ARCHIEF - OKTOBER 2008 - NOVEMBER 2008 - DECEMBER 2008

EACH MONTH MORE THAN 100 REVIEWS FOR YOUR ROOTS LOVIN' EARS!

SECOND WIND BANDITS - A GIFT OF LOVE

UGLY STICK - STILL GLISTENING

DAPHNE DENNISTON - FIVE DOLLARS OR THE TRUTH

WES CHARLTON - WORLD ON FIRE

SHAWN MULLINS - LIVE AT THE VARIETY PLAYHOUSE

MARDI BRASS BAND - BRASS EXTRAVAGANZA LIVE !

COREY CROWDER - GOLD AND THE SAND

THE JAMBLASTERS - LIVING THE BLUES

DROPKICK - PATCHWORK

THE SERVICE INDUSTRY - KEEP THE BABIES WARM

 


 

 

 

SECOND WIND BANDITS
A GIFT OF LOVE
Website Myspace Contact
CD-Baby
Label : Moon Dancer Records

 

Bill Mulroney woont in het Amerikaanse Ashton, Maryland en voert van daaruit als singer-songwriter de formatie ‘Second Wind Bandits” aan, een groep die in lokale clubs bij de populairste performers gerekend wordt. Mulroney zingt al sinds zo’n veertig jaar in koffieshops en op feestjes maar pas bij het begin van de nieuwe eeuw herontdekte hij zijn capaciteiten als liedjesschrijver en zanger. In 2004 verscheen een eerste plaat van deze groep getiteld “Second Wind”, pas drie jaar later opgevolgd door hun debuutalbum “Resilient Heart”. Hun tweede full-cd is dit album “A Gift Of Love” waarop tien zelfgeschreven nummers te horen zijn plus één zeer bluesgetinte cover van de bekende Leiber & Stoller all-time classic “Kansas City”. Qua songstijl sluit Bill Mulroney zich het best aan bij artiesten als Steely Dan en James Taylor via teksten vanuit het hart geschreven voor mensen met een hart. De hoogstaande songarrangementen zijn zeer professioneel, o.a. in het jazzy “Lovers Never Rest On Sunday” met knap pianospel en borstelende drumstokken. Ook een stevige rocksong gaan deze ‘Second Wind Bandits’ niet uit de weg: “Save Yourself” en het bluesy “A Tent In The Desert” zorgen voor schuifelende voetjes. Maar de meeste songs nodigen toch niet echt uit tot een wilde danspartij. Daarvoor zijn de ballads “A Gift Of Love”, “Baby Let’s Ride”, “Hey Babe”, “Velveteen Rabbit” en “The Second Half” teveel aan de trage kant. Enkel bij de banjosong “Don’t You Cry My Darlin’” mag je met je voeten nog eventjes zachtjes meewiebelen op het vlotjes voortkabbelende deuntje. “Soulful songs for the soul” noemt Bill Mulroney zijn muziek. Beter zouden wij het niet kunnen omschrijven, vandaar.
(valsam)


 

 

UGLY STICK
STILL GLISTENING
Website Contact
Label : Hovercraft
CD-Baby

 

