ROOTS & ROSES FESTIVAL @ LESSINES - 01/05/17

Nee, toeval bestaat niet. Of deze editie van Roots & Roses het predicaat ‘historisch’ krijgt of niet (voor velen staat nu al vast van wél), het was in elk geval een festival dat nu oogst wat het jaren geleden uitbundig gezaaid heeft. Want de organisatie werkt voor een deel met dezelfde artiesten die in het verleden ter plekke hun kwaliteit reeds hebben gedemonstreerd en die omgekeerd de organisatie dankbaar zijn voor de goede en correcte zorgen. Pokey LaFarge en Jake La Botz kunnen daar model voor staan. Het zijn tevens artiesten van stand die je toch ziet rondwandelen in de tenten, gaan luisteren naar andere muzikanten. Perfect aanspreekbaar ook. Dan is het alleen maar hopen dat alles in de plooi valt om die visie vorm te geven: zijn de juiste mensen beschikbaar op het juiste moment? Je kan het toeval een serieus handje helpen. Bij Roots & Roses 2017 hebben ze er een handje van weg. Deze positieve indruk hadden we al bij onze vorige passage in 2014.

Je merkt het aan de vele verwijzingen door de mensen on stage naar de andere performers: ze kennen en bewonderen mekaar ostentatief, jongere bands stellen de oudere voor als een rolmodel op een bepaald ogenblik van hun bestaan. Het is de gewoonte om lief te zijn voor elkaar op een festival waar het feel good gevoel moet overheersen, maar je voelt dat de wederzijdse lof gemeend is: geen The Fuzztones zonder The Sonics, geen Id!ots of Experimental Tropic Blues Band zonder The Fuzztones, iets van die strekking. Deze ‘evolutionaire ketting’ geeft al één hoofdlijn aan van deze editie: geen medelijden met de trommelvliezen. Maar er is ook een meer roots gerichte kant met country, meer klassieke blues, rockabilly, retro en de meer gestroomlijnde Americana. De twee stromingen zijn, mits een goede afwisseling en ondanks het verschil in dB, perfect verzoenbaar

Voeg daarbij ook het eenvoudige systeem van de twee tenten: als het concert in de ‘Roots’ tent gedaan is, heb je vijf minuten om naar de ‘Roses’ tent te stappen (en vice versa)… wat je in enkele seconden kan doen. Geen overlappingen, geen afstanden, en alle andere faciliteiten binnen handbereik. Als er nog wat gedaan wordt aan het hopeloze tekort aan toiletten en de mank lopende catering (nochtans met een op papier interessante en gezonde streekproducten) Elke uitstap kostte je een half concert. Het is een serieus pijnpunt, waaraan het festival, zoals we het kennen, ongetwijfeld hard zal aan werken.

Met een niet-aflatende marathon van ruim een half etmaal voor de boeg, heb je de neiging om de eerste band te skippen, zeker als de gezondheid niet helemaal mee wil. Zo misten we Power Shake, de regionale roots band, opener in de Roses tent. Onze intrede bij het Luikse The Scrap Dealers, starters in de Roots tent, zullen we niet licht vergeten: als afsluiter lieten ze ons neerdalen in een weldadig uitgesponnen noise bad. We nemen ons voor de heren beslist nog eens te gaan beluisteren, want dit smaakte naar meer. Dat doet ons er trouwens aan denken: ‘heren’… Wat we niet hoorden op de R & R waren de dames… Dat was natuurlijk geen bewuste keuze: het is denkelijk het logische maar spijtige gevolg van het verleden van de genres die aan bod kwamen, een reminder aan de macho maatschappij waar we uit komen. Het geeft te denken maar dat drukte geenszins de pret.

Daar stonden de Id!ots al, meteen goed voor een eerste hoogtepunt. Het komt niet uit de lucht gevallen: zanger Luc Dufourmont en de onbeweeglijk swingende bassist Dick Descamps kennen we van bij de Ugly Papas, die hun gretigheid en zin voor humor duidelijk op deze Id!ots hebben getransplanteerd. De inzet van jonge wolven Wouter Spaens (gitaar) en Tom Denof (drums) zorgt voor een vervaarlijke dosis adrenaline: ‘Pakistan’, ‘Little Birds’, ’60 Miles’, ‘Mosquito’, ‘The Bill’ en andere lappen uit cd’s ‘Id!ots’ en ‘II’, komen op je afgeknald dat het een lieve lust is. Er kan zelfs een song in Frans ‘me een beke hoar op’ en een band die een song opdraagt aan Bert Bertrand (journalist die een belangrijke rol speelde in vroege dagen van de punkrock; zo ongeveer de Franstalige Marc Mijlemans; hij overleed in 1983), weet waar de klepel hangt. Id!ots gaan veel verder dan punk: we hoorden hier en daar in Spaens’ gitaarspel zelfs invloed van bands als Wire. Bovendien bezit Luc een expressiviteit die je zelden vindt in het genre. Hij dirigeert, maar met bakken zelfrelativering. Het is die humor die deze retestrakke band nog dat ietsje meer geeft…

