ARCHIEF - OKTOBER 2008 - NOVEMBER 2008 - DECEMBER 2008 - JANUARI 2009 - FEBRUARI 2009
EACH
MONTH MORE THAN 100 REVIEWS FOR YOUR ROOTS LOVIN' EARS!
|
JESSICA LEA MAYFIELD - WITH BLASPHEMY, SO HEARTFELT
SCHEOL DILU MILLER & THE CISCO BLUES BAND - AIN’T I ALL THAT WOMAN SINGS THE BLUES
TAWNY ELLIS - EVOLVE OR DIE
BELL X1 - BLUE LIGHTS ON THE RUNWAY
JOHN CEPHAS (4 juli 1930 - 4 maart 2009) - SHOULDER TO SHOULDER
MILES DAVIS - MILES IN MONTREUX
REVEREND RAVEN Featuring MADISON SLIM - LIVE AT BLUES ON GRAND
BARZIN - NOTES TO AN ABSENT LOVER
MILAGRO SAINTS - WARM SOUL SUNSHINE

JESSICA
LEA MAYFIELD
WITH BLASPHEMY, SO HEARTFELT
Myspace
Label & Distr.: Munich Records
VIDEO 1 VIDEO
2 VIDEO 3
Jessica
Lea Mayfield is een nog onbekende 19-jarige singer-songwriter die met "With
Blasphemy So Heartfelt" haar debuut aflevert. Ze mag inmiddels Tony Joe
White tot haar fans rekenen en dat is niet zo gek want Jessica toont zich, net
als Tony Joe, als een uitstekend verhalenverteller. Reden genoeg om in het voorprogramma
te staan van Tony Joe White bij diens concerten in Parijs en Amsterdam, en zodoende
vond Mayfield ook onderdak bij Munich Records. Maar meestal is Jessica de opener
voor The Black Keys. Zo was zij ook te horen op de laatste release van deze
band, "Attack & Release". Want speciale aandacht verdiende zij
met de albumafsluiter "Things Ain’t Like They Used To Be", een
nummer dat Dan Auerbach zingt met deze bluegrass/country-zangeres. Voor Auerbach
reden genoeg om de productie in zijn handen te nemen, hetgeen een prima debuut
oplevert dat zijn weg naar de liefhebbers wel zal weten te vinden. Jessica Lea
Mayfield brengt ons de knock-out toe met niets meer dan een akoestische gitaar
en een stem. En ook al ontwaak je weer uit haar genadeslag, je mond zal open
blijven vallen van zoveel schoonheid. Want dat brengt Mayfield op haar debuut.
Een intrigerende en unieke mix van folk rock, indie en ambient, waarbij deze
uit Kent, Ohio afkomstig artieste, haar persoonlijke ontboezemingen gepassioneerd
over ons uitstort. Zó persoonlijk dat het soms niet te volgen is. Maar
daar tegenover staan prachtige alliteraties, een onnavolgbare ritmiek en beelden
die er voor zorgen dat muziek de hoogste kunstvorm is. Of zoals Mayfield het
zelf brengt in de opener, "Kiss Me Again" met de woorden: "You
got me where you want, but I ain't all there". Vanaf dit eerste nummer
vindt de betovering meteen plaats. Dromerig getokkel op de akoestische gitaar
en een zang waar geen rem op zit. Waar Mayfield het nodig acht haalt zij uit,
fluistert, sust of verschoont met een dijk van een stem. Met flink wat echo
er achter roept die stem herinneringen op aan Mazzy Star, al blijft Jessica
Lea met beide benen op de grond. Ook doet ze me denken aan Kelly Jean Caldwell,
van wie we helaas alweer een tijdje niets gehoord hebben. Hoor ook de eenvoudige,
maar schitterende interactie tussen Mayfield's stem en de gitaarklanken van
Dan Auerbach. Naast Auerbach, die ook te vinden is achter de piano en de drums,
speelt Mayfield’s broer David de staande bas en zijn ook leden van Dr.
Dog (Scott McMicken en Frank McElroy) van de partij in de track "I’m
Not Lonely Anymore". Mayfield's debuut is alweer het zoveelste pareltje
van de nieuwe folkbeweging, want zo mogen we deze lichting toch wel benoemen.
Schijnbaar is het de tijdgeest die vraagt om muziek die weer opzoek is naar
het pure, het eerlijke, het goede, het verlossende. "With Blasphemy So
Heartfelt" is geen standaard folkalbum maar een prachtig album vol emotie
en met een flinke "twang", Jessica Lea Mayfield heeft me werkelijk
erg gecharmeerd met haar debuut.
