DUVEL BLUES @ JH KABAL, RUISBROEK – PUURS - 26/05/18

Zolang het kleinschalige ‘Duvel Blues’ festival blijft bestaan, kampioen in gezelligheid en verdraagzaamheid, is de toekomst van de blues in België verzekerd. De organisatie promoot die ook bij de jeugd door hen, die nog 26 jaar moeten worden, gratis binnen te laten. Dat het Duvel team zijn focus niet beperkt tot het strikte bluesgenre is eveneens een troef, vermits dit een jongerenpubliek en ook fans van crossoverblues aantrekt. Ook singer-songwriters en Bob Dylan krijgen in Duvel Blues een podium, samen met uiteraard buitenlandse artiesten die vanuit Amerika, Engeland en Frankrijk overvliegen. Ook in deze editie werden gerenommeerde artiesten vanuit die landen aangetrokken, met in de loop der jaren spontaan ontstane broederschappen zoals het duo Lon Eldridge & Steven Troch, Nico Backton en zijn Wizards en Fred Chapellier met de fantastische Dale Blade. Het illustreert de spirit die er steeds over de tent, het clubhuis, de terrasjes en de parasols heen waait, zelfs in subtropische temperaturen, immer als een verfrissend ademtochtje te ontwaren.

Net zoals vorig jaar kon het festival genieten van subtropische temperaturen waarbij de hitte, de transpiratie, het dorstlessend gerstenat, de omhelzende begroetingen een sfeer creëerden alsof het festival niet in Puurs doorging maar in de Bayou achterlanden van Louisiana. De Duvel beker ging trouwens als een soort Heilige Graal van mond tot mond toen de imposante Corey Dennison zijn overweldigend concert afsloot met een met zijn muziekmaten gedeelde heildronk. Het moet ook vermeld dat Duvel Blues nog steeds de ecologische voetafdruk beperkt door de plastiek bekertjes uit te bannen, wat de smaakpapillen ten goede komt.

.

Marc De Wit & Rik Ooms

Stipt op tijd werd in de tent het imaginaire doek geopend, niet met Robert Allen Zimmerman uit Minnesota zelf, maar met een Belgisch collectief dat hem huldigde met een piëteitsvol tribuut, via de vertolking van sommige van zijn klassiekers of andere minder bekende songs. Het zevenkoppig ensemble Marc De Wit & Rik Ooms beschikt met Marc als zanger over een uitstekende frontman die de songs van de Nobelprijswinnaar met zijn warme stem alle eer aandoet. Marc heeft een krachtige stem en samen met de lieflijke backing vocalisten, Rik Ooms als gitarist, en de knappe ritmesectie bracht hij een geïnspireerde elektrische show zoals Bob Dylan dat wellicht het liefste heeft, die voortijdig de akoestisch folk verloochende tot ongenoegen van zijn fans. Het vioolspel van Staf Diericks gaf een originele glans aan Dylans songs zodat ‘Blind Willie McTell’ met Dirk De Cleen op contrabas en het knappe ‘Senor’ zeker tot de hoogtepunten mogen worden gerekend evenals het ritmische ‘Things Have Changed’. De band luidde het festival officieel in met Dylans ‘New Pony’ om een uur later af te sluiten, toen verderop in het belendend zaaltje singer-songwriter Dries, eenzaam op zijn stoel, het van hen overnam met een akoestische versie van ‘It’s All Over Now Baby Blue’, waarbij hij zich met mondharp begeleidde. 

Het clublokaal biedt nog steeds een intieme belevenis voor bluesfans die comfortabel vanop een stoel zich luisterbereid volledig aan de bluesmuzikanten willen overgeven. Vanaf de eerste song kreeg Dries Bongaerts het publiek mee, dat respectvol luisterde naar zijn lyrische songs. Geflankeerd door zijn twee Resonators gaf hij toch de voorkeur aan zijn akoestische. Vergelijkingen met Townes Van Zandt zijn volkomen terecht. Deze gevoelszanger, die vooreerst naam maakte als frontman in de band ‘New Rising Sun’, blijft ook solo een bezielde zanger die met zijn melancholische stem onmiddellijk weet te ontroeren wanneer hij zich inleeft in een bloedmooie song als ‘Nothing I Can’t Handle’, het aangrijpende ‘In The Heart Of Another’ of in ‘Two Girls’ van Townes Van Zandt. In ‘Water And Wine’ klonk hij grimmiger, maar steeds weer klonk de tristesse door, soms haast tastbaar. Alsof hij troost zocht nipte hij dan aan een glaasje rode wijn. Ingetogen beëindigde hij zijn set met songs op zijn Resonator, waarin hij zich eveneens een krak toonde. ‘Jessie’ is alzo een in weemoed gedrenkt songpareltje. Dat muziek voor hem bovenaan staat bewees hij door niet te wachten op zijn introductie, maar door zich dadelijk in zijn eigensoortige blues te verdiepen, waaronder deze van zijn bejubeld album ‘For The Light In Thy Heart’.