Het is moeilijk je op te laden voor de hillbilly boogie van Woody Pines (=naam van de band én de zanger), maar de man uit Nashville wint het door zijn charme. Men vergelijkt de man uit Nashville vaak met Pokey Lafarge, maar Woody is een categorie op zich. Moet enkel nog doorgroeien. Mooi is de geschiedenis van de ‘100 dollar song’: hij zou zoveel ontvangen als hij één bepaalde song zou spelen op een concert in Detroit. Wat hij dan ook doet. Hij ziet de man niet meer, maar in de ‘jar’ waar klanten geld staken voor de muzikanten. Onderaan de pot het beloofde briefje van 100 dollar! Waarop Woody de song in kwestie speelt, ‘Buckets Of Rain’ van Bob Dylan! Dat is het sein voor een verrassend woeste finale, waarin de pedal steel speler te keer gaat op elektrische gitaar. We zien Woody Pines graag snel weer, liefst in een knusse omgeving.

POWERSOLO uit Aarhus, Denemarken, rond vaste leden Brødrene Kim Kix en Atomic Child, timmert al zo’n twee decennia aan de weg. Die is geplaveid met ondermeer zes full cd’s. Hun claim to fame is dat ze Jon Spencer begeleidden in 2015, iets waar explosieve Jon behoorlijk tevreden over is. Geen wonder dat deze stevige band met deze cocktail van rock, rockabilly, punk en psychedelica meteen pak had op het publiek. Even schrokken we: ‘You’re just a bunch of Belgian assholes’ klonk het… maar dat bleek een verwijzing naar ‘Asshole’ van hun eerste cd ‘Lemon Half Moon’ uit 2001. Een hele sterke set vonden we, die ons persoonlijk wat minder raakte, maar we begrijpen het succes. Waar we iets minder begrip voor hebben is het middenstuk waarin plots power en dynamiek plaats maakten voor onbestemde distorted country. Hierna ging POWERSOLO weer vrolijk voort als in het begin om met ‘Doggy Bird’ boogiënd af te sluiten. Misschien had het feit dat ze de hele nacht hadden moet rijden om hier te geraken debet aan deze momentary lapse of reason. Ze zeiden het meer dan eens: ‘We drove all night’ en ‘We saw wild boars… I even saw a ghost’…

Jake La Botz, blueszanger en acteur (bvb. ‘Animal Factory’, de laatste ‘Rambo’ uit 2008), trad de dag na Lessines op in de Missy Sippy in Gent. Daar vindt u een gedetailleerd verslag van elders op deze Rootstime bladzijde. We zijn zo boud om u daarnaar te verwijzen, want de concerten zijn vergelijkbaar, al had hij in Lessines een ritmesectie: Sjang Coenen (bas) en Frederik Vandenberghe (drums) zijn ook geen beginnelingen. De relaxte stijl van Jake werkt optimaal in een zaaltje als Missy Sippy. Voor een grote menigte wil dat na de voorste rijen wel eens wegwaaien (al is de geluidsversterking doorgaans prima op R & R) We posteren ons dan graag minstens voor even achteraan de tent, om ook te ervaren wat een doorsnee bezoeker er daar van kan maken. Maar het is slechts een zijdelingse bedenking. Jake weet precies wat hij doet. Hij zette in met ‘Yes, I’m a crow’, titelnummer van de cd uit 2009. In het aanbod ook songs van ‘Sunnyside’, dat deze maand uitkomt. We hoorden ‘Damsel In Distress’ en ‘You Can’t Put A Hobo On A Passenger Train’. Jake is van Chicago, vandaar dat hij er ook een song van Maxwell Street Jimmy Davis (+1995; speelde met John Lee Hooker) tussenschoof, een erg goed klinkende hommage trouwens (al moeten we u de songtitel schuldig blijven…) Jake La Botz leerde als laatste nog de blues uit de mond van de uitstervende generatie pioniers: behalve Jimmy Davis, bvb. ook David ‘Honeyboy’ Edwards en Homesick James. Dat La Botz een publiekslieveling is, bewees het bisnummer dat hij vlot afdwong. Niet verpletterend maar daar zorgden anderen voor op R &R…