JESSICA LEA MAYFIELD LIVE Mar
30 2009 - TIVOLI DE HELLING, Utrecht |

SCHEOL
DILU MILLER & THE CISCO BLUES BAND
AIN’T I ALL THAT WOMAN SINGS THE BLUES
Website Myspace
Label: Cisco Record Production
De
Jamaicaanse Dailù of Scheol Dilu Miller lijkt de nieuwe rijzende ster
te worden die zich aan het firmament invoegt naast haar schitterende zingende
soulsisters. Qua genen heeft zij alles mee, want als dochter van een vermaarde
zangeres en een harmonicaspeler zette ook zij al vroeg haar eerste muzikale
stapjes, maar dan in kerkkoor en in schoolconcert. Daarbovenop is Jamaica de
wieg van menig muzikaal talent en loopt daar blijkbaar iedereen op straat te
zingen. Ondanks haar liefde voor haar geboorteland verhuisde Dailù na
de dood van haar ouders naar Italië waar haar broer/muzikant zich al gesetteld
had en begon van daaruit te toeren naar de omliggende landen en verder naar
Amerika. Het laatste decennium zong zij op festivals, in concertzaal en theater,
soms met haar broer. Een album moest dus wel volgen, gezien haar succes. Op
dit debuutalbum krijgt zij het gezelschap van haar zevenkoppige band, The Cisco
Blues Band, met nog enkele gastmuzikanten extra. Temidden van elektrische gitaar,
Hammond B3, drums en blazerssectie, rijgt zij de covers van Isaac Hayes, B.B.
King, Wilson Pickett en Ike Turner aan elkaar en smokkelt er een tweetal van
haarzelf tussen, die de mannelijke bluescomposities qua soul en spirit moeiteloos
evenaren. De slowblues ‘Lonely Woman’ spreekt voor zichzelf. Maar
op ‘All That Woman Is Suppose to Be’ toont zij zich de spirituele
geestesgenote van Koko Taylor, Mavis Staples en Ruth Brown. Katy Costa op Hammond
en Andrea Gavuzzo op drums schakelen soms een versnelling hoger. ‘New
Orleans’ met obsederende drum en vrouwelijke backing zang is één
van de hoogtepunten. Met haar inlevende zang zet Dailù ook mooie versies
neer van ‘Looking At My Man’ waarbij zij anderen waarschuwt om van
haar maatje af te blijven en van B.B. King’s ‘Help The Poor’.
Zij fraseert hier de woorden alsof zij elke ongelukkige haar steun wil meegeven.
Het plaatje wordt vervolledigd met funky sax- en trompetbegeleiding. In Otis
Redding ‘Sittin’ On The Dock of the Bay’ komen de hoornblazers
origineel jazzy uit de hoek. In ‘Kansas City’ zitten wat snippers
Bob Marley. Dailù varieert en gooit zich met hart en ziel in de vertolking
van covers die zij als de hare aanvoelt. De meeste nummers stralen dat eclatante
uit van een Live uitvoering. De opname had echter plaats in Italië in de
Cisco Studio in Santo Stefano Roero, Cuneo. De Piémonte streek is gekend
om zijn excellente wijn, maar nu dus ook als een oord waar vrouwelijke soulblues
en Rhythm’n’ Blues vruchtbaar kan gedijen. Waar Aretha Franklin
en Etta James al een ganse carrière achter de rug hebben, lijkt voor
Dailù het gordijn pas open te gaan. Afgaande op de passie waarmee zij
‘Hold On I’m Coming’ zingt, zal het niet lang duren of de
bluesfans verdringen zich in de festivaltenten op de eerste rij. (Marcie)

TAWNY
ELLIS
EVOLVE OR DIE
Website Myspace
CDBaby
Als
Galileo Galilei bekend werd om zijn woorden ‘en toch draait ze’
zal men ondergetekende herinneren als de man die zei ‘en toch bestaat
ze’. En dan zal wie hem gekend heeft verduidelijken dat hij goede countrymuziek
bedoelde. Tawny Ellis levert met ‘Evolve or Die’ een erg sterke
bijdrage aan de ondersteuning van deze these. Deze plaat als country bestempelen
is eigenlijk te beperkend, maar gewoon Americana is dan weer te generisch. Mogen
we het erop houden dat ze ergens tussen de twee in zweeft? Ellis heeft een stem
en manier van zingen die doet denken aan grootse dames als Emmylou Harris, Peggy
Lee of nog Pasty Cline. Van deze laatste brengt ze een grandioze cover van ‘Sweet
Dreams’. Als ik de begeleidende foto zo eens bekijk dan denk ik dat weinigen
het erg zouden vinden als Tawny sweet dreams van ze zou hebben. Behoudens nog
de slotcover van Bill Mack’s ‘Blue’ en het bloedmooie ‘Endless
Black Ribbon’, een truckersvrouwenlied van Red Simpson, zijn alle liedjes
van Ellis’ hand, sommige in samenwerking met producer Giovanni Loria -die
ook werkte met Jack Johnson, The Black Eyed Peas en Everlast. Ellis wordt voortreffelijk
begeleid (u herkent meteen de viool van Scarlet Rivera op drie van de tracks!)
