MOULIN BLUES
7 & 8 mei 2010 - Ospel

Moulin Blues is Nederlands grootste bluesfestival dat voor de 25e maal gehouden wordt in het Limburgse Ospel. Vanwege het jubileum wordt het dit jaar een speciale editie. Op het festival, dat op 7 en 8 mei gehouden wordt, zal een groot aantal voornamelijk Amerikaanse bands zijn opwachting maken. De lijst voor het Hoofdpodium en het Moulin Blues café ziet er als volgt uit:

Line Up en Tijdschema Moulin Blues 2010
VRIJDAG 7 MEI

Hoofdpodium
15:45 - 16:15: 21 Boeket Blues
16:30 - 17:30: Woodbrain
18:00 - 19:00: Eric Lindell
19:30 - 20:30: Imelda May
21:00 - 22:00: Mike Zito
22:30 - 00:00: Los Lonely Boys
00:30 - 02:00: Eli 'Paperboy' Reed & The True Loves
Moulin Blues café
17:30 - 18:00: The California Honeydrops
19:00 - 19:30: The California Honeydrops
20:30 - 21:00: Thomas Ford & The Dirty Harmonys
22:00 - 22:30: Thomas Ford & The Dirty Harmonys
22:30 - 02:00: FFF Express

ZATERDAG 8 MEI

Hoofdpodium
12:00 - 13:00: The Rhythm Chiefs
13:30 - 14:30: Thorbjørn Risager
15:00 - 16:00: The Insomniacs
16:30 - 17:30: Rick Estrin & The Nightcats
18:00 - 19:00: Dirty Sweet
19:30 - 21:00: New Mannish Boys
21:30 - 23:00: The Paladins
23:30 - 01:00: Johnny Mastro & Mama's Boys
Moulin Blues café
13:00 - 13:30: The Rev. Peyton's Big Damn Band
14:30 - 15:00: The Rev. Peyton's Big Damn Band
16:00 - 16:30: Daniel Norgren
17:30 - 18:00: Daniel Norgren
19:00 - 19:30: Cedric Burnside & Lightnin' Malcolm
21:00 - 21:30: Cedric Burnside & Lightnin' Malcolm
21:30 - 01:00: FFF Express

Ook voor de jubileum editie blijft men kennelijk de ‘vernieuwde’ lijn volgen. De mix van blues, soul, gospel en rootsmuziek bracht in het verleden al tal van nationale en internationale grootheden op de podia. Zie hier recente Rootstime recensies van de aantredende bands. We vinden deze keuze in één woord geweldig, een groot deel van Rootstime favorieten bij elkaar op één festival! Wat dat betreft kan het voor ons niet kapot.

WOODBRAIN
SWIMMING IN TURPENTINE

Ook voor de jubileum editie blijft men kennelijk de ‘vernieuwde’ lijn volgen. De mix van blues, soul, gospel en rootsmuziek bracht in het verleden al tal van nationale en internationale grootheden op de podia. Zie hier recente recensies van de aantredende bands. We vinden deze keuze in één woord geweldig, een groot deel van Rootstime favorieten bij elkaar op één festival! Wat dat betreft kan het voor ons niet kapot. Woodbrain is een overtuigende en indrukmakende nog nieuwe band, die met "Swimming in Turpentine" hun debuut voor het Yellow Dog label op ons loslaten. Alhoewel, nieuwe band! Van deze band verscheen eerder "JMQ Live at the White Eagle" in 2007 en "JMQ Get That Dirt - Live" in 2008. JMQ staat hier voor het Joe McMurrian Quartet die nu met een nieuwe bandnaam en een nieuw geluid meer indruk hopen te maken. Spilfiguur Joe McMurrian behoeft allicht al lang geen voorstelling meer. Voeg daar nog aan toe, dat andere kleppers als David Lipkind (harmonica), Jason Honl (bas) en onze vriend, drummer Jimi Bott (Fabulous Thunderbirds, Mark Hummel, Rod Piazza) de overige zitjes kwamen opvullen, en je begrijpt, dat dit veel meer is dan zomaar het zoveelste nevenproject van een stel zich even vervelende muzikanten. Het gaat hier werkelijk om een soort van supergroep, met getalenteerde prominenten uit Portland, Oregon, waarvan McMurrian en Bott ook al eerder uitstekende solo-albums uitgebracht hebben. Dit viertal maakt een heel verfrissende mix van roots- rock, blues en werkelijk fenomenaal gitaarwerk, een ware jam band. Het verschijnsel jam band heeft in deze Lage Landen nooit een grote vlucht genomen. Het ligt teveel voor de hand om het op onze nuchterheid te gooien of een gebrek aan podia, maar feit is dat behalve Derek Trucks niet veel bands hier weg kunnen komen met eindeloze jams en een oneindige reeks optredens. Hun losjes op Delta blues gebaseerde songs worden hier aangekleed door zanger Joe McMurrian, die naast elektrische en akoestische gitaar ook een fantastische banjo picker is. Zijn invloeden vinden we terug bij legenden als Son House, Robert Pete Williams, Skip James en Robert Johnson. Toegegeven, je krijgt er een afwisselend geheel mee: de songs rocken lekker en zijn vakkundig in elkaar gezet, zanger Joe McMurrian - de songwriter van de meeste songs - heeft een lenige stem met een lekker bluesrocktimbre en men houdt de nummers beperkt qua lengte. "Swimming in Turpentine" is de meest gedreven plaat die Woodbrain tot dusver heeft gemaakt, een plaat met veel muzikaal vuurwerk waarin de band nu grossiert. McMurrian toont zich als een briljant gitarist en ook de rest van de band stijgt naar grote hoogten. Het klinkt allemaal lekker ruig, en ze weten steeds dat rafelige randje te houden, ook als er een banjo wordt opgepakt als in het nummer "Dig", waar we een fraai banjo-mondharmonicaduet krijgen. De felle mondharmonica van David Lipkind bepaalt trouwens ook een groot deel het geluid van deze band, die een soort rauwe bluesrock speelt als in de twee openers "Port Chicago Highway", "Northbound" en "Good Man". En zoals het een jam band hoort, manifesteert Woodbrain zich afsluitend in twee in elkaar overlopende instrumentale nummers die samen ruim tien minuten duren en die sterk doen denken aan de eindeloze jams van Grateful Dead, maar dit kwartet weet in "Next Stop" en de slotjam "Pottsville Conglomerate" zelfs beter de spanning er in te houden. Ze weten zeker de sfeer van een live concert goed te pakken, en daarom kijk ik er al naar uit om ze een keer live te zien. "Swimming in Turpentine" put vooral uit de rijke historie van de bluesrock, maar weeft hier op buitengewoon knappe wijze invloeden uit de Delta, rock en de oude American roots muziek doorheen. Het is nog altijd muziek die improviseren en soleren niet schuwt, zonder dat dit resulteert in eindeloos gesoleer of geïmproviseer. Bijgestaan door een zeer kundige begeleiding werkt Joe McMurrian zich op gloedvolle, geïnspireerde en buitengewoon competente wijze door een aantal covers van o.a. Bukka White en Bert Jansch, en eigen songs heen. Songs die niet alleen overlopen van muzikaal vakmanschap, maar ook nog eens buitengewoon goed in het gehoor liggen. "Swimming in Turpentine" is een plaat die je steeds weer nieuwe dingen laat horen en eigenlijk alleen maar beter wordt. Een wereldplaat van een band die de criticasters van dit soort muziek wederom op imponerende wijze de mond snoert.

