ARCHIEF - OKTOBER 2008 - NOVEMBER 2008 - DECEMBER 2008

EACH MONTH MORE THAN 100 REVIEWS FOR YOUR ROOTS LOVIN' EARS!

 

THE BRIDGE - BLIND MAN'S HILL

REBECCA HOSKING - LOVE AND OTHER DISASTERS

BARRY & HOLLY TASHIAN - LONG STORY SHORT

HYMN FOR HER - YEAR OF THE GOLDEN PIG

COUNT TO FIRE - SONGS THAT REMIND ME OF YOU

DESERT RADIO - ASLEEP AT THE WEEL

RUSS BROWN - THE FUGITIVE PEACE

THE JOE WALKER BAND - JOIN HANDS

STEVEN CASPER & COWBOY ANGST - TOPANGO RANCH MOTEL

RANDY KAPLAN - ANCIENT RUINS

 


 

 

THE BRIDGE
BLIND MAN'S HILL
Website Myspace
Label: Hyena Records
Distr.: Proper Music

 

The Bridge is een band uit Baltimore, geformeerd rondom Cris Jacobs en wil niet het zoveelste bandje zijn dat probeert mee te liften op het succes van hun geslaagde voorgangers. De belangrijkste drijfveer voor hun muzikale uitspattingen is dat het leven één groot feest is. Geen onbekend fenomeen, feesten is gewoon de enige manier om de sleur van alledag te doorbreken. The Bridge zal nooit en te nimmer depressief in een hoekje wegkwijnen, want de kleine man gaat gewoon vrolijk door. En dat allemaal voor een band met de gemiddelde leeftijd van dertig plus. Of er een lineair verband bestaat tussen leeftijd en kwaliteit is hier natuurlijk de brandende vraag. Aan de eerste track zal het niet liggen, want "Honey Bee" is meteen één van de hoogtepunten op deze schijf. Aan deze song is aandacht besteed en dat hoor je duidelijk terug. Zo is "Heavy Water" ook van een aardig kaliber, songs die het zeker gaan doen tijdens hun live optredens. Vrolijke funky groove songs wat de klok slaat. Ik ben altijd gek geweest op de afgemeten ritmiek van deze mannen. Het dansende, precies weten waar de accenten moeten liggen. Dát is muziek maken. Geen hersenloos voort knotsen. Dynamiek aanbrengen, spanning in elke noot leggen. The Bridge kan dat. In deze band zit zanger/gitarist Cris Jacobs die in elke song een solo van duizend volt zou kunnen spelen, alsmede een saxofonist, Patrick Rainey, die je om de tien seconden moeiteloos uit je zetel zou kunnen blazen, maar zo dom zijn ook de anderen, Kenny Liner (mandolin, percusie), bassist Dave Markowitz, drummer Mike Gambone en toetsenist Mark Brown niet. Bij The Bridge staat alles ten dienste van de song, en moet je een plaat vijf keer hebben gehoord voor je merkt: fuck, daar achterin, diep verscholen, zit nog iets heel moois. Zelfs het genre is ondergeschikt aan het verhaal. Twaalf soepele rootsy songs die country, blues, Southern rock en soul combineren met een scheutje Memphis sound en funky New Orleans sound. Twaalf composities zijn van een superkwaliteit en behoren zeker tot de beste composities van het superduo Cris Jacobs /Kenny Liner. In hun geschreven nummers, zes door Jacobs en vier door Liner, versmelten ze bovenvernoemde invloeden tot tegelijk rootsy en opvallend sterke, catchy melodieën. "Born Ramblin'" geschreven door Kenny Liner doet denken aan een meer Southern country-rock ballade, waar "Let Me Off This Train" geschreven door Cris Jacobs, een meer gedreven drum- en saxsterke track is die u meteen in beweging brengt. Daaroverheen klinkt steeds die kenmerkende stem van Jacobs uitbundig, maar haarzuiver, en soms zeer weemoedig. De nummers zijn zoals de voorganger, het titelloze album uit 2006, allen opgenomen door Chris Bentley en dit in een vlekkeloze productie van Bentley zelf samen met de band. De opnamen stralen een losheid en ongedwongenheid uit waardoor het spelplezier erg opvalt, en nergens wisten wij The Bridge op een inzinking te betrappen. Dat The Bridge nog steeds geen massa's cd's verkoopt, blijft voor ons één van de grote raadsels van de hedendaagse rootsmuziek.