Wat krijgen we nu: een cowpunkband uit Columbus, Ohio genaamd ‘Ugly Stick’. Vier grijzende die-hard rootsrockers die met “Still Glistening” een nieuwe cd hebben gelanceerd. Erg productief kan je de heren Al Huckabee (zang & gitaar), Jeff Clowdus (drums), David Holm (gitaar) en Ed Mann (bas) niet noemen want deze groep ontstond al in 1989 en hun vorig plaat - een debuutplaat getiteld “Absinthe” - dateert al van 14 jaar geleden. Zij waren destijds de pioniers van een genre en een sound die gedoopt werd als ‘bedrock of Cowtown’ of ook wel ‘the Columbus Sound’, hetgeen bestond uit een mix van college rock, punk, indiepop en hillbilly. In 1994 deden ze het licht over de band al uit en het reünie-concert dateert ook al van enkele jaren geleden. Bandleider en zanger Al Huckabee zorgde voor het cement dat de band terug samen bracht en samen houdt. Het leidde uiteindelijk tot de opnamen van nieuwe nummers voor het album “Still Glistening” waarop ze muziek brengen in de stijl die ons ook bekend is van bands als ‘Green On Red’, ‘The Rolling Stones’ of ‘the Pixies’. Met ettelijke tonnen enthousiasme en energie stoomt hun live set nog steeds als een Turkse sauna als ze op een podium het allerbeste van zichzelf geven. ‘Ugly Stick’ heeft nog een zeer lange carrière voor zich als je hun leeftijd vergelijkt met die van stijlgenoten ‘The Rolling Stones’ waarvan ze misschien te zijner tijd de fakkel kunnen overnemen. In de 14 tracks op dit nieuwe album brengen ze recht-toe-recht-aan rock’n’roll waarbij je niet te veel of te lang moet blijven stilstaan bij de teksten die in de nummers gedeclameerd worden. Het is enkel en alleen maar de bedoeling om te zweten, zich te amuseren en de luisteraars of concertgangers een fijne tijd te bezorgen. Pure gitaarrocksongs als “Little Lynn”, “Woodbine” en rockabilly als “Hang Dog Sickness” en “Rock & Roll Party Weekend” (Sex Pistols avant-la-lettre) worden afgewisseld met seventies-poprocksongs als “Gone My Love”, “She’s Sick”, “Soul Satisfaction” en “We Like Your Love”. In “Jerry Can’t Make Me” komen er ons zelfs plots lang vervlogen beelden van de funrock van ‘Gary Glitter’ en ‘The Glitter Band’ terug voor de geest. “Still Glistening” is een album dat we ten zeerste kunnen aanbevelen als je je verwende MTV-kinderen eens wilt laten horen hoe de pure rock’n’roll in onze jeugdjaren klonk. Gezweet dat we hebben, jong.
(valsam)


 

 

 

DAPHNE DENNISTON
FIVE DOLLARS OR THE TRUTH
Myspace CDBaby VIDEO

 

De hoes van dit debuutalbum, met een ietwat wazige foto van de zangeres, deed me een beetje denken aan een symbolistisch schilderij van Fernand Khnoppf en trok meteen mijn aandacht. Nieuwsgierig vroeg ik mij af wie deze dame met de looks van een 19deeeuwse femme fatalle wel zou kunnen zijn. Via haar myspace kwam ik al gauw te weten dat de singer-songwriter Daphne Denniston, die op dit ogenblik in Sam Diego resideert, een reizende ziel is die de afgelopen jaren doorheen Noord-Amerika (en andere regio’s) van staat tot stad dwaalde. Onderweg werden haar indrukken vastgelegd in zelfgeschreven songs, die nu gebundeld werden op haar eerst plaat, die de naam ‘Five Dollars Or The Truth’ meekreeg. De muziek van Denniston kan makkelijk onder de noemer akoestische alt-country/Americana ondergebracht worden. Alle songs werden live opgenomen in een homestudio, en daar werd achteraf weinig of geen extra productiewerk aan toegevoegd. Het klinkt dus allemaal een beetje alsof ze in je eigen huiskamer staat te spelen. Maar uiteindelijk zijn dit allemaal bijkomstigheden want een singer-songwriter dient vooral afgewogen te worden aan de songs die hij of zij schrijft en zingt. En hier zijn de (ruwe) diamanten dan ook te vinden op deze plaat. Opener ‘Something Dangerous’ is zo’n prachtsong die je na een paar beluisteringen niet meer uit je hoofd krijgt. ‘In The Winter Hungry’ doet sterk denken aan het betere werk van iemand als Nathalie Merchant. Het atypische ‘Psycho Magnet’ lijkt wel een ode aan alle geschiften die wij op onze levensweg ontmoeten, of soms zelf zijn. In het bezwerende ‘She’s All Ghosts’ hoor je echo’s van de jonge Dylan en ook de fatal attitude van iemand als Nico hangt als mystieke rook in de lucht. En het bloedmooie ‘Musicians And Lovers’(ook vaak nog zo’n fatale combinatie) had op één van de eerste platen van Leonard Cohen kunnen staan. Dit alles mag bewijzen dat deze Daphne Denniston alvast een naam is om niet meer te vergeten. Wie de moeite neemt deze plaat aandachtig te beluisteren doet een mooie ontdekking. Grijp uw kans.
Shake