Terug naar de tent waar de temperamentvolle JJ Thames reeds aan haar show begonnen is. Deze nog jonge bluesdame,  met de krachtige soulvolle stem,  na omzwerving in Mississippi beland, heeft energie te over zoals zij reeds een jaar terug in Swing Wespelaar bewees. Ook in Puurs maakte zij haar reputatie als gepassioneerde frontdame waar, samen met haar uitstekende bassist, Kris Jefferson, alsook de rest van de band met gitarist, drummer en toetsenist. Zowel bij het funky ‘I’m Leavin’ of ‘Last Two Dollars’ als het aangrijpende ‘Woman Scorned’ herleefde zij quasi fysiek elke songlijn van haar bluesrepertoire. Plezierig ook om nu eens een vrouw ‘Boom Boom’ te horen interpreteren! JJ Thames lijkt wel een vat vol tegenstrijdigheden. Op haar Facebook vertrouwt zij ons toe dat zij zowel van eenhoorns als van cowboylaarzen houdt. Ook op het podium doorleeft zij het ganse gamma van emoties van gekweld tot opstandig, dit steeds bekrachtigend met sensuele en expressieve gebaren en de overgave van gans haar lichaam. Haar explosieve versie van ‘I Rather Go Blind’ is er een die door merg en been gaat. Het publiek beloonde haar hierom met enthousiast applaus. Ooit begonnen in het ‘Chitlin’ Circuit’ en nadien opgetrokken met de ‘Bobby Blue Band’ en Denise LaSalle heeft zij vandaag alles in huis om in de voetsporen van Etta James, Koko Taylor en Tina Turner de toekomst van de vrouwelijke powerblues te verzekeren. In diezelfde bloedhete tent stond later in de vroege avond de Corey Dennison Band geprogrammeerd. Het is bekend dat frontman Corey, zanger/gitarist met zijn zwarte stem alle uithoeken van het terrein kan bereiken. De rasgitarist, die zich tien jaar lang naast zijn held Carl Weathersby vervolmaakte, heeft pas een vijftal jaren zijn eigen band. Vanaf het begin transformeerde hij het podium in een echte sauna. Ook zijn bandleden ontzagen zich niet in hun bezwete uitputtingsslag, zeker niet toen de bassist en drummer op het einde nog gingen soleren, terwijl Corey zich even terugtrok om zich met liters water herop te laden. In het Moulin Festival was hij naar verluidt de grote blikvanger. Ook in Duvel blues was zijn ‘acte de presence’ en zijn bluesvertolking verbluffend alsof hij in plaats van Chicago nu Puurs tot ‘The Heart Of The City’ maakte. Met zowel covers als eigen songs, ‘Don’t Say You’re Sorry’ of ‘Down In Virginia’, maakte hij van de tent een risicovol ontvlambaar territorium. Er waren gaan handdoeken genoeg om het zweet op te vangen. Toen een goede ziel hem een koel Duvelglas kwam aanreiken deelde hij deze gewettigde ‘moonshine’ als het ware sacraal met zijn muziekmaten. Meerdere keren schaarde hij zich naast medegitarist Gerry Hundt om elkaar in opperste concentratie zowel te zoeken als op te zwepen.

Intussen was wel in de club al ‘Lon Eldridge & Steven Troch gepasseerd als een nieuw akoestisch duo met gitaar en harmonica. Zopas brachten zij het gezamenlijk album ‘Cool Iron’ uit, maar van enige verkoeling was geen sprake. Steven Troch, internationaal gelauwerd harmonicaspeler uit Mechelen, is in de Lage Landen enorm populair, wat je hoorde aan de waarderende reacties bij zijn telkenmale variërend briljant harmonicaspel. In Lon Eldridge, komende uit Chattanooga, Tennessee, heeft hij een uitstekende kompaan gevonden om blues, ragtime en swing in een modern kleedje te steken en dat met behoud van authenticiteit en respect voor de originals. Het speelse ‘Need A Little Sugar In My Bowl’ van Bessie Smith en de eigen ‘Chattanooga Blues’ droeg Eldridge op aan Bessie Smith, eveneens geboren in die City. Hun uitvoering van de klassiekers ‘Kind Hearted Woman’ en het gospelachtige ‘Wished I Was In Heaven Sitting Down’ riepen de sfeer op van weleer toen stem, gitaar, harmonica en voetstomp volstonden om zich met complexloze muziek te ontspannen. De fingerpickende song ‘Country Gentleman’ kwam over als een trip door de velden met in de berm ergens een spotvogel zoals alsook in het lijzige ‘Darkness On the Delta’. Eldridge vertelde dat vooral de piano hem tot het fingerpicking op gitaar inspireerde wat je bv. hoort in ‘Ragtime Monkey’. Die gitaar kreeg hij tijdelijk geleend van Ralph Bonte, bekend van Hideway. Maar ook met slide is hij een virtuoos. Zo ook Steven Troch die intuïtief en trefzeker telkens de juiste mood weet op te pikken.

