BOB GIBSON



Artiest info
Website  
   

 

 

Een tijd geleden stelden we u ‘The Living Legend Years’ van Bob Gibson voor. Die vorig jaar verschenen compilatie was een selectie uit vier platen die Bob Gibson tussen ’74 en ’84 op zijn eigen label uitbracht. Zoals dat gaat met goede compilaties, deed ook deze ons snakken naar meer. Intussen zijn de vier individuele platen ook op CD heruitgegeven en die zijn twingtig à dertig jaar na hun verschijnen nog steeds steengoed. Welkom op planeet Gibson.

O, wacht, er zitten daar achteraan een paar mensen die Bob Gibson niet kennen. Gibson, zou je kunnen zeggen, is de chronologische missing link tussen Pete Seeger en de hele folkrockgeneratie waarvan Bob Dylan aan het hoofd staat, maar waartoe evengoed Loudon Wainwright III nog behoort, en Joan Baez en uiteindelijk al wie in de jaren ‘60 een dag te lang in New York bleef hangen en met een gitaar naar huis ging. Gibson’s uitvalsbasis was Albert Grossman’s ‘Gate of Horn’ club in Chicago. Grossman, die later de manager van Bob Dylan en Peter Paul & Mary zou worden was ook een tijd Gibson’s manager.

De vier platen die we hier voorstellen, zijn alle destijds in eigen beheer uitgebracht op Gibson’s eigen label. Hij was eigenlijk een van de allereerste artiesten die dat deed, een eigen label oprichten. In de jaren ’70 was Gibson letterlijk een levende legende geworden en terwijl iedereen zich begaf aan psychedelica en later disco, was er nog weinig ruimte voor een klassieke folk-act zoals die van Gibson. Wie nu deze platen bluistert zal toch binnensmonds grommelen, hoe is het mogelijk, hoe is het mogelijk? Gibson is een van de fijnste songschrijvers en vertolkers die er geweest zijn. Zoals ik al zei, welkom op planeet Gibson.

FUNKY IN THE COUNTRY (1974)

‘Aint it great to be a living legend?’ is een zin uit de song die Shel Silverstein voor Gibson schreef. Als hij het zingt op deze opname gemaakt in het Amazinggrace Coffeehouse nabij Chicago klinkt het vol ironie en bijna opgewekt, terwijl Gibson nochtans reden genoeg had om bitter te klinken. Hoewel hij als zanger en songschrijver geroemd werd door gasten als The Byrds en Buffalo Springfield, had de muziekbusiness hem laten vallen als een baksteen. Bob Gibson was passé. Deze ‘Funky In The Country’ is Gibson’s eerste release op zijn eigen label en dat was destijds een primeur. Muzikanten deden dat niet zomaar, zij werkten braafjes in dienst van de platenmaatschappij. Gibson ging –noodgedwongen- tegen die trend in en toonde aan dat het anders kan. Gibson klinkt hier als een echte troubadour die zijn folksongs mengt met kleine beetjes blues. De meeste van zijn collega’s van het moment waren ondertussen resoluut opgeschoven richting rock en psychedelica, maar Gibson rekt de jaren ’60 nog even. Hij brengt zijn idealistische songs en finger-pickt zich een ongeluk. Gibson is een erg goeie gitarist en zanger. En ‘Funky In The Country’ is in al zijn eenvoud een bloedmooie plaat om stil van te worden.

HOMEMADE MUSIC (1978)

In 1960 speelde Albert Grossman met het idee om een super-folkgroep op te richten. Hij zou Bob Gibson en Bob Camp laten vervoegen door een vrouw en zo een trio vormen dat de pannen van het folkdak zou gaan spelen. Wie de vrouw was die Grossman in gedachten had, zullen we nooit weten, want Gibson en Camp zagen het eigenlijk gewoon niet zitten. Grossman heeft zich dan tot Peter, Paul en Mary gericht, en die waren er wél voor te vinden! Soit. Gibson en Camp waren in de jaren ’60 een gevestigde waarde als duo met een stevige live-reputatie. In ’61 al kwam op het label Elektra al de gelauwerde plaat ‘Gibson & Camp at the Gate of Horn’ uit en doorheen hun verdere carrieres zijn beide heren op gezette tijden blijven reüniëren. Tegen het eide van de jaren ‘60 veranderde Bob Camp zijn naam in Hamilton Camp en dook de Hollywood-cinema in. Bij hun reunie in ’78 namen zijn hun enige gezamenlijke studio-plaat op, en die is zeer geslaagd te noemen. Gibson en Camp plegen country-folk zoals het hoort: met een een stevige scheut humor en fijne observeringen. Van bij het openingsnummer ‘Jimmie Rodgers’ (van Shel Silverstein) is de toon gezet. Iedereen kan zich wat voorstellen bij een onverwachtse ontmoeting met, pakweg, Jimmie of Hank. Ik zou de mensen niet te eten willen geven die zich al eens voor de geest gehaald hebben hoe het zou zijn om plots in de Thalys naast Bob Dylan blijken te zitten en tussen Parijs en Brussel eens te kunnen bijpraten. Het jazzy ’Lookin’ for Trouble’ van Steve Goodman merkt terecht op dat je niet naar miserie moet zoeken, die komt er wel vanzelf. En zo staat de plaat vol met scherpzinnige en spitse songs en ook een handvol mooie klassieke love songs. Het titelnummer is –wat had u gedacht- een ode aan de muzikale doe-het-zelver. Een beetje gewaagd om als zanger mensen aan te moedigen hun eigen spul te maken, als je het mij vraagt. Dat is bijna als een restaurant dat ‘Comme Chez Soi’ zou heten... U weet wat dat wil zeggen!

