BOX
GHOSTOWNE - DUST 'N BONES
BRYAN LEE - KATRINA WAS HER NAME

THE
GARY KENDALL BAND
FEELS REAL STRONG
Website Contact
CDBaby
Label: 47 Records
De
uit Toronto afkomstige Downchild Blues Band is oorspronkelijk gesticht in het
Toronto's Grossman's Taverne door Donnie "Mr Downchild" Walsh en zijn
broer Richard "The Hock" Walsh. Sinds hun ontstaan in 1969 hebben
zij verschillende bandwissels gekend en heeft hun oorspronkelijk repertoire
plaats moeten ruimen voor heel wat andere muziekstijlen. In 1971 speelde The
James Hartley Band ook in datzelfde taverne. Frontman van deze band, Garry Kendall,
geraakte bevriend met de bandleden van Downchild en hun wederzijds respect voor
de muziek bracht hun nog dichter bij elkaar. Ook zijn vriendschap met Muddy
Waters gitarist, Bob Margolin, zorgde ervoor dat Kendall met zijn band, Dollars,
geregeld de concerten van Muddy mocht openen. In 1979 ging zijn droom in vervulling,
als bassist kon hij toetreden tot The Downchild Blues Band, met wie hij bleef
tot 1983, en waarvan in die periode de albums "We Deliver", "Road
Fever", "Blood Run Hot" en "But, I`m On The Guest List"
verschenen. Tot in de vroege jaren '90 bleef hij dan wat meer terug getrokken
in zijn eigen Black Swan Taverne met de The Kendall Wall Blues Band, een band
die hij vormde met ex-Downchild drummer Cash Wall, harmonica ace Jeff Baker
en Fathead's gitarist Teddy Leonard. Niet dat het een stille bedoeling was want
gasten als A. C. Reed, Pinetop Perkins, Eddy Clearwater, Tinsley Ellis, Little
Willie Littlefield, Chubby Carrier, Bernard Allison, Eddie C. Campbell, Lefty
Dizz, Eddie "Clean Head" Vinson, Eddie Shaw, Carey Bell, Fenton Robinson
en vele anderen kwamen bij hun over de vloer. En als de The Kendall Wall Blues
Band naar buiten kwam waren ze de veel gevraagde backing band van o.a. Luther"Guitar
Junior" Johnson, Snooky Pryor, Big Jay McNealey, Honkin` Joe Houston en
Phil Guy. In 1995, keerde Kendall als bassist terug naar de The Downchild Blues
Band en speelde vervolgens mee op de albums: "Lucky 13", "Come
On In" en "Live At The Palais Royale". Voor mij was het album
"Dusty & Pearl" uit 2004 de eerste kennismaking met The Gary Kendall
Band. Want als Kendall niet aan het touren was met Downchild, was er tijd voor
zijn eigen band en al gauw bleek duidelijk dat dit zou uitmonden in een fascinerende
ontdekkingsreis. Want zopas verscheen het door Kendall geproduceerde album "Feels
Real Strong" en komt The Gary Kendall Band weer goed uit de hoek. Ze maken
nog altijd muziek die kan worden omschreven als een energieke en meedogenloze
mix van vooral blues en rock ’n roll. Een mix waarin ook dit keer weer
plaats is voor invloeden uit de soul, jump en zelfs zydeco. Twaalf songs worden
met passie gespeeld en met emotie gezongen en dit vanaf de swingende opener
"Real Good Night" tot de swampy afsluiter "Streeta Groove".
Een werkelijk aanstekelijk ballade is "Feels So Strong" en het zydeco
gevoel vinden we in "Sugaree", met accordeon bijdrage van gast ‘Same
Day' Ray Walsh op beide nummers. Kendall's songwriting is het best in "Rainy
Night In Hogtown" met Pat Carey op baritone sax en het luchtige "Wall
Of Love". Covers zijn hier volledig uit de boze, allemaal eigen geschreven
nummers van Kendall, op ééntje na, het mooi rhumba-rock ‘n'
roll gebrachte "When You Tell Me", geschreven door Kendall's oude
bandvriend, Cash Wall. Vanuit een puristisch standpunt bekeken is dit natuurlijk
een echt bluesalbum, een ware 'blues-based rock and roll sound'. Want The Gary
Kendall Band trakteert je op een appetijtelijk stoofpotje energieke bluessongs,
sudderend in een geurig kruidenboeket van sublieme rock & roll, afgewerkt
met een pittig smakend jumprocksausje. Gary Kendall & C is een band die
sterke en geloofwaardige songs brengen. Al zal ik mijn liefde voor de blues
nooit of te nimmer verloochenen, toch ga ik helemaal plat voor het geluid dat
deze band die naast Kendall bestaat uit Shakey Dagenais (piano/orgel), gitarist
Darran Poole en de drummers Mike Fitzpatrick of Tyler Burgess.