 

WES CHARLTON
WORLD ON FIRE
Myspace Info : Hemifrån
Label : End Of The Road Records
Distr.: Rough Trade

 

Judy Collins is een zangeres die in haar carrière alle mogelijke behaalbare prijzen al in haar kast heeft kunnen bijzetten. Maar ze is ook de dynamische eigenares van een zeer actief platenlabel ‘Wildflower Records’ dat een forum wil bieden aan jong talent in de muziekwereld, vooral dan aan jonge singer-songwriters. De uit Virginia, Nashville afkomstige Wes Charlton is een artiest die aan al deze criteria voldoet. Vandaar dat hij zijn album “World On Fire”- de opvolger voor zijn debuutplaat “American Bittersweet” - bij dat label heeft mogen opnemen en zijn talenten als tekstschrijver en componist ten volle tot uiting kan laten komen. Ondanks zijn nog erg jonge leeftijd van 24 jaar is hij een songwriter die op overtuigende wijze teksten over de dingen des levens kan brengen. Vergelijkingen met duiveltje-doe-al en ‘homme fatale’ Ryan Adams zijn dan ook niet helemaal onterecht. Andere referenties in de pers naar Neil Young en naar Tom Waits kunnen wij echter niet helemaal onderschrijven. Qua muziekstijl kan je Wes Charlton best onderbrengen in de klasse Americana met een behoorlijk groot vleugje hedendaagse pop toegevoegd. De song “Daytime Blues” waarmee het album van start gaat is een emotioneel gezongen ballade waarin de wat hese zangstijl me doet denken aan Chris Eckman van ‘The Walkabouts’. Vervolgens wordt het kastje met typische rocksongs opengetrokken en mogen we meeswingen op “Still Here” waarin Wes Charlton aangeeft dat hij maar met moeite de controle over zijn leven weet te behouden, een thema dat ook later nog eens terugkomt in de door violen gedragen ballad “Red Eyes, Blue Lights”. Soms zit het leven natuurlijk ook behoorlijk tegen maar gelukkig maar leidt dat ook vaak tot heel mooie songs. Zo is het verdriet dat gereflecteerd wordt in het nummer “The Wait” geïnspireerd op moeilijke omstandigheden die in het dagelijkse leven gecreëerd werd. In de laatste song op deze plaat “Change Will Come” klaagt hij op eigen wijze aan dat zo weinigen er maar in slagen om zich vrij te maken uit het gedwongen, krampachtige leven van alledag. Gelukkig is er tussendoor ook nog ruimte voor onvervalste rock’n’roll zoals in “Jenny X-17” en “TV Girl”. De door banjoklanken gedragen songs “Black Alice” en “Before I Die” tonen aan dat Wes Charlton van diverse markten thuis is en zich in die verschillende genres heel beslagen voelt. Zeer intiem wordt het in de enkel op akoestische gitaar gebrachte song “Southern Comfort”. “World On Fire” is alvast een veelbelovend album van deze jonge muzikant. We zijn nu al benieuwd naar de opvolger.
(valsam)


 

 

SHAWN MULLINS
LIVE AT THE VARIETY PLAYHOUSE
Website Myspace
Label: Vanguard Records
Distr.: Proper Music
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3 VIDEO 4

 