ERIC LINDELL
GULF COAST HIGHWAY

Dit is het zevende album van de, in 1969 in San Mateo, Californie geboren, maar nu vanuit New Orleans opererende Eric Lindell. Buiten deze zeven cd's kwam in 2003 "EP Volume 1" met drie nummers op de markt. Deze EP en de vier eerste albums – "Bring it Back" (1996), "Eric Lindell" (2002), "Piety Street Session" (2003), "Tragic Magic" (2005) - werden uitgebracht op de kleine labels Sparco, Flying Harold en z'n eigen label. Maar na het verschijnen van zijn debuutalbum "Change In The Weather" (2006), "Low on Cash, Rich in Love" (2008) en nu zijn nieuwste "Gulf Coast Highway", voor het Alligator label, wordt singer/songwriter/vocalist Eric Lindell gerekend tot de grootste beloften voor de toekomst, een belofte die hij inmiddels volledig heeft ingelost met zijn twee voorgangers.

Deze ex-skate punker verliet een aantal jaren geleden San Mateo om zich, via New York in New Orleans te vestigen. Na jaren van touren heeft hij zijn muzikale invloeden tot een eigen geluid weten om te smelten en is momenteel de meest getalenteerde muzikant in de New Orleans muziekscène van de afgelopen jaren. Soul vormt de basis voor deze prachtige plaat, maar ook invloeden uit de blues, jazz, funk, raggae, rock ’n roll en zelfs country bepalen de sfeer op "Gulf Coast Highway". Funky-blues is nog steeds de basis, alhoewel de songs meer pop gericht zijn met veel blaaswerk. Maar laat vooral "pop" u niet afschrikken. Sommige tracks op deze plaat zijn inderdaad meer toegankelijk dan zijn muziek op "Change in the Weather" bijvoorbeeld. Zo zijn de album openers "Love Can’t Find a Way" en "Turnin’ It Out", vrij eenvoudige love songs ondanks het prachtige blaas- en gitaarwerk, maar blijf gerust verder luisteren want voor de rest van het album haalt Lindell het niveau van de voorgangers en zelfs meer. Lindell is iemand die tevens ook nog over een schitterende gitaar techniek beschikt (wel nooit geen solowerk, enkel Lindell's gitaar bepaalt hier de sound), en bovenop nog een begenadigd songschrijver is. Met een container vol aan lovende recensies krijgt hij nu steeds meer voet aan land, gewoon omdat 't puur draait om de intensiteit die Lindell met zijn soulvolle stem uitstraalt, gekoppeld aan het soort swingende muziek dat verrekt slim is opgebouwd. Naast drie covers van Buck Owens, Delbert McClinton en Waylon Jennings & Willie Nelson, schreef Lindell twaalf songs zelf, die stuk voor stuk uit kunnen groeien tot hits. Zonder schroom borduurt hij op deze plaat voort op de 1970-sound van Van Morrison en Delbert McClinton waarin ook invloeden van Stevie Wonder, Curtis Mayfield, Ray Charles en Sly and the Family Stone terug te vinden zijn in het meer originele werk, maar gedateerd klinkt de muziek geenszins en dat is een grote verdienste. De meeste songs voltrekken zich in een strak en energiek tempo, met een geweldige band, die een authentiek soulgeluid weet te combineren met een meer eigentijdse sound. In de zeer uitgebreide begeleidingsband vinden we o.a. Galactic’s drummer Stanton Moore en bassist Robert Mercurio op zes tracks van de cd terug, en zijn samen met Lindell het best in het nummer "Country Livin’". Op zijn twee vorige albums voor Alligator Records, was het steeds Lindell’s stem en gitaar die de hoofdrol opeisten, daar nu meer zijn medespelers de kans krijgen om in de spotlight te treden. Let wel op, Lindell’s gitaarwerk blijft centraal op "Gulf Coast Highway", hetgeen hij bewijst in tracks als "Willin’ and Able", "This Love is Gonna Last" en "It’s a Drag". Vele songs zullen Lindell fans direct aanvoelen als de nieuwe klassiekers, zoals "It’s a Drag". Deze song klinkt als een echte Chicago blues met verbazend harmonicawerk van Sean Carey, daar in een song als "Lullaby for Mercy Ann" een meer eenvoudige begeleiding steun geeft aan Lindell’s beheerste stem. Luister maar even naar het met blaaswerk overladen "The Look" met een tenor sax solo van Jimmy Carpenter of het andere hoogtepunt, het bijna vier minuten durende "Raw Doggin' " met zijn funky naar jazz gaande riffs en daarmee zullen u me zeker niet tegenspreken, want dit is een verfijnd soulalbum. OK, dit is verschillend. Het is iets om te laten marineren. Laat het inwerken. Luister dan opnieuw.


IMELDA MAY
LOVE TATTOO

Afkomstig uit Dublin, mag Imelda May de eminente Jools Holland onder haar fans rekenen die na haar live aan het werk te hebben gezien, smeekte of ze in zijn programma ‘Later with Jools Holland’ wou optreden. En wanneer heeft Jools geen gelijk? Op haar eerste zelf geschreven album ‘Love Tattoo’ laat Imelda May duidelijk horen, waar ze de kaas heeft gehaald. Old school rockabilly, nu en dan overgoten met een fijn blues- of jazzsausje, telkens gelardeerd met het fijne stemgeluid van Imelda zelve. Van intens swingen “Johnny Got A Boom Boom” naar de krochten al waar Tom Waits zich ophoudt “Knock 123” over een slepend “Meet Me At The Moon”, bluescruisend “Smotherin’ Me” naar een hipshakend “Voodoo Working”. Yep , deze chick kan het! Ze is alle markten thuis en kan hierbij rekenen op en fijne begeleidingsband bestaande uit Darrel Higham – tevens Imelda’s echtgenoot – die in het verleden al samenwerkte met mensen als Slim Jim Phantom, Jeff Beck, Chrissie Hynde, Sir Paul McCartney, Rocky Burnette, Billy Lee Riley, Lee Rocker, Merrill E. Moore, Jools Holland, Roc LaRue en Terry Noland, om er maar een aantal te noemen. Op bas en contrabas vinden we Al Gare die in de jaren ’90 deel uitmaakte van ‘King Pleasure and the Biscuit Boys’. Na heel wat freelance werk bij een eindeloze lijst van muzikanten, maakt hij nu al vast deel uit van de begeleidingsband van Imelda May en van The Mike Sanchez Band (The Rhythm Kings/Big Town Playboys). Op drums vinden we Steve Rushton die net als zijn kompanen een waslijst aan bekende en minder bekende muzikanten kan voorleggen met wie hij de eer en het genoegen heeft gehad om mee samen te werken. Moet u dit debuut in huis halen? Ja, al was het maar om binnen enkele jaren te vermijden dat u zich voor de kop slaat omdat u het niet heeft gedaan en het ding nergens meer te krijgen is. Maar vooral omdat het een ijzersterk debuut is. En het is ook nog eens een “prente”. Wat moet een mens nog meer hebben?