Foto: The 9th Annual Maple Blues Awards, Bassist Of The Year, Phoenix Concert Theatre, Toronto, Jan.16/06

TOMMY
TALTON
SOMEONE ELSE'S SHOES
Website Myspace
Label
Info
VIDEO 1 VIDEO
2 VIDEO 3 VIDEO
4
Insiders
zullen deze man wel kennen van de legendarische band "Cowboy" samen
met Scott Boyer, Chuck Leavell en Bill Stewart die in het kielzog van de Allman
Brothers op het Capricorn label enkele LP’s maakten, met daarop het nummer
"Please Be With Me", een nummer dat in mijn top tien aller tijden
nog steeds een hoge plaats inneemt. Hij was tijdens die periode dat hij in Macon
Georgea woonde, de bakerplaats van het Capricorn gebeuren en zijn Southern muziek.
Hij speelde onder meer als studiomuzikant op platen van Greg Allman, Bonnie
Bramlett, Corky Laing, Clarence Carter en Arthur Conley, en dat is nog maar
het topje van de ijsberg. Vandaar dat ik onlangs eens op het net een kijkje
ging nemen om te zien of Tommy Talton nog muziek maakte. Bleek dat hij net voordien
een nieuwe cd gemaakt had, en wat meer was, dat hij in Europa woonde gedurende
de jaren negentig en hier een band achter zich had die bestond uit enkele leden
van Albert Lee’s begeleidingsband, die zich de Rebelizers noemden. Nu
zijn de muzikanten waarvan hij gebruik maakt tegenwoordig: Tony Giordano (piano),
Brandon Peeples (bas) en Bill Stewart (drums), de meest bekende van het drietal,
want hij was lid van Cowboy, speelde met Delbert McClinton, de Capricorn Rhythm
Section, Wet Willie, en was invaller voor de drummer Jaimoe bij de Allman Brothers.
Een ander opvallend feit is dat de cd, die de bijtitel "In Europe"
draagt grotendeels is opgenomen in Luxemburg met de Rebelizers en hier zelfs
bij ons in België werd gemastered. De laatste vijf van de dertien songs
werden in Atlanta opgenomen. Er is dus wel een groot tijdsverschil tussen deze
twee studiosessies, van 1995 tot vorig jaar, maar dat is nergens merkbaar, de
cd klinkt als een mooi geheel. En dat mogen we rustig letterlijk verstaan, een
mooi geheel, want dit is een prachtplaat. Tommy Talton toont zich hier niet
alleen als een groot slidegitarist, maar ook als een bekwaam songschrijver en
prima zanger. De cd opent stevig met "Restless", een relatie song,
stevig rockend en wat herinnerend aan Delbert Mc Clinton’s sound. "In
The Middle Of The Night" is R&B van hoog gehalte. Een knappe song met
een sterk refrein. Meer R&B, maar wat ingetogener in "Time Will Never
Change": met mooie sfeervolle piano intro en fretless bas en prachtig gitaarwerk
van Tommy. Een heel herkenbaar geluid daarna, het dobro gitaargeluid van Cowboy,
hier in het melodieuze "Tired Of Living", Tommy Talton zoals we hem
kennen. "The Got Song", met diezelfde dobro en een nummer dat erg
lijkt op het vroege solo werk van Levon Helm. De enige cover, het van een heerlijk
vette Southern slide voorziene "How Come People Act Like That", de
bekende Bobby Charles song. Shifflange in Luxemburg lag eventjes dicht in de
buurt van Macon Georgea of Gadsden, Alabama. "God Save Everyone" is
een ballade, boordevol emotie, die evenzeer op een Allman Brothers of Gregg
Allman cd kon staan. Laatste song van de oudere Europese opnames is de heerlijke,
relaxt klinkende titelsong "Someone Else’s Shoes", meteen een
hoogtepunt van deze cd. De vijf andere songs brengen ons ander muzikanten, en
hebben een iets hoger R&B gehalte "Wake Up Ready" is daar een
goed voorbeeld van, samen met "Things" een volgende voltreffer. Maar
dan moeten de twee laatste nummers nog volgen, en laat dat nu ook nog erg sterkste
songs zijn, die de spreekwoordelijke kers op de taart vormen. "Sit Here
In The Sun" bijvoorbeeld, met een sterke melodie en erg smaakvolle gitaarlicks
die zich opvolgen. De afsluiter, het sober gebrachte “Broken Pieces”
is opnieuw een song met Cowboy allures. Er zijn geruchten van een reünie,
ze zouden in de Duck Tape Studios in Decatur, Alabama zitten met Johnny Sandlin
van het vroegere Capricorn label, laat ons hopen dat het waar is.