 

 

 

REBECCA HOSKING
LOVE AND OTHER DISASTERS
Myspace
CDBaby

 

Zeven songs en een bonus track op één EP; meer heeft Rebecca Hosking niet nodig om ons er grondig van te overtuigen dat zij meer is dan de zoveelste veelbelovende singer-songwriter. Beter één steengoede EP maken dan een halfbakken full-cd, moet Hosking gedacht hebben en gelijk heeft ze want dit plaatje verveelt werkelijk geen seconde. De zangeres woont en werkt in Nashville, Tennessee en lijkt in deze stad vooral de goede dingen opgepikt te hebben (wat op zich al een verdienste is). Haar muziek valt misschien het best te omschrijven als country/Americana met een lekkere upbeat, die je als het ware meezuigt door de onweerstaanbare meezingrefreinen die erop staan . Qua thematiek dekt de titel van deze EP min of meer de lading, al worden de soms pijnlijke (liefdes)ervaringen toch wat verzacht door de zomerzoete melodieën en dit zonder dat het ook maar één moment melig wordt. Het blijft genieten, 24 minuten lang. Zo komt de would-be radiohit ‘Roll Over’ heerlijk binnenwaaien als een briesje op een veel te warme zomerdag. Gitaar, banjo en de heerlijke vocalen van Rebecca, met backings van één van haar muzikanten zijn voldoende om van de countrygetinte titelsong en van ‘Last Chance Café’ bescheiden, maar o zo mooie luisterpareltjes te maken. En dan hebben we nog niets gezegd over de meeslepende pracht van ‘Robert Would Say’ (over de Amerikaanse dichter Robert Frost) waar we maar geen genoeg van krijgen of van het knappe akoestische gitaar- en dobroduel ‘Love Is Blind’. Op de zeer mooie bonustrack ‘ Lost Is Found’ haalt Rebecca Hosking zowat het niveau van één van haar grote voorbeelden: Emmylou Harris. Samengevat : ‘Love And Other Disasters’ is een eerlijke, hartverwarmende plaat van een artieste waar we in de nabije toekomst nog veel van hopen te horen.
Shake


 

 

 

BARRY & HOLLY TASHIAN
LONG STORY SHORT
Website Contact CD-Baby
Label : Rock-A-Lot Records

 

Barry en Holly Tashian zijn gevestigde waarden in de countrymuziekscène van Nashville, Tennessee. Barry begon op 19-jarige leeftijd met een eigen groepje ‘Barry & The Remains’ waarmee ze indertijd 19 keer het voorprogramma van de Beatles verzorgden tijdens hun Amerikaanse tournee. Nadien werkte hij in de jaren zeventig samen met Gram Parsons en was hij gedurende lange tijd lid van Emmylou Harris’ Hot Band. Het echtpaar Barry & Holly Tashian zelf is sinds 1972 gekend voor hun optredens en hun vele cd’s die ze reeds uitbrachten. Ze bleven ook steeds liedjes schrijven voor andere artiesten zoals Kenny Rogers en Solomon Burke en ze namen platen op met grote namen als Tom Paxton, Nanci Griffith en Iris DeMent. In al die jaren doorzwommen ze samen vele watertjes en deelden ze lief en leed, zowel privé als op het podium. Voor hun cd’s mixen ze steeds Americana, bluegrass, folk, sing, rock en gospel met de traditionele countrymuziek. “Long Story Short” is hun zevende cd met elf nummers waarvan ze er acht zelf hebben geschreven. De drie covers zijn liedjes die ze al jarenlang zingen bij hun live shows. “Worry Doesn’t Worry Me” en “Darkness On The Delta” zijn zo’n eigenhandig geschreven jazzy swingsongs die Holly Tashian met een traditionele sixtiesstem inzingt. Het duo is gehecht aan de sound van enkele decennia geleden, zoveel is duidelijk als je luistert naar deze plaat. Elke song heeft een specifiek ritme en duurt om en bij de 3 minuten. “The Grey Funnel Line” is een bluegrass/honky-tonk traditional die ze herbewerkten en samen zingen. Af en toe wordt er ook een grappige kwinkslag in de songs ingebouwd, zoals in “Honey, Where’s The Money Gone” met deze tekst: “There’s one thing that I wanna know: I don’t care where the loving went, but honey where did the money go”. Ook voor een folksong wordt even tijd genomen in “The Promise” en zelfs gospelzang komt aan bod in “Sail Away”. De Tashians hebben dan ook wat met kerkelijke activiteiten naast hun artiestenbestaan. De bekendste coversong op dit album is het door Doc Pomus geschreven nummer “Boogie Woogie Country Girl” waarmee deze cd swingend en bluesy wordt afgesloten. “Long Story Short” is een album dat ergens uit de gouden muziekjaren zestig lijkt te komen omwille van de ouderwetse sound en de simpele opnametechnieken die gehanteerd werden. Violist Matt Combs en de legendarische drummer Kenny Malone zijn maar enkele topmuzikanten die aan het album hebben meegewerkt. Er zijn ook in 2009 nog steeds mensen die graag nostalgisch terugblikken naar die ‘goeden ouden tijd’. Met dit album krijgen ze daarvoor het ideale muzikale instrument ter beschikking. En Barry & Holly Tashian: zij doen rustig verder want cd nr. 8 komt er aan. (valsam)