Met "Live At The Variety Playhouse" leverde de inmiddels in Atlanta residerende Shawn Mullins recent zijn nieuwste cd af. Liefhebbers van singer-songwriters als de jonge Steve Earle of songs in de traditie van The Jayhawks of Neil Young & Crazy Horse opgelet. Shawn Mullins behoort tot de Americana singer/songwriters en manifesteert zich met deze liveplaat voor het Vanguard label als een groot talent. De blonde ex-landmacht luitenant brak in 1999 door met "Lullaby", dat een vreemde mix van praten door de klanken van een electropop-achtergrond heen was, afkomstig van het album "Soul's Core". Deze plaat liet niet alleen een singer-songwriter horen met een duidelijk eigen, behoorlijk oorspronkelijke stijl, maar ook één die tekstuele en muzikale diepgang niet in de weg laat staan van aansprekende liedjes. Met de opvolger "Beneath The Velvet Sun", klinken de songs nog net zo heerlijk loom, maar ditmaal meer country. In 2003 dook hij samen met collega’s Matthew Sweet en Pete Droge op in The Thorns, de supergroep zonder supersterren, die met redelijk succes het klassieke geluid van Crosby Stills Nash & Young poogden te doen herleven. Maar hij bleef soloalbums uitbrengen en zo verscheen in 2006, zijn zesde album, "9th Ward Pickin' Parlor" en vorig jaar het album "Honeydew", zowaar de beste albums uit zijn carrière. De praatfolk van zijn doorbraakalbum "Soul’s Core" was daarop uitgegroeid tot een veel voller geluid dat een beetje in het verlengde lag van zijn werk met The Thorns. Op zijn nieuwe album, "Live At The Variety Playhouse", zijn eerste live cd (tevens ook op dvd verschenen) staan veel aangename rootsrocksongs, waarvan "All In My Head", "Home", "The Ballad of Kathryn Johnston", "Fraction of a Man" en "Cabbagetown" uit zijn album "Honeydew" komen, dat een zevental maanden eerder verscheen. Zijn bekendste hit, "Lullaby", kon natuurlijk niet onbreken, maar ook zijn radio hit "Beautiful Wreck" uit "9th Ward Pickin' Parlor" is de opener op deze plaat die bijzonder aangenaam wegluisterd en waarmee Shawn Mullins eindelijk de welverdiende doorbraak kan bewerkstelligen. Mullins beschikt over een mooie rustgevende stem en heeft een stel prima muzikanten om zich heen verzameld die de juiste muzikale accenten weten te leggen. Zijn medium-tempo songs en ballads zijn ingetogen geïnstrumenteerd: gebaseerd op zijn akoestische- en arch-top gitaar, en mondharmonicaspel, ondersteund door effectief swingende drums worden de accenten meestal gelegd door lap steel, mandolin en piano. Zijn grote kracht ligt misschien wel in deze ballads, de soulvolle songs als "Anchored in You" en "Twin Rocks, Oregon". Een aantal keren haalt hij instrumentaal wat feller uit, dan onderstreept dat muzikale venijn zijn beschouwende teksten en geeft ze net het reliëf dat in sommige andere songs ontbreekt. Alleen spijtig dat zijn meer bluesy songs als "Homeless Joe" en "See That Train" ontbreken. Zijn verteltrant lijkt gemakkelijk, maar dat is juist de kunst. Zwakke songs zijn overigens sowieso niet te bekennen, waardoor we kunnen besluiten dat Mullins met het verstrijken van de jaren alleen maar beter lijkt te worden.


 

 

 

MARDI BRASS BAND
BRASS EXTRAVAGANZA LIVE !
Website Myspace VIDEO

 