(RON)

TIM
EASTON
LIVE AT WATER CANYON
Website Myspace
Label
De
‘Water Canyon Coffee Company in Yucca Valley’, de naam alleen al
ruist als een rootsy song omheen je hoofd. Daar in de Mojave woestijn niet ver
van Los Angeles City trad Tim Easton op voor een kennerspubliek, vijftig man
ongeveer, het maximum wat de club qua stoelen kan verwerken. De Live opname
van tien songs waarborgt dus al op voorhand een intimistische sfeer, uitgeleid
met applaus. Sommige van die songs vind je terug op vorige albums. Vier heeft
hij er al uitgebracht als je ‘ESP’ niet meerekent, dat hij samen
met Leeroy Stagger en Evan Phillips opnam. Hij zet in met ‘Special 20’,
met gitaarbegeleiding en zijn harmonica Special 20, waarmee de toon is gezet.
Want deze ‘Marine Band’ mondharp versterkt het emotionele in zijn
songs. Daarin bezingt Tim met hese stem ronddolende figuren en wispelturige
meisjes, die hij vermoedelijk kent uit zijn Ohio tijd, waar hij opgroeide en
waar jonge mensen vroeg of laat wegtrekken gelokt door het avontuur. Zelf is
Tim ook een wereldreiziger die tot in Praag en Krakau inspiratie voor zijn liedjes
zocht en vond. Hij stond ook in het voorprogramma van o.m. John Hiatt, Alejandro
Escovedo en de Cowboy Junkies. Alles wat hij tijdens zijn reizen opschreef of
memoriseerde krijgt vroeg of laat een plaatsje in zijn songs. Op dit album komt
het allemaal bijeen: de rusteloosheid, het willen uitbreken en toch graag thuiskomen.
Vooral in de bluesgetinte songs is dat verlangen naar een thuishaven sterk aanwezig.
Met zijn resonerende slidegitaar wordt die hunker verhevigd. Bij de countryblues
van ‘They Will Bury You’ en ‘Tired And Hungry’ lijkt
het alsof je de schimmen van Fred McDowell, Son House of Bukka White achter
hem ziet meebewegen, al schreef Easton deze songs zelf. Alleen ‘Lose Your
Money’ leende hij van Sonny Terry en Brownie Mc.Ghee. In het gevoelvolle
‘Next To You’ toont Easton zijn kwetsbare kant. Singer-songwriter
Tim heeft in de loop der jaren een schat van songs samengebracht, waarvan het
merendeel geschikt is om solo te zingen. Al speelt hij ook graag met een band
toch geeft het alleen toeren hem een zekere vrijheid. Die beide polen zijn geworteld
in Easton’s verleden, die solitaire zwerflust combineert met het plezier
om met kompanen muziek te maken. Want op zijn albums vind je toch overwegend
gevarieerde instrumentale begeleiding. Tijdens dit Live optreden draagt hij
echter alleen de hele Set, die spijtig genoeg maar een dik half uur duurde,
althans de opnamelengte. Je zit dus half te wachten op een Encore dat er niet
komt. Maar misschien kan hij dat afmaken wanneer hij nog eens passeert in het
clubcircuit rond Brussel of elders. Ergens hoopte je natuurlijk dat je tot het
bevoorrecht clubje behoorde in de Water Canyon entourage, maar even overvliegen
blijft vooralsnog een utopische droom. Dit Live album, geproducet door Michael
Farrow, Academy Award winnaar, is echter een verzachtende troostprijs, zoals
alleen de charismatische Tim Easton je die met zijn expressieve songs kan bezorgen.
Marcie


LEIGH
SLOGGETT
LOOKING FOR THE CLUES
Website Myspace
Contact Artwork
CDBaby
Van
de vorige cd van deze Australische singer songwriter en slidegitarist was ik
behoorlijk onder de indruk twee jaar geleden. Zijn rustige folkmuziek, voorzien
van heerlijke bijdrages op slidegitaar raakte me diep, hoewel het in eerste
instantie niet echt mijn soort muziek was. Tijdens mijn zoektocht naar meer
informatie over de man ontdekte ik dat hij nog andere talenten had, want hij
is ook een ambachtelijk kunstenaar (hij maakt prachtige Japanse netsukes: snijwerk
in hout, steen, ivoor een been als versiering voor kimono gordels). Je kan zijn
werk even bekijken op de bijgevoegde site. Daarom was ik aangenaam verrast en
tegelijkertijd zeer benieuwd, toen site-baas Freddy me de nieuwe cd van Leigh
bezorgde. Hij heeft alle verwachtingen volledig ingelost, terug zijn de wat
dromerige, mijmerende composities van zijn voorganger, en het gitaarwerk (met
veel akoestische slide) is ook net als op "Slidin To Your Destiny"
even kristalhelder en to the point. Een ander belangrijk element is de "staande
bas" van Liz Frencham, die ook voor prachtige backing vocals zorgt, een
zo mogelijk nog groter pluspunt. Zij brengt nog meer sfeer in de songs. Mark
Blanch en Thom Moore zorgen voor allerhande percussie. Op een song "Am
I Going Insane?" zorgt Gretchen Anderson voor viool en een zekere Stax
brengt de typische Australische sfeer in "The River" met zijn didgeridoo.