 

 

 

HYMN FOR HER
YEAR OF THE GOLDEN PIG
Website Myspace Contact CD-Baby

 

Maggi Jane en Pierce Ternay zijn een echtpaar dat zeer actief is in de folkscène van Philadelphia. Naast hun optreden in het trio Maggi, Pierce & E.J. besloten ze in 2007 om ook als duo op het podium te klimmen onder de groepsnaam ‘Hymn For Her’. Bassist E.J. Simpson doet niet mee in deze groep. Pierce Ternay was daarvoor al een hele tijd actief geweest in een rapgroep die ‘The Goats’ heette maar waar ze nooit echt mee door konden breken. Als ‘Hymn For Her’ houden ze de muziek vrij minimalistisch en vaak zelfs louter akoestisch waardoor de songs naakter ten tonele gebracht worden. Toen ze in 2007 - het Chinese jaar van het gouden varken - een eerste kindje (dochter Divers) kregen besloten ze om hun debuutalbum als ‘Hymn For Her’ de titel “Year Of The Golden Pig” mee te geven om het nieuwe leven te herdenken. Met louter akoestische instrumenten en hun twee stemmen hebben ze hun intieme plaat gemaakt met twaalf tracks die zo nauw mogelijk aanleunen bij wat ze ook tijdens live optredens kunnen brengen. Qua teksten vinden we vooral conversaties terug tussen de twee partners of een verhaaltje voor hun nieuwgeborene. Ook thema’s als zelfmoord, sex, geweld en moord komen in min of meerdere mate aan bod, maar een subtiele en droge humoristische kwinkslag loert steeds om de hoek. Vocaal wisselen ze elkaar af bij de verschillende nummers en soms doen ze het gewoon samen, zoals in “Pink Lady” waarin zelfs een grappig Louis Armstrong-stemmetje te horen valt. De muzikale chemie tussen dit echtpaar is echt leuk om horen. De stemmen passen wonderwel samen en door de minimale muzikale begeleiding lijkt het soms of ze tegen jou persoonlijk aan het praten zijn. Het dreigt soms zelfs een beetje voyeuristisch te worden om in de intimiteit van dit koppel binnen te dringen. Meestal wordt er heel liefelijk gezongen zoals in “Yer Flower”, “The Pill”, “Killin’ The Pain”, “Jesus” en “Another Song”, soms intimistisch en instrumentaal zoals in “Pup Shalom” maar af en toe ook wat meer gedreven zoals in het Latino-aandoende “Tatiana”, het epos “Drive” en de cd-afsluiter “Highway Maggi”. De samenzang is perfect, zoals ook de stemmen van Maggi en Pierce. Ze mogen bij mij in de huiskamer een privé-optreden komen doen want “Year Of The Golden Pig” is een heel warme, onderhoudende plaat.
(valsam)


 

 

 

COUNT TO FIRE
SONGS THAT REMIND ME OF YOU
Myspace Contact CD-Baby

 