Live opgenomen in de Parijze clubs ‘Petit journal Montparnasse’ en ‘Jazz-club Lionel Hampton’ verwelkomt een stem je om het Live feestje van de Mardi Brass Band te vervoegen. Onmogelijk eraan te weerstaan want vanaf het eerste ‘Mardi Gras in New Orleans’ sleurt het collectief enthousiasme en het aanstekelijk ritme je mee. Dirigent/saxofonist Didier Marty en zijn dertigkoppige band houden dat een uur vol. In real time zal dit wel uitgelopen zijn, maar de twaalf nummers op dit album bieden een heerlijke mix van dixie, swing, jazz, funk, slowblues, soul en parademuziek. Behalve de koperblazers met sax, trompet, trombone en sousafoon trekken een groot aantal percussionisten mee op en zelfs een banjospeler. Onmogelijk om alle muzikanten te vernoemen, maar dat zij de spirit hebben van hun overzeese Dixieland voorvaderen is overduidelijk. Nadat Didier in 2001 zich in het French Quarter in New Orleans had ondergedompeld in de lokale brassbandmuziek, kreeg hij zelf zin om een Mardi Brass Band in het leven te roepen. Hij vond een twintigtal blazers die eenzelfde New Orleans vuur in de lendenen voelden branden. Didier zelf was als kind al bezeten van muziek zowel van rock-’n-roll, jazz als blues. Door zijn vader geraakte hij bekend met de muziek van de dansorkesten en aan het conservatorium leerde hij eerst klarinet daarna sax spelen. Vanaf 1995 toerde hij vijf jaar lang met Screamin’ Jay Hawkins en o.a. ook nog met Nina Van Horn. Oude invloeden, waaronder hij Louis Armstrong, Sydney Bichet en The Neville Brothers rekent, maakten omstreeks de eeuwwisseling zijn avontuurzin wakker om een eigen Brassband te leiden. De Franse Mardi Brass Band was geboren en groeide uit tot een groot succes zowel in de straten als op menig festival. Op het podium en op dit album brengen zij muziek die kiest voor de uitbundige New Orleans mélange met meestal standaards. ‘Hey Pocky Way’ van The Meters en Ray Charles’ ‘Hallelujah I Love Her So’ zijn er enkele van. Twee nummers brengen eer aan James Brown, waarbij gastzangeres Martha High met overgave haar soul inbrengt. Zelf was zij jaren lang de backgroundzangeres bij James Brown vooraleer zij een solocarrière opstartte. En ‘Cold Sweat’ doet het nog altijd erg goed qua ambiance. Op de andere nummers zingt Didier zelf, tenzij Muriel Marty het van hem overneemt. In de slowblues ‘Drown In My Own Tears’ doet zij dit bijzonder gevoelvol. Het Live album eindigt in een vreugde-uitbarsting met ‘Little Liza Jane’. Mocht deze Band ooit Live als in een parade het Belgisch festivalcircuit opluisteren, ik zou zeker aansluiten, bij voorkeur achter baritonsaxofonist Benoît Ruault. ‘Puissent les bon temps continuer à rouler’. Dit Live album is een aanrader voor eenieder die wegens de crisis een ticketje New Orleans niet kan betalen.
Marcie


 

 

COREY CROWDER
GOLD AND THE SAND
Website MySpace
Info: Lotos Nile Media
Label: Tooth & Nail

 

 

Een goudkleurige zonsondergang prijkt op de frontcover van het nieuwe album “Gold And The Sand” van Corey Crowder. Voor deze rijzende ster is echter de zon opgegaan en staat hij op het punt van de grote doorbraak. Nadat deze vijfentwintigjarige jongeman uit Georgia twee soloalbums in eigen beheer op de markt gooide met vooral werk uit zijn jeugdjaren, steeg zijn populariteit zienderogen. Er zijn niet veel jonge artiesten wiens nummers meer dan vijf miljoen clicks tellen op MySpace en die op die leeftijd al als songwriter onder contract liggen bij EMI. Dit heeft hij in de eerste plaats aan zijn groot talent en inzet te danken, maar ook aan de verschijning van de nummers in prime-time tv-shows zoals “One Ocean View”. Op “Gold And The Sand” steekt Corey Crowder nog een tandje bij. Hij versmelt verschillende muziekstijlen zoals blues, country, folk, rock en jazz tot een heel eigen sound die perfect versmelt met zijn soulvolle, lichtjes hese stem, die een kruising lijkt tussen John Mayer en Pete Murray. Corey windt er geen doekjes om in zijn klare teksten, die telkens een gepast arrangement aangemeten krijgen. De plaat gaat beresterk van start met een flinke portie bluesy southern rock in “Southern Way”, dat enorm vol maar toch gecontroleerd klinkt met als grote uitblinkers de prachtige zang en mondharmonica van Corey, het unieke en rootsy gitaarspel van Katlin Owen en een Jared Morvant die met zijn bezeten keyboard en pianospel er de rokende saloonsfeer in tovert. Dit is de perfecte song om met de volumeknop op elf op de highway te cruisen. “Higher Ground” hoort ook in die rootscategorie thuis, startend met de bezwerend mysterieus klinkende stem van Corey, tokkelend op een veraf klinkende dobro. De song barst echter open in een meesterlijk instrumentaal arrangement van donker klinkende basdrums, slepende violen, cello en een priemende banjotokkel die doorkruist wordt door dartel mandolinespel. Countryliefhebbers zullen hun hart kunnen ophalen met de opgewekte Fogerty rocker “Devils”, drijvend op mooie harmonische zang en een kletterende Telecaster twang, alsook met het zeer dansbare “Lonesome Road”, met pedalsteel en viool à volonté en een schitterende Logan Belcher op double bass. Dit album bewijst dat Corey Crowder een artiest is die zeer breed kan gaan. Gewoon verbluffend is het zeer weids en jazzy klinkende “Look How Far We’ve Come”, versterkt met blazers en een Steely Dan gitaar die voor spanning zorgt. “Innocence” klinkt dan weer zeer funky en soulvol en kan zo de hitparade induiken. Ook in het singer-songwriterwereldje slaat Crowder een goed figuur. De trage bluesy ballade “Leaving You” maakt indruk met enkel de begeleiding van zijn akoestische gitaar en zijn fluweel gezongen woorden. In “Changes” moeten we bijna een traan in zijn plaats wegpinken in dit lied vol dankbaarheid aan zijn ouders. Deze bescheiden Corey Crowder heeft het hart op de goede plaats en presenteert ons een plaat die gewoon af is. Iemand die dit presteert op vijfentwintigjarige leeftijd gaat geschiedenis schrijven. Hou deze jongeman scherp in de gaten.
Blowfish