en de arrangementen zijn geweldig, met hier en daar een modene toets die het
klassieke gevoel echter nooit doorkruist. Een mooi voorbeeld is het fabuleuze
titelnummer ‘Evolve or Die’ dat gedragen wordt door een ferme pianobas
zoals we die kennen van Rick Rubin en Johnny Cash. Of nog ‘I Already Know
You’ waar de Damian Fanelli wonderen doet op elektrische gitaar. De magie
is compleet op ‘Come On Back To My House’: hier komen de werelden
van Dylan’s ‘Blood On The Tracks’ en ‘Desire’
samen, Ellis zingt passioneel zonder over de schreef te gaan en serveert een
arrangement om U tegen te zeggen. Tawny Ellis gaat deze lente-zomer touren en
komt onze richting uit. Dat wordt iets om naar uit te kijken. Evolve Or Die,
als jij het ons vraagt, graag, Tawny. (Duke J)

BELL
X1
BLUE LIGHTS ON THE RUNWAY
Website Myspace
Contact
Label: Bellyup Records
Info: PIAS
Met
hun album “Flock” uit 2005 plaatste de formatie Bell X1 uit het
Ierse County Kildare zich definitief in de kijker van de popmuziekliefhebbers
en aan de absolute top van de Ierse hitlijsten. Het was een verrassend frisse
en moderne schijf met catchy songs en voortreffelijk zangwerk van frontman en
songschrijver Paul Noonan. Het debuutalbum “Neither Am I” daarentegen
ging onopgemerkt aan ons voorbij, net als de tweede cd “Music In Mouth”.
Een beroemde collega bij de oorspronkelijke groep “Juniper “ in
de jaren negentig was Damien Rice die daar zijn eerste muzikale stappen zette.
De sound van Bell X1 is een mix van het seventies popgeluid dat we kennen van
Fleedwood Mac, de intelligente klanken en elektro-instrumentatie van Brian Eno
en de soulinleving van countryzangeres Gillian Welch. Doe daar bovenop de vocalen
van Noonan die amper verschillen van de stemklanken van Talking Heads-zanger
David Byrne en je bekomt een indrukwekkend klankenpallet. De unieke groepsnaam
‘Bell X1’ werd ontleend aan het eerste vliegtuig dat ooit doorheen
de geluidsmuur kon vliegen in 1947. Met de nieuwe cd “Blue Lights On The
Runway” doen ze een worp naar bredere bekendheid. Hun elektronische klanken
in de begintrack “The Ribs Of A Broken Umbrella” - een opwindende
en energieke upbeat song - en in “How Your Heart Is Wired” is zeer
21ste eeuws te noemen. Stand-out track en eerste single uit het album “The
Great Defector” laat ons een haast perfecte David Byrne-imitatie horen
op een swingende beatsound. Diezelfde vergelijking is ook van toepassing bij
het beluisteren van “A Better Hand”. Daarna horen we uitstekend
zangwerk van Paul Noonan in de wondermooie ballad “Blow Ins” waarbij
David Geraghty schitterend pianospel aflevert, drummer Tim O’Donovan de
borstels fluweelzacht over het vel laat glijden en bassist Dominic Philips subtiel
voor zeemzoete backing vocals zorgt. Het daaropvolgende pianonummer “Amelia”
is zo geschikt om op single de hitparades te gaan veroveren en voor wat commercieel
succes te zorgen. De song verhaalt over de laatste trip van de vrouwelijke pilote
Amelia Earhart die aan het einde van haar avontuurlijke wereldreis onbegrijpelijk
plots van de aardbodem verdween boven de Atlantische Oceaan in 1937. Paul Noonan
schrijft ook enkele frustraties van zich af over de politieke gang van zaken
in zijn land en over de onbeperkte macht van de media in de bitterharde song
“One Stringed Harp”. Ook de ongebreidelde schoonheid van de romantische
gezongen ballade “Light Catches Your Face” verdient een aparte vermelding
in deze recensie, net als cd-afsluiter “The Curtains Are Twitchin’”,
een pianoballade met naakte vocalen van Paul Noonan en versterkt door de heerlijke
klanken van een New Orleansachtige jazzy brass band. In de rocksongs klinken
ze als Snow Patrol, in de popsongs als Talking Heads en in de ballads zoals
alleen Bell X1 kan klinken. Of het zou misschien nog een erfenis van hun vroegere
samenwerking met Damien Rice moeten zijn die hier nog subtiel aanwezig is. Bell
X1 verdient met deze plaat een brede doorbraak in Europa en Amerika te realiseren.