Exeter is een godvergeten plaatsje in het Britse graafschap Devon waar enkele jonge muzikale wolven elkaar begin 2006 vonden en besloten om een nieuwe muziekgroep op te richten onder de naam ‘Count To Fire’. Met zijn vieren begonnen ze druk te repeteren en eigen songs te schrijven waarvan er nu uiteindelijk negen stuks onderdeel uitmaken van hun debuutplaat “Songs That Remind Me Of You”. Hun voorliefde voor de songs en de sound van bands als ‘Wilco’ en ‘My Morning Jacket’ vormden de basis voor hun eigen geselecteerde muzikale richting. Hun eerste officiële cd-release was een titelloze ep die hen positieve recensies opleverde in de lokale pers en hen voorprogramma’s bezorgde voor groepen als Great Lake Swimmers, Richmond Fontaine en I Am Kloot. In een ouderwets klinkende studio werd nu dus hun eerste full-cd opgenomen waarop de invloeden van grote singer-songwriters als Nick Cave, Neil Young en Bob Dylan duidelijk hoorbaar aanwezig zijn. De liedjes en de warme, imponerende, controversiële zangstijl en stem van frontman Will Odgers in de klankkleur en stijl van de succesrijke ‘Bon Iver’ beklijven in zowat elke song op dit album. ‘Count To Fire’ kiest er duidelijk voor om de vocale prestaties op de voorgrond te laten komen en een eerder minimalistische muzikale ondersteuning aan te reiken via piano, gitaar, bas en drums en hier en daar een streepje subtiel vioolspel door Joe Mansfield. Het songschrijverstalent wordt overvloedig aangetoond in nummers als “Endless Sea”, de Ryan Adams-achtige pianoballad “Caroline” en het zachte maar ritmische “Dark Days”. Ondanks het feit dat hun muzikale voorbeelden allemaal uit Amerika komen behouden ‘Count To Fire’ toch hun Europese sound en proberen ze nergens Amerikaans te gaan klinken, hetgeen volgens ons toch als een extra verdienste kan genoemd worden. Lekker meewiebelen met de voetjes kan gedaan worden op “Sing Me A Song” waarbij de drumbeats van Jacob Chivers voor de meest opvallende instrumentatie zorgt. In de met vioolklanken gefundeerde knappe ballad “Be The First” horen wij alweer een onversneden stukje Ryan Adams, inclusief diens typische verbitterde snik in de stem. Datzelfde herkennen we opnieuw in de song “Waiting On A Ghost” die we toch iets minder sterk voor de dag vinden komen. Maar afgesloten wordt er op majestueuze wijze met het nummer “Trapped Inside A Box” dat episch wordt opgebouwd rond Coldplay-achtig pianospel en dat nog maar eens de uitstekende vocale capaciteiten van Will Odgers tentoon spreidt. ‘Count To Fire’ is voor de redactie een uiterst aangename verrassing. Hun cd “Songs That Remind Me Of You” is nog maar het begin van een grootse toekomst in de muziekbusiness waar zeker een plaatsje voor dit kwartet te vinden is.
(valsam)


 

 

 

DESERT RADIO
ASLEEP AT THE WEEL
MySpace
CD Baby VIDEO
Info : Shut Eye Records.com Contact


Schrijf met een paar goede vrienden tussen pot en pint een paar songs, stuur een demo naar Garageband.com, stel tot eigen verbazing vast dat je lied “February Day” als beste Americana Song wordt verkozen en zo de deur opengaat richting Budweiser, die de song “Redwood Three” op hun muziekportaal plaatsen. Dit droomscenario overkwam de Canadezen van Desert Radio en gaf hen dadelijk naambekendheid en airplay. Het aanstekelijke, rockende americanageluid kwam ook Nascar ter ore en zij besloten op hun beurt om “February Day” te gebruiken in een tribuutvideo aan een groot racer, Dale Earnhardt, die voor duizenden kijkers uitgezonden werd, de avond van de illustere Daytona 500. Het vierkoppig gezelschap uit Vancouver is ondertussen niet bij de pakken blijven zitten en presenteert ons vandaag hun debuutalbum “Asleep At The Weel”, een twaalfnummerige mix van stevige southern en klassieke rock, getooid in een americanajasje. De plaat gaat met dreunende gitaren op de voorgrond stoer rockend van start met het succesnummer “February Day”, prachtig gearrangeerd met heldere backingvocals en origineel handgeklap in de achtergrond, die de zeer typerende stem van zanger Scott Larson perfect aanvullen. De opvolger “Be There” heeft ook al zo’n aanstekelijke gitaarrif die wat aan andere grote Canadese rockers zoals The Tragically Hip doet denken. De wederom wondermooie samenzang en het unieke samenspel tussen de gitaren van leadgitarist Kevin Coles en aanvoerder Scott Larson verheffen deze song tot één van de toppers van het album. De titelsong “Asleep At The Weel” brengt even een dromerig rustpunt , weliswaar met zeer zwaar en donker klinkende gitaren, maar met “Bad Habits” wordt het gaspedaal van de op hun cd-cover prijkende Hot Rod opnieuw ingedrukt. “Down” lijkt zo uit een album van REM geplukt ,met Larson wiens in echo badend stemgeluid dicht in de buurt van Michael Stipe komt. De Budweiser song “Redwood Three” is een recht toe, recht aan Status Quo rocker, maar zeer verrassend klinkt “Something Happened To Me”, een nummer in Tom Petty stijl, dat zijn power haalt uit de energieke samenzang die doorkruist wordt door felle gitaarsolo’s. De twee grootste opponenten komen we op het einde van het album tegen met een stevige countrypuncker à la Supersuckers, een Sexpistols gitaargeluid en een even agressief zingende Coles in een niets verhullende tekst die we zachtjes uitgedrukt zeer pittig kunnen noemen. Het melancholische klinkende “Juarez” daarentegen sluit de plaat af met een filmisch lied over een ontwakende dronkenman die overmand door (liefdes)verdriet richting bordelen stapt. Het door een Scott Larson wanhopig gescandeerd refrein “You Don’t Know Me”, spreidt, onderbouwd met een zwaar met tremolo bestookte gitaar, hartverscheurend de hopeloosheid van deze man tentoon. Desert Radio heeft met dit debuutalbum moeiteloos de hoge verwachtingen ingelost. In Amerika en Canada doet hun naam al een belletje rinkelen. Europese liefhebbers van een goede dosis gitaarpower kunnen niet achterblijven en moeten zeker proeven van dit lekker schijfje.
Blowfish


