| CHRIS FARLOWE | |||||||||
|
Sommige fenomenen zijn moeilijk te begrijpen. Wanneer her en der de verjaardagen van rocksterren overal gehuldigd worden met Cd-boxen, Tribuut Cd’s en retro-interviews glippen er enkelen door de kieren van de media-aandacht. Toch gaat John Henry Deighton, ster uit de sixties en bekend als Chris Farlowe, onverdroten verder met cluboptredens, Europese tournees en het stelselmatig uitbrengen van nieuwe cd’s. Dit jaar nog wordt hij negenenzestig en waarom wachten tot zijn zeventigste om deze veelzijdige muzikant te belichten. Chris Farlowe zag het levenslicht in Islington ten Noorden van Londen in oktober 1940 aan het begin van Wereldoorlog II. Temidden van het oorlogsgeweld zal hij wel de eerste explosieve wanklanken uit de lucht hebben opgevangen, later gesublimeerd in de elektrische rockgitaren. Als zijn eerste belangrijke invloed in zijn tienerjaren vernoemde hij echter de folk/troubadour Lonnie Donegan, die ook Van Morrison inspireerde. Naar zijn voorbeeld vormde Farlowe omstreeks 1957 een eerste skifflebandje de ‘John Henry Skiffle Group’. Nadien legde hij zich toe op de zang waar hij de ideale stem voor had. Een decennium later toerde hij al in de band Chris Farlowe & The Thunderbirds met o.a. gitarist Albert Lee die veel succes oogstten in het Rhytm’n’ Blues circuit. In 1966 scoorde Chris een eerste hit met Jagger/Richards ‘Out Of Time’. Nadien rond 1970 werd hij één van de bandleden in de rockgroep Colosseum dat een aantal albums uitbracht. Daarna volgde de ‘Atomic Rooster’. Na een gedwongen rustperiode als gevolg van een zwaar verkeersongeluk vervoegde hij zich weer bij de vernieuwde ‘Thunderbirds’. Om een lang verhaal kort te maken. Chris Farlowe overleefde de punkperiode zonder aan zijn eigen muzikaliteit en reputatie als bluesrocker en soulzanger afbreuk te doen. Behalve met Colosseum trok hij nog op met The Manfreds en hij tourde verschillende jaren met de Norman Beaker Band met wie hij ook platen uitbracht. Zijn platennalatenschap stapelt zich inmiddels op en in zijn discografie staan reeds een twintigtal platen vermeld. Tussen al die platen, twee opmerkelijke, die de aandacht trokken. In de jaren 1984 en 1986 brengt
de blueszanger twee albums uit ‘Out Of The Blue’ en ‘Born
Again’ beiden geproducet door de vermaarde producer/muzikant
Mike Vernon. ‘Born Again’
met eveneens de Thunderbirds vertoont dezelfde kwaliteiten. Hierop speelt
weer Mo Witham mee, plus Jan Gibbons, toetsenist bij de Kinks en Dave
Bronze, basspeler bij Eric Clapton. Martyn Winning op saxofoon schreeuwt
op ‘Ain’t Got No Money’ zijn muzikaal protest uit. Ook producer Mike Vernon
doet mee. Zowel in ‘One Night Stand’ als in ‘I’m Yours’ bespeelt Chris
weer alle emotionele registers. Deze zanger moet door de een of andere
Kelt in de drank van Panoramix geduwd zijn voor de gelegenheid tot bluesbrouwsel
omgetoverd, want ‘The Voice’ in- en exhaleert de blues. Verder zingen
nog de James zusjes mee die zich naast elkaar scharen als Gospelengelen.
De altsax van Bud Beadle schittert opwaarts de zon tegemoet. Soms gaat
het meer de funky richting uit en op ‘I Stayed Away Too Long’ verlokken
de klanken van de blazerssectie je om te dansen. Op het bonus nummer ‘We
Can Work It Out’ krijgt het Beatles nummer een vlammend kleedje aangetrokken. ‘Hotel Eingang’
uit 2008 is voorlopig zijn laatste. Aan de titel van dit album is een
anekdote verbonden dat Chris Farlowe in de eindtrack vertelt. Het verhaal
wordt alsmaar hilarischer wanneer hij uit de doeken doet hoe in 1961 de
band, na eerst de bloemetjes te hebben buiten gezet in de Hamburgse stad,
onmogelijk hun hotel kon terugvinden ondanks het voorleggen van het papiertje
waarop Chris de naam van het hotel had neergepend. Dat taxichauffeurs
en politie hem niet konden helpen verrast niet als op dat papier Hotel
Eingang staat in de rapte opgeschreven bij het verlaten van het hotel.
Los van dit historisch gegeven draaien de twaalf songs opnieuw rond ‘The
Voice’ van Chris, die men inmiddels overal onder die naam aankondigt zoals
Elvis met ‘The King’ en Cash als ‘Man in Black’. Al heeft Chris Farlowe
dan nooit dezelfde status bereikt, qua karakter en vasthoudendheid moet
hij niet onderdoen. Met de jaren is zijn zang nog rokeriger geworden.
Met een stem die soms zweemt naar zelfkastijding hoor je hem in ‘Never
Too Old to Rock’ weer pure passie uit zijn lijf persen. Hij wisselt slowblues
af met Westcoast funk waar de hoornarrangementen van Damian Hand toe bijdragen.
Saxofonisten en trompettist reizen dan alvast vooruit richting Californië
hetzij richting Louisiana. Een nummer als ‘It Should’ve Been Me’ zou in
Baton Rouge kunnen aarden. In de tweespalt heavy/slow is het moeilijk
kiezen tussen de belijdenissoul van ‘I’d Rather Be Lying With You’ en
de bluesrock. ‘So Hard To Get Along With’ rockt gelijk Hel met een satanische
drum van Paul Burgess. De backingzingende zusjes Doreen & Irene Chanter
sluiten aan als loksirenen aan de hellepoort. Het partnerschap Chris Farlowe
en manager Kris Gray producete gezamenlijk dit album en hun geworteld
zijn in de blues vertakt zich naar alle kanten. Het is te hopen dat The
Voice nooit kiest voor een Hotel met de naam Blues Exit.
|
||||||||