Als die andere Ieren van U2 dat kunnen moet dit succes ook voor Bell X1 weggelegd
zijn. Want hun nieuwste cd is een permanent klassieke plaat in wording. Maar
laat je jezelf hiervan vooral overtuigen door deze mooie cd te kopen. (valsam)
JOHN CEPHAS (4 juli 1930 - 4 maart 2009)
Piedmont blues legende John Cephas (Cephas AKA "Bowling Green" John) is overleden. Cephas stierf thuis aan de gevolgen van longontsteking en is 78 jaar oud geworden. Het duo Cephas en Wiggins heeft op diverse labels talrijke platen gemaakt, waarvan hier de recensie van het album "Shoulder To Shoulder" uit 2006 voor het label Alligator.

CEPHAS
& WIGGINS
SHOULDER TO SHOULDER
Website Myspace
Label: Alligator Records
Distr.: Munich Records
Cephas
& Wiggins! 'Bowling Green' John Cephas is geboren in Washington, D.C. in
1930 en verkoos zijn bijnaam naar Bowling Green, Virginia, waar hij opgroeide.
Zijn zwierig akoestisch gitaarspel, de typische finger picking stijl van de
Piedmont blues leerde hij van zijn grootvader. Om dan op negenjarige leeftijd
reeds nummers te spelen van vroege Piedmont artiesten als Blind Boy Fuller,
Blind Blake, Rev. Gary Davis, Blind Lemon Jeffersonen en Tampa Red, muzikanten
die zijn hele leven een grote invloed op zijn muziek hadden. Phil Wiggins is
eveneens geboren in Washington, D.C. in 1954 en spendeerde zijn vakanties bij
zijn grootmoeder in Alabama, waar hij zich liet inspireren door de plaatselijke
kerkgezangen. Maar zijn grootste interesse ging naar de bluesharp, zijn rollercoaster
mondharmonica. Dit was het begin van zijn loopbaan als bluesmuzikant. Door de
jaren heen leerde hij de bluesharp spelen in de traditie van Sonny Terry, Sonny
Boy Williamson I, Little Walter, Big Walter Horton en Junior Wells. De twee
leerden elkaar kennen in 1977 tijdens het Smithsonian Folklife Festival in Washington,
D.C., waar Cephas speelde in de band van pianist Big Chief Ellis en Wiggins
vergezelde gospel-singer-gitarist Flora Melton. Met pianist Wilber “Big
Chief” Ellis en bassist James Bellamy, vormden John en Phil wat later
the Barrelhouse Rockers. Maar na Ellis zijn dood, besloten Cephas & Wiggins
als duo verder te gaan. "Shoulder To Shoulder" is na hun debuutalbum
"Cool Down" uit 1995, "Homemade" en "Somebody Told
The Truth" hun vierde plaat voor Alligator Records, een bloedserieuze bluesplaat,
die net zo makkelijk urban blues, traditonele blues of country blues voorschotelt,
muziek in de beste traditie van Sonny Terry & Brownie McGhee en Rev. Gary
Davis. Piedmont blues heet dit. Vanaf de shuffle/blues-rockende opener, "Ain't
Seen My Baby", tot het afsluitend "The Blues Three Ways", waarin
we Wiggins op zijn mondharmonica op zijn best horen, rockt deze plaat als de
pest. Er staan geen zwakke songs op dit album, maar de meest opvallende tracks
zijn wel na deze vernoemde door Cephas neergepende nummers, de covers "Suzie
Q" en "Dirt Road". De blues die hier gespeeld wordt klinkt alsof
hij gemaakt is in de moerassen van de Mississippi, lekkere oerblues. De arrangementen
zijn dan weer, geheel zoals je van een plaat van het label Alligator Records
kunt verwachten, subtiel en geraffineerd en ze rekken de grenzen van de blues
op een flexibele manier iets op, zonder overigens het echte rauwe bluesgevoel
te verliezen. "Shoulder To Shoulder" is gewoon een prima album van
Cephas & Wiggins, een duo dat wisselvallig trouwens kon rekenen op piano
begeleiding van Ann Rabson en Daryl Davis en Andrew Volpe op bas. Kortweg: Cephas
& Wiggins hebben met "Shoulder To Shoulder" hun afwisselendste
en meest volwassen cd tot nog toe afgeleverd, een cd waar de Piedmont blues
en het spelplezier van afdruipt. Voor zowel de akoestische blues als de rootsliefhebber
een aanrader en dus alle reden om dit album aan te schaffen. "Shoulder
To Shoulder" is het resultaat van hun muzikale vriendschap en behoort tot
het betere werk in zijn deelgenre.