 

 

 

RUSS BROWN
THE FUGITIVE PEACE
Myspace Contact CDBaby

 

 

Met enige regelmaat blijven we hier op onze redactie op een aantal ruwe diamanten stoten, op cd's of artiesten die te goed zijn om zomaar in totale obscuriteit te verzanden. Cd's die je gewoon overvallen en meteen van je sokken blazen. Zoals Russ Brown, wat wisten we over deze artiest bij de beluistering van zijn debuutplaat? Niets of niets, maar via zijn Myspace kwamen we te weten dat hij in Minneapolis woont en hij lijkt zich er prima thuis te voelen, al neemt hij ons in de openingstrack meteen mee op reis. "Las Vegas Blvd." is meteen een stevige opener om dan in track twee, het bluesy "Dirtroads" veel gas terug te nemen. Maar tevens ook een prima nummer. Van Memphis naar Las Vegas en Montana naar Minnesota, hij zwerft in de 'dirtroads' en steegjes, op zoek naar de voortvluchtigen die onterecht veroordeeld zijn en nu drijven aan de rand van de Amerikaanse psyche. Wie dan naar zijn voortreffelijke plaat "The Fugitive Peace" verder luistert, hoort dan ook niet alleen de troosteloze leegte van het Amerikaanse landschap in zijn liedjes, maar ook het plezier dat Brown's muziek uitstraalt. Zijn expressieve stemgeluid, de pakkende melodieën en diepmelancholische onderlaag zorgen er onmiskenbaar voor dat "The Fugitive Peace" al snel boven de middelmoot uitstijgt en dat de persoonlijke liedjes nergens oubollig of anderszins saai aandoen. Sterker nog: de ongepolijste liedjes hebben een ongekende aantrekkingskracht en ronduit verslavende werking. Soms passeert er een snerpende mondharmonica, zoals in "Fall Into Memphis", naast de sfeervol rinkelende gitaren die het speelse en ongedwongen karakter van dit album benadrukt. Brown, die soms doet denken aan de jonge Ryan Adams in zijn meer bezadigde momenten en dan weer aan Jackson Browne, of zelfs aan Steve Earle (zoals in "Joe Lewis") heeft echter niet heel veel materiaal nodig. Maar dat kan je wellicht verwachten van een avontuurlijk iemand als deze Russ Brown die hier steun krijgt van muzikanten die er niet op uit zijn zichzelf in de schijnwerper te zetten, maar als ze een gaatje zien, duiken ze daar onmiddellijk in. Brown is geen man van grote woorden. Tekstueel ligt zijn kracht in verrassende metaforen en eigenzinnige observaties. Waardoor liedjes over uitgekauwde thema's toch een grimlach op je gezicht toveren. Zwakke nummers kent "The Fugitive Peace" niet. Een paar stijgen er boven al het moois uit als het rockende "Till My Lawyer Says Otherwise", waarvan de titel meteen genoeg zegt of het reeds vernoemde "Fall Into Memphis" dat hij fenomenaal zingt. De cd sluit in stijl af met de titeltrack. Elf nummers lang kippenvel! Gewoon tijdloos spul!