Doorheen deze wonderlijk rustgevende plaat loopt een rode draad van een op zoek
zijn naar zichzelf. Meer dan ooit is dit een "groeiplaat", bij iedere
beluistering ontdek je meer en de stemmen van Leigh en Liz trekken je naar zich
toe. Met deze plaat doet Leigh wat hij met zijn kleine minuscule snijwerkjes
doet, het zijn juweeltjes van vakmanschap en creativiteit, die je pas echt ontdekt
in al zijn pracht nadat ze je volle aandacht vasthebben. De titelsong "Looking
For The Clues" gaat over het terug naar huis gaan, na lange tijd in Japan
geleefd te hebben, en de dubbele gevoelens wat dit meebrengt. "Blue Jewel"
met prachtig gitaarwerk is een milieusong, een song met excuus voor het ondoordachte
gedrag van de mens op deze planeet. Een de mooiste songs op deze plaat is zonder
twijfel "Stone" een song waar Leigh naar eigen zeggen ook het meest
trots op is. Dat Leigh een natuurmens is, die zeer met het milieu begaan is
merken we opnieuw in "On The Climbing Road", een song over het plotse
besef hoe mooi Port Philip Bay, een stukje natuur vlakbij zijn woonplaats ooit
moet geweest zijn voor de komst van de mens. Sterke songs zat op deze plaat,
maar we pikken er nog een laatste uit "Good Fortune" dat gaat over
die Japanse periode, en het besef dat het de juiste beslissing was, die hem
veel geluk bracht. Hij vond er zijn vrouwtje en ze leefden nog lang en gelukkig.
De sprong in het onbekende draaide perfect uit. We zitten nog maar halfweg,
maar geloof me, de rest van de cd bevat nog minstens nog evenveel hoogtepunten
en juweeltjes. Aan U om ze te ontdekken...en langzaam op je te laten inwerken...
als een heilzaam, rustgevend bad.
(RON)

CINDY
WOOLF
BEFORE DAYLIGHT
Website Myspace
Contact CD-Baby
Volgens
de CD-Baby website moet je als liefhebber van Lucinda Williams, Iris DeMent
of Gillian Welch zeker even gaan luisteren naar de nieuwste cd van de uit Springfield,
Missouri afkomstige Amerikaanse zangeres Cindy Woolf. Als deze professionals
ons dit aanraden kunnen we dat advies natuurlijk niet zomaar naast ons neerleggen.
Plichtsbewust als we zijn haalden we het album “Before Daylight”
dus naar onze redactie en speelden we het schijfje een aantal keren vooraleer
we ons aan het hiernavolgende objectieve oordeel begaven. Talent als songschrijfster
heeft deze dame in overvloed, getuige daarvan de tien nummers op deze cd. En
ook als zangeres is ze zeker niet te catalogeren als twaalf in een dozijn. Haar
typische, kristalheldere en soms kinderlijk klinkende stemgeluid à la
Joanna Newsom is gemakkelijk herkenbaar en past perfect bij de liedjes die ze
voor zichzelf geschreven heeft. Haar accent verraadt tevens haar Zuiderse afkomst
maar dat hoeft zeker geen nadeel te zijn voor de traditional- en countrygetinte
songs die ze ten gehore brengt. En we willen ook een pluim geven voor de uitstekende
muzikale begeleidingsgroep die ze rond zich heeft weten te verzamelen voor deze
plaat. Cindy Woolf was een ontdekking van producer en gitarist Mark Bilyeu die
haar in 2005 aanmoedigde om een eerste plaat op te nemen met eigen songs. Dat
werd “Simple and Few”, een cd die voornamelijk akoestisch werd gehouden
en waarbij zij alle aandacht op haar mooie stem concentreerde. Het tweede album
“Before Daylight” wijkt echter volledig af van die akoestische opzet
en naar onze bescheiden mening komt dit haar muziek ten goede. Qua genre zouden
we haar muziek willen plaatsen bij countryfolk en bluegrass. Onze favoriete
songs op dit album zijn het poppy “Saturday In June”, de intimistische
ballads “Come Home” en “Underestimated”, het swingende
“Sidewalk Stars” en de bluegrass-song “Portland East To Portland
West”. Onze conclusie: “Before Daylight” is een verdienstelijk
plaatje van een op zijn minst opvallend te noemen zangeres die – mits
een beetje geluk op het juiste moment – een brede toekomst in de muziekwereld
mag tegemoet zien.