MILES
DAVIS
MILES IN MONTREUX
Website VIDEO
Label: JazzDoor
Distr.: Codaex
Tussen
de jaren 1973 en 1991 concerteerde Miles Davis maar liefst 11 keer op het Jazz
Festival in het Zwitserse Montreux. Deze dubbel-cd bevat opnames van ’s
mans twee uur durend optreden in 1989, nu precies 20 jaar geleden. Davis had
in 1989 net ‘Amandia’ uitgebracht en verschillende nummers uit deze
plaat komen hier live aan bod. The band bestond uit Rick Margitza (sax), Joe
Foley Mc Cready (gitaar), Adam Holzman (keyboards), Kei Adagi (keyboards), Benny
Rietveld (bas) Ricky Wellman (drums), Monyungo Jackson (percussie) en als special
guest de toen erg populaire zwarte R&B zangeres Chaka Khan. Twee jaar voor
zijn dood klinkt de trompettist in ieder geval bijzonder vitaal en eigentijds.
Wie verwachtte dat Miles in 1989 nog muziek zou spelen die verwees naar zijn
grote jazzverleden (‘Kind Of Blue’, ‘Birth of the Cool’
…) kwam bedrogen uit. Wel speelt Davis nog steeds geheel in zijn eigen
stijl (vaak met demper op de trompet) maar het groepsgeluid is een heel stuk
moderner geworden. Via allerlei fusion-toestanden was Davis al een hele tijd
geëvolueerd in de richting van rock, pop en zelfs hip hop. Jazzpurist Wynton
Marsalis beschuldigde er in deze periode Davis zelfs van dat zijn muziek nog
weinig met echte jazz te maken had. Onterecht, zo bewijst ook deze plaat, maar
de aansluiting met de popmuziek is toch wel erg opvallend. Zo zijn er de versies
van ‘Human Nature’ (bekend van oa Michael Jackson) en ‘Time
After Time’ (Cindy Lauper), hier allebei met vocale ondersteuning van
gastzangeres Chaka Khan. Wie echter nu zou denken dat het resultaat hiervan
een flauw afkooksel was van wat het jazzgenie vroeger deed, heeft het helemaal
fout. Bewijzen hiervoor zijn er voldoende. ‘Perfect Way’ eindigt
in een fantastische finale die ons bijvoorbeeld aan de beste live momenten van
Prince doen denken. Het door de bas van Rietveld aangedreven ‘New Blues’,
doorspekt met allerlei solo’s van Margitza en Davis zelve, klinkt bijzonder
potent. Verder valt er te genieten van een lang uitgesponnen versie van ‘Tutu’,
de titelsong van de plaat uit 1986. ‘Mr. Pastorius’ is een ode aan
de grote basvernieuwer Jaco Pastorius en het langst durende nummer, getiteld
‘The Wrinkle’, is een onweerstaanbare smeltkroes van funk, rock
en jazz die het beste uit alle aanwezige muzikanten naar boven haalt. Daarna
mag het rustige ‘Portia’ een mooie afsluiter zijn van dit memorabel
optreden. Na het meermaals beluisteren van deze dubbel-cd wordt mij eens te
meer duidelijk dat het belang van Miles Davis voor de muziekgeschiedenis van
de 20ste eeuw nauwelijks overschat kan worden. (Shake)

REVEREND
RAVEN Featuring MADISON SLIM
LIVE AT BLUES ON GRAND
Website CDBaby
VIDEO
1 VIDEO
2
Label: Nevermore records
Met
zijn uitstekende band The Chain Smokin' Altar Boys brengt Reverend Raven uit
Milwaukee, Wisconsin traditionele blues, hoofdzakelijk bestaande uit covers.
Op deze live opname, opgenomen in de bekende "Blues On Grand" club
in des Moines kreeg hij de hulp van mondharmonica-ace Madison Slim, lid van
onder meer Sam Lay's Blues Band, Legendary Bluesband en Jimmy Rodgers' Band.
Daardoor ligt hier de nadruk vooral op zijn bluesharpspel en The Reverend noemt
het dan ook Madison's cd, maar natuurlijk is ook zijn West Side Chicago gitaarstijl
nadrukkelijk aanwezig. Andre Maritato speelde bas die avond in maart 2002 en
Kid Panosh was de drummer. Madison Slim brengt overvloedig hulde aan de grootmeesters
van de mondharmonica , zijn voorbeelden Slim Harpo en Rice Miller aka Sonny
Boy Williamson. Vijf en half uur rijden door een zware sneeuwstorm laat de heren
er niet van weerhouden om een pracht van een set neer te zetten, en met Bernard
Allison en de Lamont Cranston Band zetten ze die avond de Blues On Grand op
stelten. Ze zijn een pure bluesband en wat je mag verwachten is dan ook dat
en niks anders. "We don't play Mustang Sally" zegt de reverend. Neen,
wat zij brengen is de blues die een mix is van Texaanse en Chicago blues die
ons doet denken aan Little Charlie & The Nightcats, The Fabulous Thunderbirds,
Paul Butterfield en vooral Big Walter Horton, dankzij Madison. Reverend Raven
is een indrukwekkend man, zijn gestalte en stem "staan" er op een
podium, en trekkken dadelijk alle aandacht. Zijn stem lijkt gemaakt voor de
blues. Songs van onder meer Freddy King, Magic Sam en Albert Collins brengt
hij met een onvoorstelbaar gemak en souplesse. Dat hij vanavond de hulp krijgt
van Madison Slim maakt deze live cd alleen maar indrukwekkender, want ook deze
neemt af en toe de microfoon over en zorgt zo voor een "double treat".