 

 

 

 

THE JOE WALKER BAND
JOIN HANDS
Website Myspace Contact

 

De bekende Nashville producer Bil VornDick hielp deze band op weg bij hun start omstreeks 2007. Wie hem kent weet dat dit voor Joe en de groep heel wat betekende, want met veertig jaar ervaring in de business en een halve kast vol Grammy Awards voor de projecten waaraan hij meewerkte, haal je heel wat expertise binnen. Bob Dylan, Allison Krauss, Bela Fleck, Jerry Douglas en Jim Lauderdale zijn slechts enkelen die met hem werkten. Na maanden schrijven en opnemen raakte de cd in december 2007 af, en verscheen een aantal maanden terug in Amerika. Songwriter/gitarist Joe Walker is natuurlijk de leider van deze band, hij komt uit Kentucky, ging in Tennessee naar de Universiteit en woont sinds een vijftal jaren in Nashville. Hij ontwikkelde een aparte stijl die bestaat uit blues, gecombineerd met jazz en rock elementen, en die vooral veel “bottle neck” slide bevat, geïnspireerd door zijn grote voorbeeld, Duane Allman. Hij is bovendien een gitaarstudent van de Jack Pearson, de slidespeler die bij de Allman Brothers speelde en veel meer dan Dicky Betts het originele geluid van Duane wist te brengen. Hij jamde tevens met Billy Cox van Band Of Gypsies (Hendrix) en met James "Nick" Nixon, een bekende "Chess" artiest. “Join Hands” is een debuut dat er zijn mag en daar zit de productie van VornDick natuurlijk voor een groot deel tussen, dit klinkt professioneel en af. Tien sterke songs sieren deze cd. Moeilijk te zeggen wat nu het genre is waarin Joe Walker zich beweegt. Geen pure bluesritmes, hoewel de plaat duidelijk een sterke bluesy ondertoon heeft, maar evenveel jazz invloeden zijn hoorbaar in de composities, en een portie rockelementen. Vooral ”Baby, Lay Your Money Down” rockt behoorlijk. Evenmin is duidelijk of ik Joe nu eerder als gitarist of als vocalist moet zien, hij is natuurlijk beide, maar waar profileert hij zich het meest. Ik kan het je niet zeggen, hij is een prima gitarist en wat mij natuurlijk als grote fan van slide gitaren en Allman Brothers freak het meest bevalt zijn inderdaad hier en daar die heerlijke verwijzingen naar de hoogdagen van “Skydog”. Luister maar naar de afsluiter "What You Had In Mind" of "Everything To Lose" beiden met een hoog Allman Brothers gehalte. Als zanger is hij echter al even sterk, ik houd echt van zijn stem en frasering, ik hoor er soms wat van Jesse Colin Young in, op andere ruigere momenten, Nils Lofgren’s stem, zoals in “Another Lost Hello”. ”Join Hands” is een debuut zoals er weinig op een jaar verschijnen en zeker voor degenen die houden van het subtielere slide werk, een aanrader.
(RON)


 

 

 

STEVEN CASPER & COWBOY ANGST
TOPANGO RANCH MOTEL
Website Myspace
Contact CD-Baby
Label : Silent City Records

 