De Frans-Belgische unit Nico Backton & wizards of blues’ had ook niet misstaan in de grote tent. Dit viertal zou evenzo vanaf een groot podium het publiek kunnen lokken met de magie van hun originele blues. Nico Backton, een Gentenaar die zijn land verruilde voor de lokroep van Zuid-Frankrijk, bleef ook ginder zijn blues componeren, uitbrengen en vertolken. Met zijn muziekmaten weet hij eenzelfde groove te genereren als de Mississippi en Louisiana bluesmuzikanten overzees uit dat swampy zuiden. Vanaf het eerste ‘Blue Monday’,- over het melancholische ‘Hot Times In Old Town’’ van Mississippi John Hurt’ of het zwoele ‘Down In Mexico’ tot een gevoelvolle slowblues als ‘Lover Man’-,  wist het groepje te fascineren en te begeesteren. Op ‘I Feel So Lonely I Could Die’ sloot gitarist Thierry Lopez grandioos aan, die diezelfde ochtend nog in een ziekenhuis in Montepellier vertoefde en desondanks de verplaatsing deed. Ook de ritmesectie, met bassist Jean Denux en Philippe Dourou op drums, reageerde bij ‘Lover-Man’ met eenzelfde bezieling. Nico’s hese stem, die soms wat aanleunt bij een van de Soggy Bottom Boys, komt volledig tot zijn recht bij een song als ‘In Your Arms’, maar nog meer in het bewerende ‘Burned Open Bridge’ met hypnotische junglebeat, waarin de geest van R.L. Burnside herleeft. Alleen al omwille van deze song zou dit een verplaatsing naar het verre Puurs waard zijn. De gitaarbody, met stelselmatig uitdijende zweetplekken, weerspiegelde de passie van zijn meestertovenaar. Ook voor de magiër zelf was de hitte slopend tot een milde schenker hen drie Koninckjes kwam offreren. Dat de organisatie blijvend moeite deed om deze band te strikken wordt bijgevolg in hoge mate geapprecieerd.


Het Franse collectief Fred Chapellier & The Gentsmet zanger/trompettist Dale Blade als boegbeeld uit New Orleans, creëerde eveneens grote verwachtingen. Hun album ‘Set Me Free’ is zowat nog nat van de persing. De Fransman, die ook nog Otis Clay en Billy Price, begeleidde, liep tijdens het ‘Cahors Blues Festival’ soulzanger Dale Blade tegen het lijf, opgegroeid in de Treme wijk. Het klikte dadelijk en sindsdien toeren zij samen. En zoals we met eigen ogen konden vaststellen is de combinatie gitarist/zanger een succes. De aimabele Dale Blade, ondanks de hitte in het maatpak van een gentleman, is een echte entertainer die zelfs over de hekken heen contact maakt met de kinderen en hen tot commentaar verlokt. Ook het publiek werd al direct uitgenodigd om hem te volgen naar Beale Street, de iconische bluesstraat in Memphis waar muziek spontaan opborrelt om elke hoek als een nooit opdrogende bron. De ‘Gents’ zelf namen met veel drive en kunde de instrumentale intro’s of improvisaties op zich, terwijl Fred Chapellier onderwijl zijn gitaar in alle toonaarden liet zingen. De warme soulstem van Dale Blade is echter de grootste troef van de band. Zoals de shooter ‘Set Me Free’ of ‘My Reason To Live’ vertolkt komt over als onvervalste feeling en emotie, alsof er autobiografische elementen in zitten verborgen. Wat emotionele turbulenties betreft, kan ook zanger en songwriter Ian Siegal hiervan meespreken. Bij de onvoorspelbare Brit is het steeds afwachten hoe zijn concert zal worden opgebouwd. Zonder playlist laat hij zich meestal leiden door zijn instinct of de respons van het publiek. In de club of het verduisterd zaaltje voelde hij zich echter blijkbaar als een vis in het water. Naar eigen zeggen beleefde hij zich zelfs als religieus zoals in een kerkgebouw, maar dan ‘een als op een zondagochtend wanneer alle bars gesloten zijn’. Zijn humor verlaat hem nooit hoe zwaar ook de diepgang van de songlyriek mag zijn.  Een enkel keer viseerde hij een van van de succesbands die onterecht op de bluesfestivals nu de headliner worden. Telkenmale beloofde hij een song van zijn nieuw album te spelen om dan toch telkens opnieuw een van de oudere op te diepen, zoals ‘John The Revelator’, ‘You Got To Move’, ‘Mary, Don’t You Wheep’, ‘Come In My Kitchen’, desgevallend een eigen song die hij met Jimbo Mathus schreef. Alleen het bezielde ‘Eagle Vulture’, met een hypnotisch ritme, kwam uit zijn laatste album. Met schorre, roetzwarte doorrookte stem zong hij het ontroerende ‘Hard Times Come Again No More’, een bittere aanklacht tegen de machtswellustelingen die de armste mensen naar het slagveld sturen,wantoestanden die ook vandaag nog niet zijn uitgeroeid. Ian Siegal blijft de rebel die zijn verontwaardiging kan uitschreeuwen en die zich daarbij begeleidt met verschroeiend mooi slidegitaarspel of desgevallend dat instrument als opzwepende drum gebruikt. Bij het tijdloze ‘Pony Blues’ maakte hij gebruik van een gitaar van gitaarbouwer/ muzikant Karel Phlix, een instrument dat hem ten zeerste beviel. Ian Siegal, solomeemaken, vanaf de eerste rijen is zoals steeds een memorabel avontuur.