MIKE ZITO
PEARL RIVER

Mike Zito zit er met de titel van zijn nieuwe cd inderdaad niet ver naast, want wat een pareltje levert hij hier weer af! Na bijna tien jaar zelfstandig aan de weg te timmeren en ondertussen een gevecht te leveren met zijn drugverslaving in de periode rond 1996 tot 2000, bracht hij enkele cd's in eigen beheer uit, "Blue Room" en "Slow It Down" die echter wat meer in het funk en popgenre thuishoren. Twee topproducers, David Z en Tony Braunagel en een een legertje van even belangrijke muzikanten zorgden samen met hem voor een van de meest verrassende rootsplaten van 2008: "Today". Ze verscheen op het toen net opgerichte sublabel van Delta Groove, namelijk Eclecto Groove, en Zito wist hiermee meteen grote indruk te maken. Zito's stem herinnert me regelmatig aan die van Frankie Miller, uiterst soulvol en met een heerlijk gritty randje. Mike brengt zijn nummers, die zich in de rand van blues, rock en blue-eyed soul bewegen, vol vuur en passie en met een vakmanschap zoals we dat enkel bij de hele groten zien.Voor deze "Pearl River", de tweede voor Eclecto Groove is het rijtje met bekende vriendenmuzikanten nog indrukwekkender dan voor "Today". Enkele namen? Cyril Neville, Anders Osborne, Lynwood Slim, Johnny Sansone en zelfs Randy Chortkoff, labelbaas, producer en tevens harpspeler. Zoals ik in de inleiding al zei: Pearl River is inderdaad een pareltje, en dat op alle gebied. Sterke songs, gebracht met die heerlijke stem en voorzien van prachtig gitaarspel. Ook dit jaar zal Zito waarschijnlijk voorkomen in menig top tien lijstje van beste roots en bluesplaten. In vergelijking met zijn voorganger is "Pearl River" ook meer een pure bluesplaat geworden. Daar zorgen songs voor als "Natural Born Lover" een stampende blues met sterke gitaarpartijen. "Shoes Blues" is een ander voorbeeld daarvan. Of "All Last Night" een song waar de blues als het ware vanaf druipt. "One Step At A Time", een duet met Anders Osborne is zowat de enige song die buiten het blueskader valt, maar is tegelijkertijd een van onze favoriete tracks. Als we al bemerkingen zouden hebben over deze nieuwe release van Mike kan het er maar één zijn, de cd is te kort. Dat is natuurlijk met zijn 55 minuten niet echt zo, want dat is de gemiddelde speelduur tegenwoordig, maar het voelt zo wel aan, want cd's als deze kunnen niet lang genoeg duren natuurlijk. Eén ding is echter wel duidelijk na beluistering van "Pearl river": Mike Zito is een talent waar vanaf nu rekening moet gaan gehouden worden. Een man die alle troeven in huis heeft om een hele grote te worden. Wie haalt hem naar hier? Wij zouden dit namelijk zo graag eens levensecht beluisteren.

ELI "PAPERBOY" REED & THE TRUE LOVES
ROLL WITH YOU

Als men mij naar mijn muzikale voorkeuren vraagt komen op de eerste plaats de (goede) slide gitaristen, dat zullen zij die mijn recensies lezen al wel gemerkt hebben, maar daarnaast heb ik ook een zwak voor New Orleans ritmes en de "good old soul". Wel, van deze laatste categorie verscheen onlangs een prachtexemplaar dat vanwege de drukte hier op de Rootstime redactie (lange wachtlijsten) wat laat aan de beurt komt. Hij verscheen namelijk al half mei. Het is echter de moeite van het wachten meer dan waard geweest, want Eli "Paperboy" Reed is een natuurtalent en zijn muziek klinkt tegelijkertijd zo sixties, maar blijft ook tijdloos, dus wat deert een maandje vertraging dan. Eli Reed is woonachtig in Boston, werd geboren in Brooklyn, maar leerde de stiel in Clarksdale, en wel van bluesgroten als de legendarische drummer Sam Carr. In 2004 verscheen dan zijn eerste cd met zijn band The True Loves, "Walkin' & Talkin'", hij was toen nog maar net twintig, en de Engelse pers sprak van dé soulontdekking van de laatste decennia en Nick Lowe bleek een enorme fan van de piepjonge Eli. Doordat zijn sound zo authentiek sixties retro is was hij niet "vernieuwend" genoeg voor de "majors", die daardoor weer eens bewezen in verkeerde termen te denken en daardoor een gouden talent aan hun neus laten voorbij gaan. Als ik zeg gouden talent is dit zonder overdrijving. Luister naar deze jongeman en je zal het begrijpen, je hoort Wilson Pickett, Otis Redding, Sam Cooke, Sam en Dave, Archie Bell, Otis Clay, O. V. Wright en ja zelf hier en daar zelfs James Brown, allemaal met passie en "from the soul" in de letterlijke betekenis van het woord. Alles komt van diep binnenin, en de falsetto kreten die hij slaakt, vertrekken diep vanuit zijn ziel, Bobby Blue Bland's beroemde hartskreten verbleken zelfs hierbij. Maar Eli staat hier natuurlijk niet alleen, de "True Loves" en de extra "Sweet Divines" backing vocals zorgen voor de echte soulsound, prachtige blazers die de Stax en Hi Records jaren terug oproepen. Nooit had ik gedacht nog zo een pure recente bluesplaat te horen, en zeker niet van een "snotneus" om het even oneerbiedig te zeggen. Het kippenvel, de rechtstaande nekhaartjes, alle tekenen van een voltreffer zijn er. Enkele titels "The Satisfier" met James Brown handtekening, de danssong "Do The Boom Boom" en mijn favoriet "Take My Love With You" in allerbeste Sam Cooke traditie. Subliem, en kandidaat voor mijn "Song of the Year". Daarnaast de tearjerkers, titelsong "Roll With You" met eveneens de sfeer van de betere Sam Cooke songs, of "She Walks", "Fooling Myself" stuk voor stuk juweeltjes. Dit zijn van die dagen dat het leven van een recensent zo mooi kan zijn... Eli "Paperboy" Reed, the new young "King Of Soul"? Hem wil ik live aan 't werk zien. Organisatoren, strik hem!

THE CALIFORNIA HONEYDROPS
SOUL TUB

Met hun gevieren willen ‘The California Honeydrops’ op dit debuutalbum een ode brengen aan alle Afro-Amerikaanse zangers/muzikanten die nooit of veel te weinig vergoed werden voor hun muziek, vooral deze die als instrumenten de jug, wasbord en wasteil verkozen. Zij doen dit door hun eigen songs in te pluggen in de oude traditie en deze te vermengen met New Orleans funk, soul, ragtime en jazz. Aanvankelijk speelden zij in de ondergrondse in Oakland, Californië. In 2007 vormden zij een vast rondreizend groepje dat op feestjes en andere evenementen voor leute en plezier zorgde. Dat feestelijk fun gevoel is ook op ‘Soul Tub’ te horen. Al vanaf het eerste dansbare ‘Miss Louise’ blaast zanger/trompettist Lech Wierzynski enthousiaste vuurvlammetjes boven de hoofden uit. ‘Rain’ volgt ietwat melancholisch met een achtergrondkoortje en Chris Burns’ tintelende pianoklanken. ‘Soul Tub’ klinkt als een uitgelaten dan weer intieme party ergens op een straathoek alsof er verzameling werd geblazen voor eenieder die afstudeerde in de vakken spontane muziek, amicale ambiance, instrumentale finesse en vocale expressie. Ook gastmuzikante Danielle Taylor zingt even mee. Nansamba Ssensalo wisselt af met sensueel jazzy zang in ‘All You Got To Do’ of soulvol in ‘In My Dreams’. In het gospelachtige ‘Cry For Me’ met extra saxofonisten zou je je willen invoegen aan de staart van de straatparade. Maar evengoed wordt er geswingd en dan houden percussie en piano een wedloop om het meest pittige ritme. Het meest hield ik nog van hun ‘Honeydrops Theme’ met trompet en harmonische zang dat tegelijk prettig ouderwets en hip eigentijds aandoet, alsof je uitgenodigd wordt om te gaan tapdansen of headbangen. De zelf ineengestoken wasteilbas, basinstrument met emmer, en de speciale beat maken alle songs authentiek alsof het gezelschap ging afkijken in het landelijke zuiden of het stedelijk New Orleans. Maar frontman Lech is van Poolse afkomst en leerde blues en jazz spelen in Washington DC met de jamsessies als oefenterrein. Trompetlessen kreeg hij van Marcus Belgrave, gelinkt aan Ray Charles, en hij begeleidde o.a. Maria Muldaur, toch niet de eerste de beste. Pianist Chris Burns trouwens ook, al decennia lang een gerenommeerd barrelhouse pianist, die verder nog Albert Collins en Elvin Bishop begeleidde. Als een moderne ‘Memphis Jug Band’ combineert dit prettig vindingrijk ensemble hun eigen fantasie met de aanstekelijke ritmes van hun Afro-Amerikaanse voorgangers of met de ‘Help Me Now’ soulverzuchtingen van de bluespioniers. Maar in tegenstelling tot hen toeren zij wereldwijd rond waar zij gelukkig nu wèl verdiensten en succes oogsten met hun aanvurende Rhythm & blues en hun speelse ‘Soul Tub’.