(valsam)

MARC
RIBOT
SPIRITUAL UNITY
Website Label: Pi Records
Distr.: Codaex
De
naam Marc Ribot kom je de laatste 25 jaar ongeveer overal tegen en meestal dan
op steengoede platen van anderen waarop hij als sessiemuzikant meespeelt. Misschien
is de artiest nog wel het best bekend voor zijn uitstekend werk op de albums
van Tom Waits en Elvis Costello. Men zou haast vergeten dat deze wonderlijke
gitarist ook een uitgebreide solocarrière heeft uitgebouwd. Zo creëerde
hij in 2005 het album ‘Spiritual Unity’ (nu opnieuw verkrijgbaar
via Pi Recordings). De naam van de plaat is meteen ook de naam van de groep,
bestaande uit Roy Campbell - Trompet; Henry Grimes - Double Bass; Chad Taylor
– Drums en Ribot zelve op gitaar. Dit album is een hartverwarmend eerbetoon
aan de in 1970 overleden free jazz-pionier Albert Ayler, wiens muziek Ribot
tot één van zijn belangrijkste invloeden rekent. Ayler was tevens
een voorbeeld voor jazzgiganten als John Coltrane en Ornette Coleman, hetgeen
het historisch belang van deze man toch wel onderstreept. In de muziek van Ayler
was niet zozeer de melodie of de harmonie tussen de muzikanten het belangrijkste,
maar wel het timbre en de emotie, die vooral gecreëerd werden door verregaande
improvisaties. Dat zoiets veel inzet en vooral meesterschap vergt van de muzikanten
mag zondermeer duidelijk zijn. Maar, het mag gezegd worden, Ribot en zijn muzikant
kwijten zich schitterend van hun taak. Ribot’s eigen openingscompositie
‘Innocation’ dient als een soort spirituele geleider om de geest
van Ayler muziek op te roepen. De overige vier composities zijn van Ayler zelf
en worden door de groep als het ware opnieuw uitgevonden. Opvallend op deze
plaat is dat Marc Ribot bij dit project hulp krijgt van basspeler Henry Grimes,
die zelf jarenlang bij Ayler speelde en na diens dood ongeveer 30 jaar zijn
bas aan de wilgen hing. De miraculeuze heropstanding van deze topmuzikant alleen
al is de aanschaf van deze plaat waard. Ook Ribot’s eigen gitaarwerk is
ronduit verbluffend. Maar de sterkte van de sound die hier geproduceerd wordt,
is vooral het resultaat van een soort ‘ritueel groepswerk’. Wel
moet ik erop wijzen dat ‘Spiritual Unity’ niet meteen de meest toegankelijk
plaat van Marc Ribot is. Een beetje kennis en voorliefde voor free jazz helpt
echter veel. Wat voor de ongeschoolde luisteraar al gauw een onbeluisterbare
kakafonie is, is voor het geoefend oor ronduit geniaal. Jaren geleden kon ik
amper van dit soort muziek genieten. Nu heb ik de vreemde ervaring dat ik ‘Spiritual
Unity’ ronduit fantastisch vind.
Shake

V.A.
: THE FUTURE OF THE BLUES – A NORTHERNBLUES SAMPLER - VOL.3
Label Parsifal
Wie
zich graag herbront of een overzicht wil krijgen over Blues & Roots artiesten
die vandaag de bluesscène bevolken mag zich alvast Sampler Vol. 3 aanschaffen,
waarin de toekomst van de Blues doorschemert. De geïnitieerde bluesmannen
zijn tevens productief in het uitbrengen van albums op het Northernblues label.
De gitaarhelden Watermelon Slim en Mem Shannon zijn hierop wellicht de bekendste.
Van Watermelon uit Noord-Carolina krijg je twee onuitgegeven tracks. Ontdekkingen
zitten er ook tussen. Het beloftevolle tienertrio ‘Homemade Jamz Blues
Band’ komt met hun debuutalbum bijzonder soulvol uit de hoek en ‘Hattie
Mae’ uit de debuut-Cd van Zac Harmon brengt wat swing in deze exclusieve
aanlokkelijke sampler bluesboetiek. De countryblues met tribuut aan de Delta
komt van het duo Moreland & Arbuckle. De jeugdige Samuel James met zijn
slidegitaar en voetritmes maakt oude blues wat hipper. Originaliteit komt aan
bod met de fusieblues van Doug Cox, die zijn soulvolle blues combineert met
klassieke Indische muziek van Salil Bhatt. De bluesharp tenslotte viert hoogtij
met Carlos Del Junco en de Canadese Twisters. Mason Casey blinkt dan weer uit
met zijn passionele soulvolle zang. Al die variatie komt tegemoet aan het doel
dat het recordlabel Northern Blues zich stelt om stelselmatig de grenzen van
de blues af te tasten en alle uitgebrachte bluesartiesten af te wegen op hun
originaliteit en instrumentale klasse. Hun inspanningen, nu reeds zeven jaar
lang, loonden zich, want menig album werd genomineerd voor een Blues Music Award.