 

 

 

THE JAMBLASTERS
LIVING THE BLUES
Website Myspace CDBaby VIDEO

 

Ontario, Canada 1997. songwriter Lee Grove a.k.a Riley Waters ontmoet de zanger en slidegitarist Hilliard Walter. Met hun gemeenschappelijk liefde voor de blues vullen ze mekaar goed aan. Waters vindt in Walter's een stem voor zijn teksten en omgekeerd. Er groeit een hechte vriendschap en een bluesband ziet het levenslicht. Een veertigtal songs waren klaar, en een zestal songs waren opgenomen toen plots de bassist en keyboardspeler Al Affeldt door een dronken motorrijder omvergereden werd en stierf. De groep doofde uit en nu eind 2008 bestaan ze terug, de vaste kern met Walter en Waters en ze bedienen zich nu van muzikanten als Walmly Horn, een van de beste Canadese gitaristen van het moment, de multi-instrumentalist Peter Bolfuss en drummer Ralph Boegli. De zes songs op deze cd zijn echter nog de opnames van de band die in 1997 zo beloftevol leek. Maar ze zullen terugslaan, beloven ze en heel binnenkort hopen we meer nieuw werk van hun te horen. Die opnames van tien jaar geleden zijn zes pure bluessongs, beginnend met het akoestische "Hellhounds" Robert Johnson's Delta stijl op zijn best, gevolgd door "Dreamin' Reality Blues" een rustige shuffle. Niet elke song is even sterk maar "Past My Prime" dat qua opbouw wat herinnert aan The Lemon Song van Led Zeppelin en zeker de mooie afsluiter "Dollar Short/Day Late", een mooie akoestische song, prachtig gezongen door Hilliard Walter zijn zeker de moeite waard. We zullen echter pas weten wat deze band anno 2009 waard is als de nieuwe full cd er aankomt. We zijn benieuwd. (RON)

 


 

 

 

DROPKICK
PATCHWORK
Website Myspace
Contact CD-Baby
Label : Sound Asleep Records

 