Zijn live performance waarbij hij tijdens zijn harmonicasolo’s dubbel
plooit en zich in alle bochten wringt om de full power achter zijn harp te plaatsen
is pure "blues body language" om het zo te zeggen. Als je deze set
met meerdere Slim Harpo en Howlin Wolf covers gehoord hebt kan je niet meer
dan toegeven dat het er ondanks de sneeuwstorm bijzonder warm aan toeging daar
in Des Moines. The blues and nothin' but the blues, 100%. Als de Reverend Raven
de blues preekt is 't altijd een hoogmis! (RON)

BARZIN
NOTES TO AN ABSENT LOVER
Website Myspace
Contact
Label : Monotreme Records
Info: Konkurrent
Wij
zijn al vele jaren fan van de uit Toronto, Canada afkomstige Barzin (Hosseini).
Sinds zijn titelloze debuutplaat uit 2003 en zijn tweede full-cd “My Life
In Rooms” uit 2006 kan deze man voor ons echt niets meer fout doen. Toen
onlangs Nick Zubeck ons er op wees dat hij samen met Barzin naar België
zou afzakken om er diens nieuwe cd voor te stellen hebben we dan ook alles in
het werk gesteld om zo snel mogelijk een exemplaar van dit nieuwe schijfje ter
bespreking toegestuurd te krijgen. Kwaliteit ontgoochelt namelijk nooit en dat
is nu evenzo het geval voor “Notes to An Absent Lover” van Barzin.
De intrieste zang op de negen songs weegt op het gemoed en de stemming van de
luisteraar. Net als landgenoten ‘Great Lake Swimmers’ en hun zanger
Tony Dekker weet Barzin de gevoelige snaren der emoties vlekkeloos te bespelen.
“Nobody Told Me” is het nummer waar de plaat mee begint en is absoluut
niet geschikt als je net een einde aan een lange liefdesrelatie zou gemaakt
hebben. Levensbedreigend zelfs want de dieperik die dreigt wordt hier nog vele
meters verder uitgediept door Barzin. Qua stem heeft hij ook die trieste snik
die bijvoorbeeld ook te horen valt bij de reeds eerder genoemde Tony Dekker
of bij Jason Merritt (aka Whip), de zanger van de formatie ‘Timesbold’.
De zeer mooi georkestreerde liedjes volgen elkaar in sneltempo op en maakt het
ons haast onmogelijk om favoriete songs te vernoemen. “Words Tangled In
Blue”, “Soft Summer Girls”, “Queen Jane”, “Lost”
en “Stayed Too Long In This Place” zijn nummers waarmee ik met graagte
enkele dagen in afzondering wil gaan. Nog sterkere songs zijn het eerder vermelde
“Nobody Told Me”, het door een pedal steel intriest gemaakte afscheidsliedje
“When It Falls Apart” en het ronduit fantastische “Look What
Love Has Turned Us Into”. Dit melancholische meesterwerk werd uitstekend
geproduceerd door Don Kerr, de vaste producer van Ron Sexsmith en door Pink
Floyd en Lou Reed-producer Jeremy Darby. Ik zou je nog een tijdje kunnen bezighouden
met te vertellen waarom je deze plaat zo snel mogelijk zou moeten gaan kopen.
Maar veel beter zou zijn dat je nu vertrekt naar de platenzaak en je daar zelf
via een korte voorbeluistering laat overtuigen. “Notes to An Absent Lover”
van Barzin mag nu al verzekerd zijn van een plaatsje aan de top van mijn jaarlijstje