Met de Pine Box Boys is het ‘Arkansas Killing Time’! PBB werden in 2003 boven de doopvont gehouden in San Francisco met de intentie de klassieke murder ballads in een modern jasje te steken (een ‘pine box’ is een ‘vurenhouten doodskist’), maar alras begon Reverend Lester T. Raww (geen echte reverend vermoeden we…) songs te schrijven in het idioom, waarbij hij de registers opentrok, helemaal in de lijn van de felle muziek, ‘horrorbilly en malcontent mayhem’. Zo klinkt het ook, met af en toe een lichaamsvreemde sound, een mariachitrompet, bij voorbeeld. De Tuvaanse keelzang past daar vreemd genoeg vrij aardig in. De PBB houden het tempo strak en hield de commentaren kort, gezien het feit dat ze ‘slechts’ een uur mochten spelen: ‘Not much time… We love you… Thank you!’, maar de klassieke mop van de ‘undertaker’ als ‘the last man to let you down’ hadden ze beter achterwege gelaten. Ach, de set mocht er wezen, de climax was een echte.

En of ze gespannen waren, de verwachtingen, en dan nog heel hoog: vele aanwezigen hadden (The) Fuzztones immers in de jaren tachtig op handen gedragen en waren met de band opgegroeid, en, interessant om vast te stellen, een hele nieuwe generatie pikt in op de potente garagerock, zodat je eigenlijk van een revival mag spraken, de revival van een band die zelf met graagte verwees en verwijst naar de sixties, naar (The) Sonics, bij voorbeeld. Leider is nog immer Rudi Protrudi: ‘I’m a 64 year old teenager!’ en tevens laat hij weten dat (van oorsprong Berlijnse Lana Loveland) niet mee is omdat ze thuis zit. Fier vertelt Rudi dat hij vader wordt… één plus één is twee? In elk geval is het van bij de eerste noten duidelijk dat de Fuzztones niet ongemerkt willen passeren: in strakke opeenvolging vliegt ouder en nieuwer de boxen uit, ‘Bad New Travels Fast’, ‘Don’t Speak Ill Of The Dead’, ‘Nine Months Later’ (met dat refreintje dat doet denken aan ‘Hang On Sloopy’), ‘Between The Lines’ (een heuse protestsong want de onvrede van de sixties is teruggekeerd, benadrukt Rudi), ‘You Must Be A Witch’, ‘Marble Hall’. Er is ook echt nieuw werk: ‘I Got Eyes In The Back Of My Head’ scoort meteen. De karakteristieke (en zo verleidelijke) farfisa orgel sound rijst boven de noise uit.

Ergens begin de jaren 2000 zagen we in Eeklo, in het voorprogramma van Stan Webbs Chicken Shack als we dat juist hebben, The Experimental Tropic Blues Band, een toen nog erg jong Luiks punkbandje. Die brachten een opvallend sterke set, dat het niet alleen van zijn van het podium spattende enthousiasme moest hebben. We hebben ze nog enkele jaren gevolgd, maar kregen de kans niet meer ze te zien. We dachten zelfs dat ze niet meer bestonden. Maar dat blijkt totaal fout, al komen ze net uit een sabbat van drie jaar, toch wat optredens betreft. ETBB werkte intussen In 2011 namen Boogie Snake, Dirty Coq en Devil d’Inferno (niet hun echte namen) in New York o.l.v. Jon Spencer (weer hij!) hun derde album op, ‘Liquid Love’. En ze maakten de soundtrack van de film ‘Spit’n’Split’ van Jérôme Vandewattyne (die ze overigens begroetten vanop podium toen ze begonnen) Het trio is in elk geval nog steeds niet voor één gat te vangen want hun grillige muziek gaat vele richtingen uit, echter nooit zonder zijn vitale, opzwepende, ongeremde rock en urban blues karakter te verliezen. Veel komt uit de nieuwe cd. Een wonder hoe fris, onbespoten en, ja, ‘experimenteel’ dit nog klinkt na zovele jaren. Met als opperste bewijs hun mesjogge versie van ‘Roots And Roses’, origineel van Fred & The Healers.