In 2001 beet JW-Jones de spits af en zijn bijdrage ‘Tickets On Yourself’
op deze compilatie rockt er feestelijk op los. Het uitvouwbaar coverboekje met
informatie maakt het allemaal nog aantrekkelijker en interessanter. De vijftien
tracks met zeventig minuten muziek, zorgvuldig uitgezocht door Fred Litwin,
zijn stuk voor stuk prettig om te beluisteren al zullen kenners wel al veel
in huis hebben. Bedoeling van een Sampler is natuurlijk dat je ook gaat exploreren
wat je nog niet kende. Ikzelf vervolledig volgaarne wat er mij nog ontbrak.
Het funky ‘Punkville’ van New Orleans bluesman Mem Shannon, dertien
minuten lang, zal me vermoedelijk tot een eerste aankoop verleiden in dit nieuwe
jaar. Voor Northernblues wordt dit het achtste jaar waarin zij albums plannen
van hedendaagse mannelijke bluesartiesten, met een voorkeur voor de ‘brightest
and the most original’.
Marcie


TIN
CAN BUDDHA
LIVE AT THE QUILT BOX
Website Myspace
CDBaby
Tin
Can Buddha is een trio van jazz en bluesmuzikanten die improvisatie in hun muziek
hoog in hun vaandel dragen. Hun repertoire bestaat dan ook hoofdzakelijk uit
blues traditionals, maar wat er tijdens hun optredens naar boven komt is meestal
veel minder traditioneel. Doorgaans komt er tijdens het spelen van hun songs
een flinke portie jazz binnengewaaid, maar ook gospel, New Orleans en funk zit
in hun improvisaties verweven. The Quilt Box is een heel intieme, kleine locatie
in Louisville, in feite een beetje vergelijkbaar met Toogenblik, een van onze
unieke Belgische intieme concertlocaties. De vaste kern van de band bestaat
uit drie kunstenaars/muzikanten: Mitch Ivanoff, gitaar en zang, de kunstschilder
en mondharmonicaspeler Rodney Hatfield en pianist Lee Carroll, maar meestal
staat het podium voller. Blues was lange tijd een bepalend element in de jazz.
Wel, Tin Can Buddha draait het om, zij brengen het beste van de jazz naar de
blues. Natuurlijk is dit een ideale live band, maar met deze live registratie
kunnen wij ook deel zijn van wat er tijdens zo 'n concert op zulk een unieke
locatie kan gebeuren. Er wordt van start gegaan met de instrumentale uitvoering
van de traditional John Henry, met Mitch Ivanov op resonator, een nummer dat
na een minuutje ongemerkt overgaat in Muddy Water’s “Can’t
Be Satisfied” en onmiddellijk valt de prachtige bluesstem van Mitch op,
die door zijn voorkomen voor het “Buddha” gedeelte van de naam verantwoordelijk
is (zie hoes). Dat hij daarbij steeds zittend optreed versterkt die illusie
nog meer. Meer jazzy, maar zeer mooi is de uitvoering van “Tennessee Waltz”,
de Pee Wee King compositie, vooral gedragen door pianist Lee Carroll. Rodney
Hatfield’s harmonicawerk is daarna aan de beurt in een uitvoering van
“Little Red Riding Hood” een andere traditional, gebracht in ware
Sonny Terry stijl met veel “hoots” en “hollers”, het
nummer gaat ook weer vlekkeloos over in Willie Dixon’s “Little Red
Rooster”. Even verder is er het huwelijk tussen Hank Williams en Howlin’
Wolf in de mooie medley “I’m So Lonesome I Could Cry/ How Many More
Years”. De stem van Mitch Ivanoff lijkt erg op die van “Champion
Jack Dupree”, en dat samen met de piano van Lee Carroll geeft een prachtig
authentiek klinkend geluid. In Ivory John Hunter’s “Since I Met
You Baby” is er weer volop ruimte voor improvisatie, en de liefde voor
het werk van Muddy Waters kunnen ze kwijt in “Mannish Boy” dat hier
ook een prachtuitvoering krijgt. Met net die perfecte verhouding in hun mix
van blues en jazz maken ze dit concert tot een waar feest. Een concert dat zonder
enige repetitie tot stand kwam, en met als extra gast de bassist Stewart Miller.