THOMAS FORD & THE DIRTY HARMONYS
SEPARATION STREET

Thomas Ford, met zijn echte naam Langsford, komt ondanks zijn Amerikaans klinkende muziek uit Engeland, uit Plymouth om precies te zijn. Hij werd geboren in Launceston en is de zoon van Ian Langsford, oprichter van de bekende bluesband uit eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, de "Legal Eagles". Samen met zijn zingende zus Becca en broer Tim die voor de percussie zorgt, multi-instrumentalist Vince Lee en bassist All Wallis (beiden uit de bekende Wildcards) nam hij dit verrassende debuut op. Thomas schreef het merendeel van de songs, doorspekt met een soort aparte, donkere humor. Songs die opvallen door hun (h)eerlijke simpelheid en die daardoor de kwaliteit hebben zich dagenlang in je geheugen te nestelen. Na een tijdje doorgebracht te hebben in de jazz/pop band "Men Of Splendor" ging ongeveer twee jaar geleden die band uit elkaar, en het eerste wat Thomas deed was zich een fonkelende dobro aanschaffen, niet bepaald een verrassende wending, gezien het feit dat het ouderlijk huis blues "ademde" tijdens zijn jeugd. Naast de dobro, speelt Thomas ook harmonica. "Ik kan me niet herinneren ooit echt geleerd te hebben om mondharmonica te spelen", zegt Thomas. "Het hele huis lag er steeds vol mee, zodoende is het op natuurlijke wijze gegroeid." zegt hij. Via zijn vaders collectie, met onder meer Ry Cooder, Taj Mahal, Howlin' Wolf en dergelijke platen, ging hij verder op zoek en belandde zo bij de Delta groten, zoals Son House en Leadbelly. Op zijn vijftiende begon hij dan gitaar te spelen, en is in feite autodidact, hij sloot zich op in zijn kamer en oefende, oefende, oefende. Met succes, want hij mag zich nu een sterke gitarist, zanger en songwriter noemen. Zijn teksten zijn apart, en dat hoor je al bijna aan de titels alleen. Zo schildert "Richmanpoormanbeggarthief" de vier trappen van de teloorgang, de val van de status van hoog naar laag. Deze openingssong heeft wat van de juke-joint nummers van de Mississippi Hillside Country artiesten in zich, net als de volgende song die de zware titel "Wouldn't Mind Dying" (but I have to go by myself) draagt. De song zelf is echter minder dramatisch dan de titel laat vermoeden. Prachting einde overigens! Al is de sound wat minder zwaar, toch steken hier en daar de invloeden van bands als Black Keys en aanverwanten de kop op. Luister maar naar "Hurt Like Mine" met zijn dreunende, dreigende baslijn. Eén cover, Robert Johnson's "Love In Vain" dat hier een mooie bewerking krijgt, met Thomas' dobro in de glansrol. Heel apart is ook nog "There comes a time" met een aangenaam party sfeertje. De opnames gebeurden losweg op zolderkamers en slaapkamers in de omgeving van Plymouth, een feit dat de spontaniteit die deze indie-cd hoorbaar ademt zeker geholpen heeft. De sfeervolle dromerig klinkende afsluiter "Human after All", een uitvloeier van het snellere "Rest In Pieces" benadrukt nog eens extra die typische Delta sfeer, de Mississippi en de vroegere katoenplantages lagen voor even in Plymouth, U.K.

THE RHYTHM CHIEFS
SHIPS OF WONDER

Als ik het logo met het koele bijtje in een ijsblokje van het Nederlandse “Cool Buzz” ergens op een postpakketje bemerk ben ik er als de kippen bij om het te openen. Deze keer wist ik echter bijna met zekerheid wat ik mocht verwachten, want ik wist dat de release van het superjonge trio “The Rhythm Chiefs” er stond aan te komen. Bij hun oprichting in 2003 waren zij met zekerheid Nederlands jongste bluesband. Ondertussen zijn er natuurlijk 4 jaartjes bijgekomen en nog steeds is hun gemiddelde leeftijd slechts 17 jaar. Blikvanger is natuurlijk zanger gitarist Dusty Ciggaar, die ook het leeuwenaandeel van de composities voor zijn rekening nam. De drie jongens barsten van talent en laten veel muzikanten die in leeftijd tientallen jaren ouder zijn verbleken in vergelijking met hen. We mogen hun sound die ze hier op dit debuut brengen ook niet meer simpelweg als blues bestempelen, want rockabilly, country, bluegrass, pure rock en roll en zelfs wat jazz & funk kruiden hun muziek tot een mooie roots-mix met een sterke bluesy inslag. Dusty C. begon samen met zijn broer Daryll op drums en vader DJ op bas en stem in de “just for fun” familieformatie Los Smokin’ Cigars die een soort voorloper was van The Rhythm Chiefs en een sterk aan Fabulous Thunderbirds en Jimmie Vaughan schatplichtige sound brachten. Daryll is ondertussen vervangen door Rafaël Swiddessen en papa door Danny Van Het Hoff op bas en soms ritme gitaar. De 13 jarige Daryll speelt echter nog regelmatig vervanger vooral tijdens schoolvakanties. Hun cd bevat slechts 1 cover, de traditional “Tribute to Jimmy B” en ze werd geproduceerd door Micha den Haring van T-99. Naast hun Texaanse invloeden die ik net noemde hebben zij dus hun geluid uitgebreid met ondermeer rockabilly, rootsrock en jazzy invloeden. Zo is er bijvoorbeeld “Tell Me” dat wat aan aan de Blasters herinnert of de titelsong “Ships Of Wonder” een rustige song met een prachtige twangy gitaar, Ronnie Earl waardig. “Break That Bottle” lijkt wel Chet Atkins meets The Paladins. Het echte meesterschap van de jonge virtuoos Dusty C. kunnen we horen op “Tribute to Jimmy B” een prachtige instrumental die zich kan meten met de vingervlugheid van gitaristen als Albert Lee en Danny Gatton (zie video1). Het funky “The Buzz” contrasteert dan weer fel met de pure Texas bluesbeat van “Please Don’t Love Me” en de West Coast jump van “It Wasn’t Me”. Dave Edmunds kijkt even mee om het hoekje bij “Here Comes The Rain Again” waar zelfs even de pedal steel bovengehaald werd. Het super aanstekelijke en springerige ritme van “Looky There” en de twang van rocker “Chiefs” als afsluiter, maken het feest compleet. Te bewonderen op één of meerdere festivals deze zomer, waaronder Goor Blues op 7 juni. Get Rhythm, Chiefs!