Velen kwamen voor Pokey LaFarge. Hij ontgoochelde niet. Pokey (echte naam Andrew Heissler, uit Illinois) bracht de verwachte pot vintage folk met een uitstekende zeskoppige band. ‘Close The Door’ en ‘Something In The Water’ vormden alvast een vertrouwd begin. Waar voorheen de jaren dertig primeerden in de set, hoorden we ditmaal het iets meer gestroomlijnde fifties werk. Niet zelden dacht je aan Paul Anka of Neil Sedaka (en we waren zeker niet alleen om dat te merken!) Niet dat Pokey een breder publiek wil bereiken (dat zou trouwens altijd mogen als je muziek van deze kwaliteit brengt) maar een artiest mag en moet evolueren. Er was natuurlijk de hoempapa meezingwals die je hier niet verwacht, maar op een schlagerfestival. Die wals stak gelukkig dan weer vol weerhaakjes. We vermoeden dat men in de States deze muziek heel anders inschat dan wij dat in Europa doen. Maar ook dan brengt deze band dat meesterlijk. Ook de muzikanten kregen de kans zich te profileren: bassist Joey Glynn puurt het maximum uit zijn instrument tijdens een paar woeste solo’s. Er is nieuw werk, uit de komende ‘Manic revelations’, zoals een cover van ‘Good Luck Charm’. En uiteraard zijner de obligate tunes: ‘Going To The Country’, ‘Central Time’, ‘Drinkin’ Whiskey Tonight’. Pokey sluit de gave set af met ‘C’est La Vie’, ode aan de kort geleden overleden schrijver van deze evergreen, Chuck Berry, man wiens ster ten eeuwigen dage over de hele rock ’n roll wereld schittert. Mooi, toch?

Tijd voor The Sonics om de cirkel helemaal rond te maken: zij waren in de prille sixties de onbetwiste pioniers van de garagerock en lieten de jongeren van de sixties vuilbekkend horen dat er nog wat anders bestond dan door de ouders goedgekeurde halfzachte crooners van begin de sixties. Nu kregen ze de kans om over de generaties heen te tonen waar ze voor stonden… en voor staan. Wie sprak er van rolstoelen en rollators?! De oerpunks (met nog drie leden uit de topperiode van de LP’s ‘Here Come The Sonics’ en ‘Boom’) beseften ten volle hun verantwoordelijkheid en leverden een ongemeen strakke set af. ‘So good to be back… So many good bands… Friends like Pokey LaFarge’ Ze werkten zich met glans doorheen ‘Summertime Blues’ (Eddy Cochran), brachten werk uit ‘This Is The Sonics’ (2015) met ‘Sugaree’ en ‘Be A Woman’, vergaten uiteraard ‘Have Love Will Travel’ niet en liepen verder het rijtje af van de (bijna) hits uit het verleden, als ‘Keep A Knockin’ (But You Can’t Come In)’. Het einde van de set hebben we niet gehoord omdat we ons strategisch wilden opstellen voor The Paladins, maar we hebben niets dan lof gehoord over het einde. Opdracht meer dan volbracht.

De rootsrock en rockabilly van The Paladins, ook specifiek daarvoor waren er velen afgezakt naar Lessines. En zie! Ook zij werden op hun wenken bediend. We hebben ze misschien al een tikkeltje scherper gezien, maar dat is dan nog voor 2005, toen zanger-gitarist Dave Gonzalez het trio ontbond (om hem in 2011 weer op te starten), maar dat is een detail, want wat snokte Thomas Yearsley weer op die contrabas, hoe mepte Brian Fahey weer op de vellen en welke solo’s knalden uit Daves gitaar. Onwaarschijnlijk goed. Na de openende surf instrumental begon het festival van de catchy songs als ‘It’s Too Late Baby (Have To Let You Go)’, ‘Tore Up From The Floor Up’, ‘Look What You’re Doing To Me!’ (dat Thomas zingt), ‘I’ve Been Looking For A Girl Like You’ (opgedragen aan alle… mannen!)… Dave laat niet na om de prestaties van Pokey LaFarge en The Sonics te loven. ‘Het gebeurt niet zo vaak dat we met onze muziek inspelen op de gebeurtenissen om ons heen, maar deze song pende ik toen ik erachter kwam, dat men geld wil slaan uit het schrijnende watertekort in Zuid-Californië.’ Er volgt het boze ‘Who Sold The Water To The Water Man?’.

Roots & Roses 2017, wat een editie… Om niet vlug te vergeten…

Antoine Légat.

 


 

 

 

 

 


 

Artiest info
website  
facebook  

ROOTS & ROSES - 01/05/17