Er zou al gauw een opvolger gaan komen, opnieuw live opgenomen in “The
Quilt Box”, dat die naam kreeg omdat het zo een kleine ruimte is, behangen
met tapijten om de akoestiek te verbeteren. Tot slot nog even een woordje over
het mooie kunstige hoesje, en het bijbehorende inlay boekje, zonder tekst, maar
met afbeeldingen van een tiental kunstwerken van Rodney Hatfield. Een mooie
verpakking voor mooie muziek.
(RON)

GHOSTOWNE
DUST 'N BONES
Website Myspace
CDBaby
Label: Clumsy Buddha Records
In
de Verenigde Staten raakt men momenteel niet uitgepraat over Ghostowne uit Salt
Lake City, Utah. De band, bestaande uit Steven Wells (vocals, gitaar), Joey
Maggard (gitaren, backup vocals), Matt Conlin (bas, harmonica, backup vocals)
en Eric Fields (drums, percussie) bouwde de laatste jaren aan een stevige live-reputatie
en dit om hun vorige platen: "After The Rain" (2002), "This Is
The Place"... (2005) en "Dry County" (2007) te promoten. Ter
promotie van hun nieuwste plaat "Dust 'n Bones", in een productie
van Matt Winegar, zullen deze heren deze zomer ook wederom op tal van festivals
hun twang rock ten berde brengen. De energie van hun optredens vinden we ook
terug op deze vierde plaat "Dust 'n Bones". Een combinatie van Southern
rock en rock-‘n-roll, die we kunnen omschrijven als heavy Americana, maar
zeker niet echt een synoniem voor welopgevoede zoetgevooisdheid is. Eerder toonbeeld
van al jaren identieke rauwdouwerrock over de vrouwtjes en drank. En bij het
zien van het donkere in Wild Wild Westachtige sferen getekende hoesje, verwacht
je dan ook niets meer dan weer dezelfde soort rechttoe-rechtaan rock voor de
nationalistische boerenklassen van de VS. Niet dat dit vooroordeel helemaal
naast de waarheid is trouwens, maar Ghostowne tapt toch uit een interessant
vaatje. Want tussen de ronkende en rokende gitaarriffs die het ritme bepalen,
smeult het vuur van een ander warm sfeertje. Dat van de Southern rock. Log,
zwaar op de hand en swingjammend ramt Ghostowne door. Furieus uit de startblokken
knallend met een volvette dampende titeltrack en zonder enig gas terug te nemen,
schreeuwbeukt Ghostowne de speakers uit. Shooter Jennings, Cross Canadian Ragweed
en Springsteen worden in de mix gegooid, en door de grote leegten van het Zuiden
getrokken. "Dust 'n Bones" is een rockplaat die eerder Guns 'N Roses
tot grootse daden inspireerden, maar het is een kunstje dat ook Ghostowne tot
in de perfectie beheerst. Erg vernieuwend is het niet, al is het tekstmateriaal
een stuk gevarieerder dan je zou verwachten bij een Southern rockact en levert
het wel een groovend heavy album op. Voor een Southern rock groep kijkt Ghostowne
verder dan de barbecue lang en het bierglas diep is. Dat maakt de band en zeker
het album ook interessant voor iedereen die normaal angstvallig uit de buurt
van dit genre blijft. Misschien zouden de nummers waarin de bands rauwe kracht
in vrije jams wordt losgelaten nog wat langer mogen duren, maar dan komt de
ware stonerrock wel gevaarlijk dichtbij. Ergens op het grensvlak tussen de genres
blijft de spanning nu ook al zestien nummers lang levensgevaarlijk hoog. Nergens
gecompliceerd, maar ook geen muziek voor de compleet doorgezopen hersendoden
onder ons. Country rockmuziek die enerzijds tot je komt als "a trip down
memory lane", maar aan de andere kant ook uitstekend tot zijn recht komt
in het heden. Ghostowne weet namelijk met gitarist Joey Maggard en een smeuïge
shouter, frontman Steven Wells, die ook alle songs zelf schreef, het lekker
stoffige en warme geluid in 16 rocksongs te creëren dat we kennen van de
melodieuze rock van de jaren zeventig, denkende aan Tom Petty en John Mellencamp.
Daarom is Ghostowne in het bekende platgereden paden genre zeker een aanwinst
te noemen, een absolute aanrader voor de liefhebbers van moddervette rock-'n-roll.