THORBJORN RISAGER
TRACK RECORD

Met de regelmaat van een klok, zowat jaarlijks, heeft de Deense bluesbelofte Thorbjorn Risager weer wat nieuw werk voor ons in petto. Zijn vijfde ondertussen, en vermits wij het geluk hadden hem vanaf het prille begin te volgen, want Rootstime is ondertussen ook al ruim vijf geworden, hebben wij zijn evolutie mooi kunnen volgen. Evolutie is misschien niet het juiste woord, want vanaf het prille begin stond Thorbjorn voor kwaliteit. Zijn stijl is ondertussen ook niet zo erg veel veranderd. Een ijzersterke, ruig klinkende stem, de vergelijking met Cocker en Ray Charles die we op zijn debuut-cd maakten, is ondertussen al dikwijls gemaakt in de muziekpers, en zijn zwart klinkende Rhythm & Blues songs geven die stem een mooi platform. Wat betreft zijn gitaarstijl kunnen we eerder van klassieke traditionele blues invloeden spreken en de blazers zijn voor zijn muziek bijna onmisbaar. Met de opener "Rock'n'Roll Ride" is de aandacht dadelijk vastgehouden, een prachtsong, en die stem..! Hier klinkt Risager een beetje als Roger Chapman ten tijde van Family. De oude Big Joe Williams klassieker "Baby, Please Don't Go" een veelgecoverde song krijgt hier zijn beste bewerking sinds Van Morrison in de jaren zestig met zijn groepThem deze song tot een monument omvormde. Vooral de blazers smukken het nummer op tot een sterk Rhythm & Blues nummer, en weer is er die ijzersterke stem. Heel sober, maar indringend is "Let's Go Down", met een bijna bezwerende hypnotische beat, die herinnert aan de worksong op de katoenplantages in de jaren dertig en veertig. Stevig rockend daarentegen is "You Walked Right In", met blazers die zo uit de Memphis/Stax winkel lijken te komen. Song voor song kan deze "Track Record" ons bekoren, de swing van "7 Steps To Heaven" of de mooie ballades als "Stand Beside Me" en afsluiter "Bells Of Joy", alles is van zeer hoog niveau. Thorbjorn Risager is nu eenmaal een Zanger, jawel, in zijn geval geschreven met een hoofdletter. Als gitarist is hij een man die weet wanneer hij wel moet soleren en wanneer het genoeg is, een gave die weinig gitaristen hebben. Die ingehouden kracht laat zijn gitaarspel schitteren wanneer het nodig is. Voeg daarbij een band die, vooral door de blazers, een solide R&B en soul backing geeft voor zijn meesterlijke stem, en je hebt een pracht van een plaat vol muzikale spanning van begin tot einde. We hebben hem nu reeds enkele malen bezig mogen zien, net als velen onder jullie denk ik, en net als zijn optredens is deze cd weer een voltreffer. Tijdens een interview na zo'n optreden een paar jaar geleden vertelde hij ons dat in Scandinavië vooral Finland het bluesland was...Vanaf nu schuift Denemarken toch weer enkele plaatsjes naar voren als je 't ons vraagt. Maak alvast maar plaats voor een échte "Voice Of Europe".

THE INSOMNIACS
AT LEAST I'M NOT WITH YOU

The Insomniacs zijn een vrij jonge bluesband uit Portland, Oregan. Ze staan bekend om het gebruik van hun "vintage" instrumenten en de daaraan aangepaste stijl, allebei jaren 50/60 gedateerd. Hun kleine geblutse bestelbus waarin ze van optreden tot optreden toeren, alles doet het wat erop lijken dat de tijd voor hen heeft stilgestaan, toch staan deze jongens met beide voeten in de cyberwereld, want tijdens hun optredens door en tijdens hun ritten van club tot club zitten deze muzikanten op Myspace en facebook met hun draadloze laptops. De "best of both worlds" dus, hedendaagse kerels die houden van de muziek, meer bepaald de blues, van weleer. Mede daardoor bestaat hun publiek uit jonge snaken die de blues ontdekken plus de ouderen die de roots van vroeger duidelijk blijven genieten. Hun talent werd snel erkend door de vakpers, en na het winnen van talrijke awards, is hun naam nu reeds een gevestigde waarde aan het worden. Zowat het bekendste blueslabel momenteel: "Deltagroove" tekende hun, en dit is er hun tweede cd ondertussen. Gitarist en zanger Vyasa Dodson, die zijn aparte voornaam van zijn moeder kreeg, die erg in sanskriet geinteresseerd was, kwam via SRV en Clapton terecht bij de echte bluesroots roots, wat zo vaak gebeurd bij de wat jongere lichting gitaristen. Daardoor is hij nu zijn inspiratie gaan halen bij mensen als Junior Watson en Little Charlie Baty, wat resulteert in een authentiek swing geluid. Naast dat mooie gitaarwerk dat hij hier laat horen blijkt Vyasa ook nog over een meer dan uitstekende stem te beschikken, zo goed zelfs dat we hem in die rol zeker zo belangrijk vinden. Hij blijkt dus duidelijk de spilfiguur in deze groep te zijn. "Blues is niet dood." zegt Vyasa, het evolueert verder nu in andere richtingen. En bassist Dean Mueller voegt eraan toe dat hij wist dat hij zijn thuis gevonden had toen hij de kans kreeg te jammen met John Cephas, Louisiana Red en Honeyboy Edwards. Met "Lonesome", de opener, zetten ze meteen de toon. Vyasa laat daarin horen dat hij een volleerde swing-gitarist is, en de invloed van Little Charlie Baty is overduidelijk. Het country tintje in "Broke and Lonely" dat ikzelf leerde kennen van een héél vroege Johnny Winter versie, maar in feite een Johnny Guitar Watson songs is, is leuk om nog eens terug te horen, hier krijgt het wat New Orleans sfeer. Little Richard's "Directly From My Heart To You" is geschoeid op een "Guitar Slim" leest, een heeft de sfeer van de jaren vijftig, net als de titelsong die volgt. Een ander hoogtepunt is "She Can Talk" met een zeer humoristische tekst om te beginnen, en waar Vyasa zichzelf overtreft met een zeer originele gitaarsolo, deze jongen kan dadelijk plaatsnemen in het rijtje van de grote gitaristen die dat echte jaren vijftig "swing" geluid kunnen neerzetten, zoals Junior Watson en Hollywood Fats. "Baby Don't Do It" is er nog zo eentje, een echte radiosong. We stoppen hier met de opsomming van knappe songs, want anders zijn we nog wel een tijdje bezig. Als speciale gast is ondermeer Mitch Kasmar van de partij, en ook Al Blake, en beiden voorzien zij deze sterke tweede cd van de Insomniacs van bijkomend sterk mondharmonicawerk.