Steven Casper is een wereldburger. Hij werd geboren in New York maar groeide op in Japan, Italië, Nigeria en Mexico om uiteindelijk in Santa Monica aan de Californische kust te belanden. Het was de uitgebreide en zeer gediversifieerde platencollectie van zijn ouders die hem in contact bracht met allerlei soorten muziek. Zo kreeg hij Hank Williams, Leadbelly, Mahalia Jackson te horen naast Woody Guthrie en het andere uiterste: The Ramones. Vooral de rauwe sound van deze laatsten beviel hem mateloos en hij besloot op 17-jarige leeftijd om met een eigen rockband te starten. In 2006 bracht hij een album uit getiteld “Cowboy Angst” waar hij nadien zijn begeleidingsband naar noemde. Op die cd stonden voornamelijk Americana-, country- en folksongs. Gevraagd naar hoe hij zijn eigen sound zou omschrijven antwoordt hij: zoals de slechte adem van de dronkaard die het laatste meisje in de bar probeert te versieren. Wij hebben toch een iets genuanceerder oordeel over de vier songs die hij op zijn nieuwste ep “Topango Ranch Motel” ten gehore speelt. “Through With Me” is een stevige gitaarrocker waarna hij meteen al een versnelling lager schakelt bij het nummer “Takes Me Back” waarin Steven Casper meer balladachtige countryrock brengt. Het liedje “I Want To Know” is dan weer gebaseerd op een stevige gitaarriff en gaat over de jaloerse bedenkingen van een afgewezen minnaar. Dit nummer klinkt ons inziens behoorlijk à la Rolling Stones en ook het gitaarspel zou van Keith Richard afkomstig kunnen geweest zijn. Daarmee zijn we al aan het einde van deze ep beland met de bluesgetinte song “Down Home Girl” die op een vette gitaarriff en drumbeat gebouwd werd. We veronderstellen dat “Topango Ranch Motel” nog maar de voorbode is van een nieuwe full-cd die Steven Casper natuurlijk ook richting Rootstime mag sturen voor een objectieve bespreking. Het was vrij kort, maar wij hebben ons toch fijntjes geamuseerd met dit schijfje.
(valsam)


 

 

 

RANDY KAPLAN
ANCIENT RUINS
Website Myspace CDBaby

 

Iemand die al een zevental albums heeft uitgebracht, zonder dat je zijn kinderalbums en andere muzikale activiteiten meetelt, moet wel uit een culturele familie komen. Naar verluid zou zijn grootvader omstreeks de jaren 1920 al Broadway composities geschreven hebben en ligt daar mogelijk de bron voor Randy’s brede interesse in uiteenlopende muziekgenres: theater-, folk- en roots muziek, rap, pop en countryrock, maar ook bluegrass, Robert Johnson en de Deltablues. De omzwerving van Randy leidden hem door gans Amerika van New York naar Los Angeles, New Orleans, Kansas en weer terug naar New York en Long Island. Zijn reis naar Los Angeles ondernam hij in de hoop daar als acteur naam te maken. In New Orleans ontmoette hij Mike West, die enkele van zijn albums producete, zoals wederom deze ‘Ancient Ruins’. Deze producer, tevens multi-instrumentalist die Randy’s songs met gitaren, mandoline en banjo met wat meer bluegrass overgiet, kent Randy Kaplan dus al heel lang. Dit resulteert gewoonlijk in een zorgvuldig afgewerkt product waarin de songschrijver zich volledig in kan uitleven. Behalve een poëtisch songschrijver toont Randy zich ook langs zijn veelzijdige instrumentale kant. Drie songs leent hij van anderen, zoals ‘On A Plain’ van Nirvana. In de andere hoor je invloeden van Doc Watson, The Beatles, John Prine, Dave Van Ronk en Cole Porter. Het delicate ‘Alice Bonvicini’ herinnert zelfs vaag aan Donovan. Toch valt de originaliteit op van deze rusteloze reiziger die nu al twintig jaar alle binnen- en buitenbaantjes in de muziek exploreert, sinds hij in 1987 met zijn band ‘I’ een muzikantencarrière opstartte. De bandleden op dit album zijn allen zorgvuldig gekozen. Vooral Katie Fuliss met backing zang en contrabas en keyboardspeler Bradford Hoopes voegen extra’s toe, zoals aan het mysterieuze ‘Why The Angels Eat’ met nog een zekere Rev. Morris op trompet. ‘Rusty & New’ rockt daarentegen levenslustig en ‘Action Figure’ is sprankelende bluegrass. Andere songs zijn trager en gaan over niet gerealiseerde dromen, complexe liefjes of beloftes die nooit worden ingelost. Op het lyrische ‘What Could Have Been’ versterkt troubadour Randy zijn liefdespijn met harmonica. Zijn stem heeft wat weg van Norman Blake en zou niet misstaan tussen de Soggy Bottom Boys. Zijn gitaarspel wisselt fingerpicking af met de melancholie van Antonio Carlos Jobim. In ogenschijnlijke simpele songs met inventieve metaforen verweeft Kaplan ‘old time’ sfeer met schaduwhumor en een tikkeltje existentialisme. Ik ben ingepalmd door deze ‘Ancient Ruins’ die zich ook vandaag nog tijdloos weten te handhaven.
Marcie