THE PERFECT HIGH (1980)

Dat Gibson in de jaren ’60 van de radar verdween had ook wel een beetje te maken met zijn veelvuldig geflirt met alles wat de geest verruimt. Hij was inderdaad jarenlang op zoek naar de ‘perfect high’. Deze plaat is helemaal opgebouwd rond dit thema en is bijna een soort eenacter die eindigt met een hilarische monoloog geschreven door Shel Silverstein en door Gibson op geniale wijze neergezet. Silverstein –de man die iedereen kent als de schrijver van ‘A Boy Named Sue’ dat we dan weer kennen van Johnny Cash- heeft aan driekwart van de nummers van de plaat meegeschreven. De plaat is live opgenomen en is een soort gezongen stand-up comedy. Gibson is meesterlijk in zijn zelfrelativering, heeft een geweldig gevoel voor humor en is van een uitzonderlijke welbespraaktheid. Hij is een artiest van veel woorden. Gibson vertelt verhalen, zingt in dialogen. Het woord primeert en toch is zijn muziek onmiddellijk herkenbaar. Hij begeleidt zichzelf op 12-string en dat zorgt voor een fond die toch net anders in dan bij de doorsnee folksinger-met-gitaar. Bovendien heeft Gibson een interessante manier om –zonder al te technisch te willen worden- blue notes en modulaties in zijn melodieën te steken die de zaak spannend houden. Hoogtepunten bij de vleet. ‘Heavenly Choir’, een mooie song over het koor van overleden zangers onder leidign van Hank en Janice, ‘Army Of Children’ een pakkende anti-oorlogssong, ‘Cuckoo Again’ waarin Gibson beschrijft hoe hij steeds weer over de schreef gaat telkens hij daar ook maar enigszins de kans toe ziet, ‘Middel Aged Groupies’ en hun tweedehands sterren en het onweerstaanbaar grappige duet met Tom Paxton ‘Box Of Candy’ over Gibson’s wedervaren in een Canadese gevangenis. Wie wil weten waar Loudon Wainwright III de mosterd haalde moet maar eens naar deze plaat luisteren.The Perfect High = The Perfect Folk Record!

UPTOWN SATURDAY NIGHT (1984)

In de jaren ’80 ziet Gibson zijn wildste jaren achter zich liggen en vestigt hij zich als een bezadigde grootmeester van de folk in het noorden van Chicago, Uptown dus. Hij opent een chili-zaakje annex muziekclub, schrijft een toneelstukje hier, geeft een songschrijversworkshopje daar, doet wat werk voor televisie, vooral voor kinderen, en blijft occasioneel touren met Tom Paxton en Anne Hills, die ook de producer is van deze ‘Uptown Saturday Night’. Op deze plaat horen we inderdaad wat bezadigdere mix van wijze, soms statige songs en zachtaardige breekbare liefdesliedjes, meestal van de onbeantwoorde soort. Niet te missen is om te beginnen ‘Let The Band Play Dixie’, een song die het einde capteert van de Amerikaanse Burgeroorlog, het moment waarop Lee zich overgeeft en Lincoln afroept ‘Let The Band Play Dixie’. Een klassieker. Of nog, ‘Pilgrim’ dat intussen de officieuze hymne van de Alcoholics Anonymous geworden is. Het titelnummer is een door banjo en harmonica gedragen portret van de buurt waar hij terecht gekomen is. Gibson banjoot erop los, bijna een eerbetoon aan Pete Seeger die hem ooit op het pad van de muziek zette. De mooiste en zo typische song is misschien wel ‘Lookin’ for the You’, waarin Gibson zich op een meesterlijke wijze zich verplaatst in de geest van de scheveschaatsrijder die –naar eigen zeggen- in elke nieuwe verovering op zoek is naar the ‘You’, met hoofdletter Y. Ik hoor de vreemdgangers onder u al mompelen, ‘Dat ik daar niet zelf op gekomen ben...’ op een zaterdagnacht, bijvoorbeeld.

Deze vier platen zijn wat ons betreft het sluitende bewijs dat Bob Gibson een gigant is, een grote mijnheer die een plaats verdient in ieders muzikaal Pantheon. In het onze heeft hij een ereplaats met een schone pluchen zetel!

Duke J

recensie: THE LIVING LEGEND YEARS