RICK ESTRIN & THE NIGHTCATS
TWISTED

Toen Little Charlie enige tijd na het overlijden van zijn vrouw grotendeels ophield met optreden en om die reden The Nightcats verliet, vreesden we even dat een van onze favoriete bands ermee zou ophouden. Was er wel al dadelijk een vermoeden dat Rick Estrin, vocalist en mondharmonica-ace, die in feite het uithangbord van de groep was, er zou mee willen doorgaan, toch was het even bang afwachten. Gelukkig werd ons vermoeden bevestigd en is er sinds enige tijd Rick Estrin and the Nightcats, waarin Charlie vakkundig vervangen is door Chris "Kid" Andersen, de Noorse bluesgitarist, die zich reeds bewezen had ondermeer in Charlie Musselwhite's band, via enkele prima soloalbums en samenwerking met John Nemeth and R.j Mischo. Rick had ondertussen natuurlijk niet stilgezeten, in 2008 verscheen nieuw solowerk van hem "On The Harp Side" waar hij onder meer werk van Little Walter en Sonny Boy Williamson op bracht, een meer traditionele manier dan we hem hier aan het werk horen op deze "Twisted". Bovendien verscheen er ook nog de DVD "Reveals",een soort instructievideo voor gevorderde mondharmonicaspelers waarin hij trucjes, geheimpjes en subtiliteiten van het bluesharp spelen blootgeeft. De recente cd "Twisted", die we door omstandigheden spijtig genoeg wat laat ontvingen, is zoals steeds bij de Nightcats, een sterke release geworden. Daarop vinden we veertien door Estrin eigenhandig geschreven tracks. De verjongingskuur door de vervanging Baty-Andersen is zeer geslaagd te noemen, want ook al was Charlie’s gitaarwerk zeer herkenbaar en daardoor moeilijk te vervangen, Chris Andersen heeft zich uitstekend van zijn taak gekweten en met zijn lichte rockabilly signatuur duwt hij de Nightcats toch weer zachtjes op onontgonnen terrein, zoals te horen is in de afsluiter "Bigfoot". Voor de rest is het natuurlijk het typische, ook zéér herkenbare zangstijltje van Estrin, samen met zijn ijzersterke bluesharp spel, die ook deze cd weer tot een aanrader maakt. Zijn droge, tongue in cheek humor in de teksten van Estrin weet steeds een glimlach op je lippen te toveren, en zij die de man live aan het werk zagen weten dat dit live ook nog eens extra in de verf gezet wordt. De twee ijzersterke instrumentals behoren volgens ons tot de hoogtepunten van "Twisted", een cd die weinig of geen zwakke momenten telt. Van een dramatische koerswijziging is er door het vertrek van "Little Charlie" dus geen sprake, alles klinkt nog even lekker dan voorheen, en als je je daarvan wil overtuigen dan kan dat op zaterdag 8 mei in Ospel, tijdens het jaarlijkse "Moulin Blues" festival. Be there or be square!

DIRTY SWEET
...OF MONARCH AND BEGGARS

Na de Verenigde Staten, raakt men momenteel nu ook in Nederland niet uitgepraat over Dirty Sweet uit San Diego, Californië. De band, bestaande uit Ryan Koontz (zang), Nathan Beale (gitaar), Shaun Cornell (bas, keyboards), Mark Murino (gitaar) en Chris Mendez-Vanacore (drums), bouwde bij onze noorderburen de afgelopen weken een stevige live-reputatie op in een vier daagse tour ter promotie van hun nieuwe plaat, waar ze onder andere Paradiso en Bluesfest. Tegelen aandeden. Op het grootste muziekfestival van Amerika, SXSW in Austin, Texas, waren zij onlangs ook de absolute sensatie. De energie van haar optredens vinden we ook terug op hun debuut "...Of Monarchs And Beggars". Een combinatie van southern rock en rock-‘n-roll, die we kunnen omschrijven als heavy Americana, maar zeker niet echt een synoniem voor welopgevoede zoetgevooisdheid is. Eerder toonbeeld van al jaren identieke rauwdouwerrock over de vrouwtjes en drank. En bij het zien van het in Wild Wild West-achtige sferen getekende hoesje voor "...Of Monarchs And Beggars", verwacht je dan ook niets meer dan weer dezelfde soort rechttoe-rechtaan rock voor de nationalistische boerenklassen van de VS. Niet dat dit vooroordeel helemaal naast de waarheid is trouwens, maar Dirty Sweet tapt toch uit een interessant vaatje. Want tussen de ronkende en rokende gitaarriffs die het ritme bepalen, smeult het vuur van een ander warm sfeertje. Dat van de southern rock. Log, zwaar op de hand en swingjammend ramt Dirty Sweet door. Furieus uit de startblokken knallend met een volvette dampende stamper, "Baby Come Home", de beoogde single, en zonder enig gas terug te nemen, schreeuwbeukt Dirty Sweet de speakers uit. Free, Led Zeppelin, Humblie Pie en meer '70s grootheden worden in de mix gegooid, en door de grote leegten van het Zuiden getrokken. "...Of Monarchs And Beggars" is een rockplaat die eerder The Black Crowes tot grootse daden inspireerden, maar het is een kunstje dat ook Dirty Sweet tot in de perfectie beheerst. Erg vernieuwend is het niet, al is het tekstmateriaal een stuk gevarieerder dan je zou verwachten bij een southern rockact en levert het wel een groovend heavy album op. Kortom: een apart bandje. Voor een southern rock groep kijkt Dirty Sweet verder dan de barbecue lang en het bierglas diep is. Dat maakt de band en zeker het album ook interessant voor iedereen die normaal angstvallig uit de buurt van dit genre blijft. Misschien zouden de nummers waarin de bands rauwe kracht in vrije jams wordt losgelaten nog wat langer mogen duren, maar dan komt de ware stonerrock wel gevaarlijk dichtbij. Ergens op het grensvlak tussen de genres blijft de spanning nu ook al tien nummers lang levensgevaarlijk hoog. Nergens gecompliceerd, maar ook geen muziek voor de compleet doorgezopen hersendoden onder ons. Bluesy rockmuziek die enerzijds tot je komt als "a trip down memory lane", maar aan de andere kant ook uitstekend tot zijn recht komt in het heden, met als grote uitschieter de bluesy ballad "Long Line Dream". Dirty Sweet weet namelijk met leadgitarist Beale, het zwoele orgeltje van Cornell en een smeuïge shouter, de zeer jonge Koontz het lekker stoffige en warme geluid in tien soulvolle rocksongs te creëren dat we kennen van de melodieuze hardrock van de jaren zeventig. Daarom is Dirty Sweet in het bekende platgereden paden genre zeker een aanwinst te noemen, een absolute aanrader voor de liefhebbers van moddervette rock-'n-roll.