De Schotse broertjes Andrew en Alastair Taylor hebben met hun al in 1995 opgerichte formatie ‘Dropkick’ een waardige opvolger uitgebracht voor hun vorige plaat “Dot The i” die we begin vorig jaar van een zeer positieve recensie mochten voorzien bij Rootstime. Samen met naam-maar-niet-familiegenoot Roy W. Taylor op gitaar en bassist Scott Tobin is deze vierkoppige band uit Edinburgh er opnieuw wonderwel in geslaagd om met hun achtste album “Patchwork” een prima staaltje country-powerpop af te leveren. Alweer 12 nummers met catchy melodieën en teksten die over lopen van humor en woordspelingen. Het geheel klinkt zeer als 21e eeuwse, moderne popmuziek met country invloeden, voornamelijk gecreëerd door het pedal steel-spel van Alastair Taylor en de banjoklanken van Andrew Taylor. De samenzang van deze broers is ook een steeds weerkerend kenmerk en werkt vergelijkingen met klassieke Californische groepjes in de hand. ‘The Jayhawks’ waren er de oorzaak van dat Dropkick zich van een oorspronkelijk als punkgroepje opererend bandje bekeerde tot de alt-countrymuziek. Na de eerste beluistering valt al op dat de melodieën in je geheugen blijven kleven als Pattex op metaal. Net als Tom Petty, The Proclaimers, Ben Folds, Wilco en Beach Boys beheerst ‘Dropkick’ de gave om hun songs meteen op je vaste schijf geprint te krijgen en er zich voor lange tijd te nestelen. “Nowhere Girl”, “Breakdown”, “Patchwork” en “What’s Going On” zijn de swingende songs die ons alvast bij het nekvel grepen. Maar ‘Dropkick’ profileert zich op deze cd ook als een alt-country band die schitterende countryballads kan schrijven en zingen. Zo zijn wij helemaal verloren voor nummers als “Where I’m From”, “The State That Remains” en “Travelling Song” waarmee dit album wordt afgesloten. Ook geven wij graag een speciale vermelding voor de swingende countryrocksong “Lucky That The Heart” waarop Andy Tucker - de ex-zanger van Dead Beat Club - zeer mooi komt meezingen. Met “Patchwork” levert ‘Dropkick’ een uiterst aangenaam en onderhoudend album af dat ons blij maakt en helpt om door de alledaagse sleur te komen. Meer hoeft dat voor ons dus niet te zijn.
(valsam)


 

 

 

THE SERVICE INDUSTRY
KEEP THE BABIES WARM
Website Myspace Contact
Label : Sauspop Records Contact

 

Ook voor deze recensie zijn we weer in het Amerikaanse Austin, Texas aanbeland, de stad die als ideale voedingsbodem kan gelden voor talentvolle groepen. ‘The Service Industry” is de groepsnaam van een zestal gedreven muzikanten die met het album “Keep The Babies Warm” een opvolger presenteren voor hun in 2008 verschenen plaat “Limited Coverage” en hun debuutplaat “Ranch Is The New French” uit 2007 waarin ze destijds voor het eerst van zich lieten horen. Het hoesje van hun plaat getuigt van een behoorlijk grote zin voor humor: de voorkant is een allusie op de hoes van Pink Floyd’s “Animals” maar nu met een grote walvis in de lucht en de achterkant alludeert op de hoes van Pink Floyd’s “Atom Heart Mother” met het hoofd van een koe op het lichaam van een baby getooid in een oversized pamper. Maar dat is natuurlijk alleen maar een eyecatcher voor deze nieuwe release van dit sextet. Muzikaal brengen ze een uiteenlopende mix van stijlen, gaande van rauwe punkrock over rock’n’roll tot vrolijke popsongs, zoals in de titeltrack en in “My Resignation”. Zelfs tegen alt-country wordt even aangeschuurd met de nummers “Filing Deadline” en “Churchy” die naar ons gevoelen de beste songs van dit schijfje zijn. Alleen in de korte ballad en ‘sorry’-song “Tools” lijken ze even serieus te willen worden. Hun ‘tongue-in-cheek’-teksten zorgen voor een grappige noot op dit album met songs die geschreven werden door zanger Mike McCoy, zangeres Julie Lowery en bassist Hunter Darby. Ook lachen om zichzelf moet kunnen, getuige daarvan het rocknummer “My Rise To Greatness” en ook cd-afsluiter “Seaworld” is een grappige kwinkslag met hele dosissen droge humor. In de song “All In One” wordt de hebberigheid en het materialisme van de hedendaagse mens gehekeld. Als je al een IPhone in je zak mocht hebben zal je na beluistering van dit nummer misschien moeten overwegen om hem stilletjes te laten verdwijnen. Het moge duidelijk wezen dat ‘The Service Industry’ zichzelf helemaal niet au-serieux neemt en daar ook niet verder om wil malen. Waarom zouden wij als luisteraar dat dan wel gaan doen? Dus lachen wij maar vrolijk mee met deze bende. Alleen is het niet altijd even duidelijk of zij misschien ook wel met ons aan het dollen en grollen zijn.
(valsam)