2009. Barzin maakt me blij met zijn trieste songs en dat is een heerlijk gevoel.
(valsam)

MILAGRO
SAINTS
WARM SOUL SUNSHINE
Website Myspace
CDBaby
Milagro
Saints is een sympathiek bandje uit Raleigh, North-Carolina, US. Zanger SD Ineson,
die ook alle songs schreef, begon in ooit in New York met de Engelse band ‘The
Jack Rubies’. Gedreven door een zelf-verklaarde Dylanobsessie verliet
hij uiteindelijk de New York scene om zich in Raleigh te installeren met de
door hem opgerichte Milagro Saints. Waarschijnlijk is hij de enige muzikant
uit de geschiedenis die NY verlíet omwille van een Dylanobsessie, maar
soit. Ineson en zijn Saints zijn geïnspireerd door wat Bob Dylan, Crosby
Stills Nash & Young en Van Morrison deden in de jaren mid-60/70. Vandaag
geeft dat een band die klinkt als een kruising tussen Counting Crows en The
Hothouse Flowers. Gitaren, hammond, harmonica, wat piano en hier en daar een
verdwaalde clavecimbel. Ik zei dat Ineson alle songs schreef, maar dat is niet
waar. Op Warm Soul Sunshine staat een verdienstelijke cover van Van’s
‘And It Stoned Me’, die weliswaar niets aan het origineel toevoegt,
maar wel aantoont dat de Saints goede muzikanten zijn. Ineson heeft duidelijk
naar heel wat Morrison geluisterd toen hij de songs voor deze plaat schreef.
De meeste zijn uitgesponnen oefeningen in positief denken die hij zelf omschrijft
als komende uit een ‘world of positive healing proclamations’. Kom
dat tegen... Warm Soul Sunshine komt niet verrassend en scherp genoeg uit de
hoek om ons te verbluffen. Daarvoor zijn de songs iets te vrijblijvend. Dit
is een plaat voor liefhebbers van hedendaagse aaibare Americana met een jaren-70
Van The Man sausje! Wist u trouwens, dat de Milagro Saints nog een tijdje een
Belgische drummer gehad hebben... ? (Duke J)
Guy Tortora,
singer-songwriter en rootsartiest uit Pasadena, Florida maakte meteen met zijn
debuut in 2003, "Footnote To The Blues" al een sterke indruk op ons
en nog meer met zijn onlangs verschenen "Living On Credit". Daarom
vonden wij bij Rootstime dat de tijd gekomen was om Guy even met zijn drie tot
nu toe verschenen releases even in de kijker te plaatsen, want dat verdient
deze man zeker en vast. Bovendien is hij heel binnenkort, op 12 maart om precies
te zijn, te gast op het "Le Blues autour du Zinc" festival in Beauvais
in Frankrijk. Hij trad vorig jaar ook nog op in de Antwerpse "Crossroads",
maar spijtig genoeg blijken de Belgische organisatoren deze keer de kans niet
aan te grijpen om de man ook hier te boeken, maar wat niet is kan nog komen
en misschien is er één van de zomerfestivals die dit wel doet.
Van ver hoeft Guy niet te komen, want hij woont momenteel in Londen. Enkele
dagen voor kerst trad hij er nog op in de bekende radio bluesshow van Paul Jones
(ex Manfred Mann & Bluesband zanger), een B.B.C 2 show die dikwijls verrassingen
bevat en dat was deze keer niet anders, want toen hij de repetitieruimte betrad,
stond hij tot zijn verwondering oog in oog met niemand minder dan Eric Clapton,
Eric Bibb en John Cleary. Het werd die avond natuurlijk een prachtoptreden,
wat dankzij de topnamen ook een grote “exposure” voor Tortora betekende.
Laten we nu even Guy's drie cd's in chronologische volgorde belichten, want
dat is ten slotte de bedoeling van deze rubriek.

FOOTNOTE TO THE BLUES (2002)
Eerst en vooral willen we even vermelden dat Guy Tortora op muzikaal gebied moeilijk in een hokje te plaatsen is, en dat hij daar naar onze mening ook niet echt van houdt. Natuurlijk neemt de blues een belangrijke plaats in zijn muziek, maar net zo goed is Guy in alle andere aspecten binnen de rootsmuziek en Americana zoals men dat tegenwoordig overkoepelend noemt. Hij weet perfect Delta- en Chicago blues op traditionele wijze te brengen, maar is geen voer voor alleen maar de puristen. De song en de melodie komen bij hem op de eerste plaats, en hij is een heel goede zanger met een krachtige, gevoelsvolle stem. Voeg daarbij zijn uitstekende gitaarspel, vooral slide en National steel en de kunst om zelf mooie nummers te schrijven en je weet dat je een voltreffer in huis hebt. Met op gitaargebied duidelijk hoorbare invloeden van vooral Ry Cooder en een stem die daar perfect bij kleurt, creëert hij een eigen sound, een bluesy soort van Americana vol emotie en schoonheid, met één voet in het verleden van de blues en de andere in het heden. Soms, zoals in "Sanctified Love" klinkt hij daarbij zelfs meer funky dan Robert Cray of de Meters.De covers die hij doet, in dit geval onder meer "Crossroads Blues" van Robert Johnson, krijgen een eigen uitvoering, wat het geheel dadelijk veel boeiender maakt. Ook Marvin Gay's "Heard It Through The Grapevine" een nummer dat al snel heel voorspelbaar kan gaan klinken is hier heel apart gebracht. "Long Slow Blues" is ook niet wat de titel doet vermoeden, wel een mooie Americana song, met Guy vocaal erg goed op dreef in zijn vertellende stijl. De knappe accordeon geeft "Hallowed Ground" een eigen compositie een Louisiana sfeertje dat me herinnert aan het werk van Sonny Landreth. De akoestische blues "I Need A Car" is nog de meest traditionele song hier en een van Guy's meest gevraagde live nummers. Een van die songs met een sterk Ry Cooder sfeertje. Echt apart en sterk is de coverversie van Tony Joe White's "Did Somebody Make A Fool Of You". Hoogtepunt voor ons is echter "Tough Love", eigen werk, zeer sfeervol, met een mooie slidesolo die kippenvel bezorgt. Als afsluiter is er de meesterlijke en lange versie van "Going Down Slow" met een knappe tempowisseling middenin waardoor het nummer plots een jazzy wending krijgt, erg knap! Als debuut een opname die kan tellen, tjokvol heerlijke rootsmuziek.