JOHNNY MASTRO & MAMA'S BOYS
TAKE ME TO YOUR MAKER

Vanuit Los Angeles komt dezer dagen Johnny Mastro tot ons, met zijn Mama’s Boys ontegenzeggelijk één der smerigste bluesrockbands ten westen van de Sunset Strip - het is een regelrechte sensatie - ze doen in eigen land 250 shows per jaar – een vet doorgesmeerde rockmachine die garant staat voor een heerlijk potje ruige bluesherrie. In de begeleidende bio worden Johnny Mastro & Mama’s Boys vergeleken met wijlen Lester Butler en diens Red Devils en daar valt veel voor te zeggen, want deze heren maken net als de rode duivels (natuurlijk niet onze duivels) uit de klei getrokken bluesrock die soms ook wel een beetje doet denken aan Howlin’ Wolf, Little Walter, Hound Dog Taylor, Paul Butterfield, maar vooral deze Red Devils (óók met mondharp!). Lester Butler is helaas al vele jaren niet meer onder ons, maar de muziek die hij maakte met zijn bands Red Devils en 13 zullen we nooit vergeten. Het is muziek waar we onmiddellijk aan moesten denken toen de eerste tonen van "Take Me To Your Maker", opvolger van het vorig verschenen "The Black Album", uit de speakers knalden. "Take Me To Your Maker" staat vol met heerlijk rauwe blues. Een fantastische stem, een mondharmonica die aan stukken wordt geblazen en vooral geweldig gitaarwerk. Bluesy gitaarwerk zoals je het alleen van de allerbesten hoort. Dit is blues zoals blues gespeeld moet worden: rauw, doorleefd, hard en vol passie. "Take Me To Your Maker" klinkt weliswaar iets gepolijster dan "The Black Album" van mei vorig jaar, maar niettemin bol staat van het gruis. Gruis van de stem van Mastro en van zijn vervormde mondharmonica, en gruis uit de oude Fender-versterker van gitarist Dave Melton, die klinkt alsof de duivel zelf zijn snaren heeft gespannen. Mastro zingt en bespeelt de mondharp precies zoals Lester Butler van .... . Mastro speelt keiharde Chicagoblues, volvette harmonicablues, die de erfenis van bluesmannen als Sonny Boy Williamson en Willie Dixon meer dan recht doet. Naast 12 eigen songs, is "What Have I Done Wrong", een cover Chicagoblues-legende Magic Sam en het hartverscheurende "Lonesome Whistle" van Hank Williams. Jarenlang moesten Johnny Mastro & The Mama's Boys genoegen nemen met een bestaan in de marge, maar nu verdienen ze absoluut een plek in de spotlights. Het verbaast me niet dat Johnny Mastro nog niet zoveel albums op zijn naam heeft staan, terwijl hij in de VS toch al zo’n vijftien jaar van de ene naar de andere zaal trekt. Dit is namelijk muziek die live het best tot zijn recht komt, hoewel het spelplezier en de energie toch ook echt wel van "Take Me To Your Maker" afspat. Veel meer valt er niet over te zeggen, deze plaat moet je gewoon beleven! En het aardige is, dat Mastro en zijn moederskindjes dezer dagen in ons land zijn, om de liefhebber te overtuigen. Zondag 15 juli, Belgium Rhythm'n Blues Festival in Peer. Gaat dat checken.

.

THE REVEREND PEYTON’S BIG DAMN BAND
THE WAGES - THE WHOLE FAM DAMNILY

Vroeger was het traditie om bij familiebijeenkomsten muziek te spelen, tenminste als de gezinsleden het talent hadden om toon te houden. Vandaag is dat eerder een zeldzaamheid en als het lot je uitkiest moet je er ten volle van profiteren. Peyton’s Big Damn Band, bestaande uit The Reverend Peyton, zijn eega Breezy en broer Jayme hebben dat plezier ontdekt om gezamenlijk blues te spelen liefst op de oude ongecompliceerde wijze. Sindsdien reizen zij door Amerika en overzeese gebieden en oogsten zij overal succes. Beide broers Peyton uit Indiana, geboren in de jaren 1981 en 1983, kregen de liefde voor muziek van hun vader mee, die een platencollectie had met bluesrockmuziek waartussen ook boegbeelden Jimi Hendrix en Bob Dylan. Spelen vonden zij even plezant als ernaar te luisteren. Josh, the Reverend, leerde dus gitaar spelen, Jayme leerde drummen. Veel later vielen zij voor de bluessound van de préwar bluesartiesten en gingen zij op zoek naar dezelfde spirit. Charley Patton, Otha Turner, Son House, Robert Belfour, Pink Anderson en Fred McDowell werden de nieuwe idolen, om er slechts enkele te noemen, want hun inspiratiebronnen vloeiden rijkelijk over. Vrouwlief Breezy vervoegde zich met wasbord bij het broederspan en droeg bij tot het dynamisch groepsgeluid. De Big Damn Band was geboren en na hun debuutalbum in 2004 volgde er anderen. Na een drukke tournee met een 250-tal optredens - o.m. in de Ground Zero Bluesclub van Morgan Freeman in Clarksdale - groeide de belangstelling voor dit trio. En terecht als je ‘The Whole Fam Damnily’ uit 2008 beluistert. Dertien songs krijg je, allemaal door de Reverend zelf geschreven. Daarin veegt hij de vloer aan met alle modernistische uitwassen: pollutie, personeelsinkrimping, ziekenzorg, misbedeling, urbanisatie en het teloorgaan van oude waarden. Als een bluesy heethoofd balt hij het allemaal samen in repetitieve ritmes en rebelse tekst. Met zijn rauwe zang lijkt hij wel de geïncarneerde Leadbelly van deze eeuw. Komt daarbij nog de percussie, de snare drum en de opzwepende ritmes met schrobplank hetzij wasbord die alle nummers hun bezeten vaart geven. Zowel ‘Can’t Pay The Bill’ als ‘Persimmon Song’ zouden potentiële hits moeten worden als het van mij afhing. Bovendien roept de Resonator gitaar heimweegevoelens op naar de tijd toen de bluespioniers met hun gitaarspel oneindig veel meer konden oproepen dan ingewikkelde arrangementen. In ‘Them Old Days Are Gone’ betreurt Josh Peyton dat de oude vertrouwde plek verdwenen is. Teksten en mooi artwork sieren bovendien dit album, waarvan Paul Mahern en de Reverend de co-producers zijn.

Op hun nieuwste album ‘The Wages’ gaan ze gewoon verder met hun aanstekelijke hillbilly en countryblues, beïnvloed door oude legendes als Son House en Furry Lewis, heeft iets weg van punkrock avant la lettre, rauw, opwindend en swingend. Wat het eerst opvalt bij onze eerste beluistering is dat de samenzang van Mrs. Peyton, a.k.a. ‘Washboard Breezy’, nu beter tot zijn recht komt dan bij de vorige releases. Deze nieuwe plaat is live opgenomen in de studio op analoge tapes zonder overdubs en bevat wederom hun recht voor de raap songs over alledaagse beslommeringen als ‘Everything’s Raising’, zowat de opvolger van The Whole Fam Damnily’s ‘Can’t Pay The Bill’, de lyrics -die aan dit album zijn titel geven- gaan over de toenemende discrepantie tussen de hoge kosten van levensonderhoud in de VS en de stagnerende lonen. ‘In a Holler Over There’ is een ode aan de falende familiale landbouwbedrijven met hun kijk op de toekomst en ‘Just Getting By’ is ook zo'n eerbetoon aan de arme mensen. ‘The Wages’ is de vijfde full-length waarop hij zijn gospel predikt. En dat is er niet ééntje van geloof, hoop en/of liefde, maar een verhaal van de harde werkelijkheid als hierboven beschreven. Het ware leven zoals het was, is en altijd zijn zal. Met een rauwe schreeuw, een grijns en een paar gitaren en basale percussie, aangekleed met wat toeters en bellen, stelt the Reverend je zijn uit blues en country gegoten paradijs verder voor. Met songs als het stampende ‘Clap Your Hands’, het hillbilly getinte ‘What Go Around Come Around’ of ‘That Train Song’ waarin het trio met hun instrumenten een locomotief nabootsen, zullen ze wellicht onverwijld uw hart winnen. Voeg na deze straffe sound de country-love-song ‘Sugar Creek’ erbij en deze plaat zal ons verder zeker niet vervelen, want na geen enkele song slaat deze toe. Zoals Marcie, in haar recensie over deze band reeds beaamde blijft deze nieuwerwetse countryblues aanstekelijk over heel de lijn. Een unieke Live belevenis als u weet dat ze dit duivels geluid uit hun mouw toveren met slechts een akoestische gitaar, een wasbord en een snare drum. De releasedata voor ‘The Wages’ is voorzien voor 25 mei, maar ik ben zeker dat van deze 14 nieuwe songs vele op hun setlist zullen staan tijdens hun concert op zaterdag 8 mei in Ospel.

