ORNETTE COLEMAN @ GENT JAZZ 08/07/10 |
||||||||||
|
|
English version below Ik ben een vocaliste die pas laat haar eerste stappen in de jazzwereld heeft gezet. Het zal dus wellicht niemand verbazen dat mijn lievelingsjazz het soort jazz is zoals ik hoorde vorige donderdagavond op het Jazz Festival van Gent, gespeeld door Kurt Elling's uitgelezen band, of de jazz die ik de volgende avond zou horen door Chick Corea’s (stellar) groep. Ik hou van melodie en ik hou van een swingende beat. De meeste jazzuitvoeringen die men als vrije jazz beschouwt, kunnen mijn oren niet bekoren noch het belangrijkste: mijn voeten. Wie weet heb ik niet naar de goede uitvoerders geluisterd? Veel mensen begrijpen geen
abstracte kunst. Je kan een afdruk van een Rotho-schilderij bekijken
in een boek en er niets bij voelen. Maar als je er vlak voor staat kan
het je ziel raken en je tot tranen toe ontroeren. De les die we hieruit
kunnen trekken is, dat je iets nieuws het best kan leren kennen direct
aan de bron. In dit geval hebben we het over de zogenoemde vrije jazz
en Ornette Coleman. Op de website van het Gentse Jazzfestival staat de biografie van Ornette Coleman, en die zegt dat « Harmolodics » een synthese is van harmonie, melodie en beweging. Niemand begrijpt het behalve zijzelf. En toch, te oordelen naar de grote toeloop donderdagavond, werd Coleman’s concept als beschreven in zijn Harmolodics Manifesto, begrepen of niet, op veel enthousiasme onthaald door zijn fans. De nummers zijn kort, vele ervan duren minder dan vijf minuten, iets wat mij hoogst ongebruikelijk leek, maar ze lieten de band toe een groot aantal zeer geapprecieerde composities ten gehore te brengen. Coleman fluisterde een korte introductie in de microfoon en opende dan de set met een laaiende en ontroerende vertolking van « Tomorrow’s the Question ». De band heeft twee bassisten – Tony Falanga op een dubbele bas en Al MacDowell op een electrische, waarbij hij meer de rol van leidende gitaar speelt. Vaak was het de klassiek getrainde Falanga die ons met zijn strijkstok naar de tonen bracht, melodieus en klagend (en schitterend op een cellosuite van Bach). De drums, gespeeld door Colemans zoon Denardo Coleman, staan centraal in dit ensemble en houden het nummer in hun greep: het ritme verandert, de drums gaan bonzend door terwijl de vele melodieën zich boven hun ontregelende beat ineenstrengelen. Coleman was echter zeer duidelijk de leider, meedogenloos over alles uitmekkerend, op sax, trompet of viool. Doorheen de hele uitvoering behielden de vier spelers van de band hun sterke concentratie, heel dicht bijeen op het podium, meestal met gesloten ogen, en hun enige interactie met het publiek waren de glimlachjes tijdens het applaus. De tachtigjarige Coleman speelt moeiteloos sax, soms schijnbaar wat uitzinnig, maar zelfs voor mijn oningewijde oren is het duidelijk dat hij zijn klanken helemaal onder controle heeft. De meeste nummers komen uit zijn vroege albums, maar doordat hij zich omringt met jonge spelers die hij aanmoedigt hun eigen gevoel te volgen, worden 50 jaar oude composities getransformeerd tot gloednieuwe belevenissen die de kenners in het publiek zeker zullen smaken. De nokvolle tent werd er wild van en brak los in staande ovaties en Coleman (bescheiden en stomverbaasd door deze ontvangst) bood hen gracieus twee meeslepende bisnummers aan. Ondanks een blijkbaar strakke agenda en een verzengende hitte (meer dan dertig graden) speelde Ornette Coleman’s band zeer intens en vol energie, en ook elke muzikant afzonderlijk speelde met echte virtuositeit, zodat dit optreden een heel speciale avond bracht (zoals alle festivalavonden zouden moeten zijn) voor de honderden die hen kwamen zien en beluisteren. Heb ik het licht gezien? Ik vrees dat ik nog steeds niet bekeerd ben in de ogen van de dappere en vrije getrouwen, maar ik heb het gevoel dat ik de beste en aangenaamste introductie gekregen heb, tot mijn grote tevredenheid! Ornette Coleman (altsax, trompet, viool), Denardo Coleman (drums), Tony Falanga (dubbele bas), Al MacDowell (electrische bas) Faith Gibson Vertaling: Monique Deryckere ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- As a vocalist and latecomer in life to the jazz fold, I ought to admit right out that I give preference to the kind of jazz I heard earlier Thursday evening at the Ghent Jazz Festival from Kurt Elling’s exquisite band or that I would hear the following evening with Chick Corea’s stellar group. I like to hear a melody and I like a beat that swings. Most jazz I’ve heard that is considered free does not please my ears or, most importantly, my feet. Perhaps I was listening to the wrong people? Many people don’t understand abstract art. You can look at a print of a Rothko painting in a book and be unmoved. When you stand in front of one, though, it can touch your soul and move you to tears. The lesson here is that if you want to be introduced to something you are unfamiliar with, the very best way to do it is to get it straight from the source. In the case in point, we are talking about so-called “free jazz” and Ornette Coleman. The biography of Ornette Coleman on the website of the Ghent Jazz Festival states, “‘Harmolodics' is a synthesis of harmony, melody and movement. Nobody really understands it except Ornette Coleman.” Yet, considering the huge crowd at his concert Thursday night, Coleman’s “concept” as described in his Harmolodics Manifesto, whether understood or not, is enthusiastically received by his fans. The songs are short, many under five minutes long, which seemed unusual to me, but allowed the band to perform a large number of much-appreciated compositions. Coleman whispered a brief introduction into the microphone before opening the set with a burning and moving rendition from “Tomorrow’s the Question.” The band has two bass players – Tony Falanga on double bass and Al MacDowell on electric, taking on more of the role of a lead guitar. Classically trained Falanga often led into the tunes melodically and plaintively (and most gorgeously on a Bach cello suite) on the bow. The drums, played by the leader’s son Denardo Coleman, are central to this ensemble, always taking hold, changing rhythm, pounding below the many melodies interweaving over his disjointed beat. Coleman was very much the leader, though, bleating relentlessly over all; now on sax, now on trumpet or violin. All four band members were highly concentrated throughout; close together on stage, but eyes mostly shut, their only interaction with the audience occasional smiles during the applause. Eighty-year old Coleman plays the saxophone effortlessly, often seemingly madly, but even to my undereducated ears it is obvious he is very much in control of his sound. Most of the tunes are from his early albums, yet the fact that he surrounds himself by younger players and encourages all to “be free to play things as they feel it” surely transforms even 50-year old compositions into brand-new experiences for the connoisseurs in the audience to savor. The full house (or tent) went wild with standing ovations and Coleman graciously (and even appearing modestly stunned at this reception) offered up two more driving encores. In spite of what must be a tough tour schedule and cruel, over thirty-degree heat, Ornette Coleman’s band played with high tension and energy and each with true virtuosity, obviously making this appearance a very special evening (as all festival evenings ought to be) for the hundreds who crowded in to see and hear them. They were “all in the same room.” Have I seen the light? I’m afraid I am still no convert to the brave and the free, but I do feel I’ve had the best and most enjoyable introduction I could possibly get and am glad for it! Ornette Coleman (alto saxophone, trumpet, violin), Denardo Coleman (drums), Tony Falanga (double bass), Al MacDowell (electric bass) Faith Gibson
|
|||||||||