JEFFERSON
DRIVE (2004)
Al vanaf de eerste tonen van "My Town" is de toon gezet voor alweer een cd met heel wat prachtige bluesy rootsmuziek. Heerlijke dobro geluiden en accordeonklanken in een sterke eigen song, zoals het merendeel op deze cd. Twee covers slechts, het overbekende "Ain’t Nobody’s Business" en "Early In The Morning". Ook "No Subsitute" heeft die combinatie van slide en accordeon, een sound die dan wat doet denken aan wat The Subdudes doen. Het funky, aan zijn moeder opgedragen: "Good Morning Mrs. T" is weer heel andere koek, maar een zeer sterke song. Bij songs als "Two Wrongs" en "Watch Over Me" zijn er weer veel gelijkenissen met het werk van slide grootmeesters als Ry Cooder, David Lindley en Spencer Bohren. Het luchtige en jazzy "Two Fried Eggs", dat een ode is aan het fameuze Engelse ontbijt, laat weer een andere kant van zijn muziek horen. Tot slot is er "Sometimes She Cried" met de heerlijke mandoline van Richard Studholme, meteen een van mijn favoriete tracks op deze "Jefferson Drive" die de toepasselijke ondertitel "Blues and Other Stories" draagt. Vocaal is Tortora weer in topvorm en de sfeer druipt letterlijk van de cd. Dit is muziek naar mijn hart. Afwisseling is weer volop troef, en daarbij komt zijn boeiend gitaarspel en sterke nummers die vol emotie gezongen worden. Tortora is voor ons topklasse, want veel kan hieraan niet verbeterd worden

LIVING ON CREDIT (2008)
En toch, als je deze hoort, lijkt bovenstaande bewering wat voorbarig van ons, want Guy Tortora overtreft hier zichzelf toch weer, en gaat verder op het elan van zijn vorige cd. Vier jaar verder zijn we intussen en met de titelsong van zijn laatste raakt Guy al meteen de oorzaak van de economische crisis weer: "Living On Credit", over het niet kunnen terug betalen van de veel te gemakkelijk verkregen leningen, wat uiteindelijk de financiële wereld de das omdeed. Blues met de vinger op de pols, heel wat anders dan "Woke up this morning and found my baby gone" . En niet alleen in zijn teksten is Guy origineel en to the point, zoals we al schreven in de recensies van de voorgangers, dit is niet de gewone 12 maten stuff. "Like It That Way" bijvoorbeeld (zie video3), is een hemelse song, en inderdaad hij kon het niet beter verwoorden, we like it that way! Dit is een nummer dat het allemaal heeft, de sfeer in het orgeltje, de mondharmonica en vooral in Guy’s stem. Zo gaat het tot het einde door, want "Cotton Was King" is alweer een volgende voltreffer, met een boeiende tekst, die Tortora half vertellend, zingt. Die teksten zijn misschien nog wel een van de meest sterke punten op deze cd. Soms wat kritisch en bitter, altijd vol emotie. "God Don’t Change", wat gospel getint of het donkere "Mama’s Tired", over het vechten tegen de armoede met hard werken, net als in "Share Croppers". Dat hij voor een zoveelste versie zorgt van een van onze lievelingssongs "People Get Ready" kunnen we alleen maar toejuichen, want dat is een zowat onverslijtbare song, en deze versie is daarbij nog een van de beste ooit gebracht. We kunnen niet anders dan de superlatieven blijven bovenhalen, want afsluiters "Falling" en de rockende bonustrack, "Don’t Do It" een cover van "Nightcat" Rick Estrin met diens aparte droge humor zijn, helemaal in de lijn van de ganse cd, prachtig, en zorgen ervoor dat deze "Living On Credit" een juweeltje is geworden. Het is dus hoog tijd dat Guy Tortora eindelijk krijgt waar hij recht op heeft: een veel grotere naambekendheid! (RON)