BRYAN
LEE
KATRINA WAS HER NAME
Website Myspace
Label: Justin Time / Challenge
Booking : Bluebridge-Network
VIDEO 1
VIDEO 2
We
schreven nog maar pas dat Duke Robillard als producer erg actief is de laatste
tijd, hij produceerde onder meer de pas besproken cd van Dave Gross en nog ééntje
in diezelfde maand december waarvan de naam me nu ontschiet.... we ontvangen
ook zoveel materiaal. In ieder geval, hier is er weer ééntje die
op zijn diensten beroep deed. Een van de laatste original old school bluesgitaristen,
afkomstig uit New Orleans: Bryan Lee. De titel van zijn cd verwijst al dadelijk
naar zijn woonplaats: "Katrina Was Her Name". Alle aspecten van de
Louisiana muziekcultuur komen in zijn sound aan bod, natuurlijk blues, maar
evenzeer popelementen. Katrina is een hulde aan zijn stad die zo hard getroffen
werd door het natuurgeweld. Hij doet dat met sterke zelfgeschreven songs, zoals
het zeer emotioneel geladen titelnummer, maar ook met eigen uitvoeringen van
bekende covers zoals "Barefootin" en het overbekende "Nobody's
Business". Naast het produceren van de cd doet Duke Robillard ook enthousiast
mee bij de opnames, zodat er 3 prima gitaristen op deze cd te horen zijn, want
naast Bryan en Duke, doet ook Brent Johnson zijn duit in het zakje, hetgeen
resulteert in een cd die gitaarliefhebbers duimen en vingers kan laten aflikken.
Duke Robillard neemt hier wel de akoestische gitaar voor zijn rekening, zodat
er geen "overkill" is. Op orgel hebben we eveneens een "ace"
aan het werk, Bruce Katz. Drie gitaristen, dan ook drie bassisten moet Bryan
Lee gedacht hebben, want op staande bas is er John Packer, terwijl de twee elektrische
basspelers Jim Mitchell en Marty Ballou zijn. Om niemand te vergeten noemen
we dan ook maar de saxofonisten Gordon Beadle en Doug James en drummer John
Perkins. Een band om U tegen te zeggen, zoveel is duidelijk. Voor wie hem nog
niet moest kennen: hier is ie in een notedop: Bryan Lee is blank, blind geboren,
63 jaar oud, heeft een wit baardje en je ziet hem zelden zonder zijn onafscheidelijke
hoed. Het klinkt wat oneerbiedig, maar zijn bijnaam is Braille Blues Daddy.
Brian werd echter niet in New Orleans geboren, maar in Wisconsin en woont sinds
‘82 in the Big Easy. De voornaamste invloeden in zijn gitaarspel zijn
Elmore James, Albert King en Albert Collins. Jarenlang had hij een vaste job
in the French quarter waar hij vijf dagen per week optrad. Katrina maakte daar
abrupt een eind aan, maar hij is terug aan het optreden en met deze"Katrina
Was Her Name " is het payback time. Verschillende cd's van Bryan zijn live
cd's, en als het dan een studioplaat geworden is, zoals deze, merk je nauwelijks
het verschil. Bryan speelt met zoveel vuur en passie dat je je op een optreden
waant. Bryan start met "29 Ways" en ontketent al dadelijk zijn gitaar
in ware Albert Collins stijl, gevolgd door knappe bijdragen van Bruce Katz op
orgel (hij is ondermeer Ronnie Earl's organist) en Gordon Beadle op sax. Kim
Wilson's "Don't Bite The Hand" volgt en weer kunnen Lee & Katz
"shufflen" naar believen. De zelf geschreven song "Blues Singer"
gaat over het ontdekken van de muziek van Freddie King en geeft Bryan de kans
om even een imitatie boven te halen waar je van versteld staat. Het is niet
de eerste en het zal ook niet de laatste Katrina song zijn, de titelsong van
deze cd, maar het is wel één van de meest aangrijpende en doorleefde
songs over de ramp, net als alle songs op deze cd prachtig gezongen. In de jump
blues "Take It Like A Man" wordt de Chick Willis sound weer even afgestoft
en met verse gitaarinjecties terug nieuw leven ingeblazen, en "Lowdown
en Dirty" heeft zowaar Luther Allison als inspiratiebron. De afsluiter
"Don't Joke With The Stroke" onderlijnt nogmaals het live karakter
van Bryan's cd's. Dit nummer zal live ook wel op 't eind van het concert komen,
want ieder groepslid kan zijn ding doen in dit nummer. Ik hoor er wat Marvin
Gay "Inner City Blues" in doorklinken, maar dat zal wel beroepsmisvorming
zijn. Teveel gehoord, je hoort overal wat anders in... Wat ik echter ook gehoord
heb is dat deze Bryan Lee live en op plaat voor heel wat luisterplezier kan
zorgen, niet moeilijk, want de man heeft ervaring zat. Grijp uw kans dus, want
binnenkort te zien op onze podia.
(RON)
12.03. Hasselt (B),
Muziekodroom
|