Als afsluiter in de tent wachtte toen nog de familieband Kitty, Daisy & Lewis en hun twee gezellen, allen in kleurrijke of tot de verbeelding sprekende outfit. Hun mix van rootsrock, swing, bluegrass, funk, punk en junglebeats kent nauwelijks begrenzing. Ook met hun instrumenten zijn de allround muzikanten niet karig zodat de sympathieke zussen en hun broer zowel met gitaar, toetsenwerk, drum, bas, mondharmonica, tamboerijn en banjo aan de slag gaan. En uiteraard kunnen zij allemaal zingen. Bij hen is het muzikale evenement zowat telkens een ‘position switch’ met rolwisselingen, wat weliswaar hun veelzijdigheid aantoont maar minder de onderlinge osmose bevordert. De familie Durham blijft echter een explosief kruidvat en is uiterst productief. Hun albums volgden elkaar op met als voorlopig laatste ‘Superscope’ waaruit zij een zestal songs brachten, waaronder het pittige ‘The Game Is On’ en het rockende ‘Down On My Knees’. En hun aanstekelijke ‘Going Up The Country’ is altijd de aanzet voor een feestje. Halverwege kwam de Jamaïcaanse veteraan Eddie Thornton met zijn trompet nog tijdelijk het gezelschap vervoegen wat de jubelstemming verhoogde, als een mogelijk voorspel op een nachtelijk feestje. Puurs ligt echter niet in Jamaica of Louisiana en zijn vertrek luidde ook het einde in van de show. Buiten waren de terrasstoeltjes reeds verlaten en de blakende zon had plaats geruimd voor een mistige maan, wellicht ietwat bedroefd omdat het festival dat jaar weer voorbij was. Het dansbare ‘Baby Bye Bye’ van het vijftallig groepje indachtig was het dus tijd om afscheid te nemen van organisatoren, kassadames, biertappers, Hilde en Gust, kortom alle vrijwilligers en bezielers van dit festival waar geen wolkje de lucht of sfeer verduisterde en waar gemeenschapszin, vriendschap en liefde voor de blues hoog in het vaandel worden gedragen.

Marcie

foto © Michel Verlinden

meer foto © Michel Verlinden

 

 

Kitty, Daisy & Lewis - Going Up The Country

video 1 - video 2 - video 3 - video 4 - video 5 - video 6

 

Ian Siegal : video 1 - video 2 - video 3

 

Fred Chapellier & The Gents &  Dale Blade - video 1 - video 2 

 

Nico Backton & wizards of blues - video 1 - video 2 - video 3 - video 4

 

Corey Dennison Band - video 1 - video 2 - video 3

 

JJ Thames - video 1 - video 2

 

Marc De Wit & Rik Ooms

Artiest info
website  
facebook  

 

Marc De Wit

Dries Bongaerts

JJ Thames

Corey Dennison Band

Lon Eldridge & Steven Troch

Fred Chapellier & The Gents

 Ian Siegal

Kitty, Daisy & Lewis