DANIEL NORGREN
OUTSKIRT

Een gokje, in het verleden heeft de Zweed Daniel Norgren naar westerns of oude films gekeken, naar Tom Waits, Santana, Jimmie Rodgers en Peg Leg Sam geluisterd en zich geïnteresseerd voor garagerock, Gospel en préwar muziek. Het tegengestelde zou me verbazen. Bovendien kan hij zoveel instrumenten bespelen, - gitaar, piano, harmonica, zingende zaag en pomporgel – dat hij als one-man furore kan maken. Mocht hij op straat spelen, vele voorbijgangers zullen hun trein missen wegens niet los te weken van de muzikant. Want zijn ruige ongepolijste muziek spreekt aan. Zoals Ian Siegal in Engeland een revelatie was, zo zal deze Norgren ongetwijfeld ook in Scandinavië en ver daarbuiten doorbreken. In veertien songs en één instrumentaal nummer - het broeierige ‘Rattlesnake’ - creëert hij een bont wereldje waarin outlaws, komedianten en gedesoriënteerde figuren rondlopen, de meeste lijdend aan liefdespijn omwille van een liefje, een vriend of een verloren broer. Bovendien bedient Daniel zich van bizarre beelden en soms humor, al is eenzaamheid het snoer dat de protagonisten in zijn album verbindt. Behalve de instrumenten die hijzelf bespeelt is voor contrabassist Anders Grahn eveneens een belangrijke rol weggelegd. In het ontroerende ‘Purse’ en het van weemoed doordrenkte ‘Saddle My Heart’ voegen beide violisten Malmberg gevoelstrillingen toe, wat oeroude ballades in herinnering brengt, prachtig gewoon. ‘Let Me Go’ lijkt een eigentijdse Gospel, die ertoe aanzet om mee op de hemelbus te stappen. Zijn harmonica en de backingzang completeren hier het bluesy tafereeltje. Het sardonische ‘The Comedian’ met trompet en drum, het melancholische ‘Prettiest World’ met schorre zang en orgeltje en het tegendraadse ‘No One Wants You As You Are’ met saxofoon doen dan weer aan Tom Waits denken. Zo kan je nog een tijdje doorgaan. Het toont aan dat Daniel verschillende stijlen beheerst en zich qua emotie kan vereenzelvigen met om het even welk muziekgenre. Als hij echter zijn gitaar ‘slide’ laat zinderen, schiet er iets in hem wakker dat al lange tijd op de loer ligt zoals op het fantastische ‘Fivestringed Crooked Red Clara’. De duivels in zijn omgeving lijken de singer-songwriter vaak te belagen, maar ook het metafysisch onheil. Hamerend gitaarspel, orgel of elektronica suggereren obsessie of dreiging, zoals op het intense ‘Mean Old Devil Got On’ dat zelfs bij de zoveelste herhaling naar het nekvel grijpt. Dit album is Norgren’s tweede. Het vorige ‘Kerosene Dream’, uitgebracht in 2007, werd in de Zweedse muziekmagazines al als ‘Best Swedish Record of the Year’ bejubeld. Met deze verrassend inventieve ‘Outskirt’ zal het enthousiasme alleen maar toenemen. Het origineel inlegboekje met teksten en mooi Artwork is daarbij een extra aanmoediging om dit ‘feeling’ album zo vlug mogelijk aan te kopen.

CEDRIC BURNSIDE & LIGHTNIN ' MALCOLM
TWO MAN WRECKING CREW

Op het ijzersterke Delta Groove label, waar enkel topspul verschijnt, hebben ze ook met deze release hun reputatie staande gehouden. Cedric Burnside, ja de kleinzoon van de man himself en zoon van diens drummer Calvin Jackson, heeft er samen met gitarist Lightnin Malcolm voor gezorgd dat ze met hun debuut al dadelijk één van de vernieuwendste bluesplaten van het jaar afleveren. Met beide voeten diep geworteld in de sound die hun Mississippi voorgangers hen overleverden, maar met tevens een flinke portie van het goedje wat hun leeftijdsgenoten van de North Mississppi All Stars, Black Keys en White Stripes ons meestal brengen. Een fusie van soul, hip-hop en funk die de traditionele swampy, juke joint blues mooi aanvult. Old school meets hiphop - blues dus. Cedric was onder meer te zien op het grote scherm aan de zijde van Samuel L. Jackson in de bluesy prent "Black Cat Moan", terwijl we Lightnin' Malcolm kennen van zijn veelbejubelde debuut uit 2005 "Juke Joint Dance Party". Samen een energievol duo dus, dat nieuw leven pompt in de Mississippi Hill County trance blues. De cd opent met een hulde aan R.L Burnside, tevens de eenvoudige titel van de song. Met verdere songs als het slepende, aan Black Keys schatplichtige "Nobody Else" en "Don't Just Sing About The Blues" (Live It Too) met zijn J.L Hooker ritme, laten de heren horen uit het goede blueshout gesneden te zijn. Het rollende en stampende ritme van "World full Of Trouble" bijvoorbeeld, verraad de klasse, net als de ingehouden soulgroove van "She's Got Someting On Me". Zonder problemen wordt er bovendien van instrument gewisseld, naarmate de song het vraagt. Beiden zijn immers multi-instrumentalisten. David Z mocht tekenen voor de productie en die is als vanouds oerdegelijk. Wat verwacht je anders van een man die naast B.B King ook Prince ooit van zijn hulp mocht voorzien. Met Jason Ricci op mondharmonica zit je ook altijd op rozen, dus je weet dat er nog weinig mis kon gaan met deze "Two Man Wrecking Crew". Al vraagt hun cd titel er om, er valt niks af te breken aan dit debuut. Bompa kan content zijn, Cedric!

Jubileumboek 25 jaar Moulin Blues
Ter gelegenheid van ons jubileum brengt Moulin Blues een speciaal boek uit: 25 jaar Moulin Blues historie verpakt in een schitterend boek vol met feiten, verhalen, interviews, anekdotes en natuurlijk heel veel foto's! Het boek zal slechts in beperkte oplage worden gedrukt, dus grijp alvast je kans en reserveer alvast een exemplaar door het formulier in te vullen.

3 X 2 weekendkaarten te winnen!

Wil je daar kans op maken, dan mail je ons gewoon even:
je naam, je adres en de vermelding: MOULIN BLUES
Binnen een aantal dagen wordt uit alle inzendingen de gelukkigen getrokken.
Wij hopen dat u massaal Rootstime hier zult mailen
De winnaars worden per mail verwittigd op vrijdag 30 april 2010

Van de organisatie van Moulin Blues werden we ook in de mogelijkheid gesteld om driemaal een speciaal jubileum T-shirt (Long Live The Blues) te verloten.
Bent u niet bij de gelukkigen voor de weekendtickets dan maakt u alsnog kans om dit unieke T-shirt te winnen.

 

INFO & TICKETS