THOMAS FORD & THE DIRTY HARMONYS - SEPARATION STREET

Thomas Ford, met zijn echte naam Langsford, komt ondanks zijn Amerikaans klinkende muziek uit Engeland, uit Plymouth om precies te zijn. Hij werd geboren in Launceston en is de zoon van Ian Langsford, oprichter van de bekende bluesband uit eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, de "Legal Eagles". Samen met zijn zingende zus Becca en broer Tim die voor de percussie zorgt, multi-instrumentalist Vince Lee en bassist All Wallis (beiden uit de bekende Wildcards) nam hij dit verrassende debuut op.

Thomas schreef het merendeel van de songs, doorspekt met een soort aparte, donkere humor. Songs die opvallen door hun (h)eerlijke simpelheid en die daardoor de kwaliteit hebben zich dagenlang in je geheugen te nestelen.

Na een tijdje doorgebracht te hebben in de jazz/pop band "Men Of Splendor" ging ongeveer twee jaar geleden die band uit elkaar, en het eerste wat Thomas deed was zich een fonkelende dobro aanschaffen, niet bepaald een verrassende wending, gezien het feit dat het ouderlijk huis blues "ademde" tijdens zijn jeugd.

Naast de dobro, speelt Thomas ook harmonica. "Ik kan me niet herinneren ooit echt geleerd te hebben om mondharmonica te spelen", zegt Thomas. "Het hele huis lag er steeds vol mee, zodoende is het op natuurlijke wijze gegroeid." zegt hij.

Via zijn vaders collectie, met onder meer Ry Cooder, Taj Mahal, Howlin' Wolf en dergelijke platen, ging hij verder op zoek en belandde zo bij de Delta groten, zoals Son House en Leadbelly. Op zijn vijftiende begon hij dan gitaar te spelen, en is in feite autodidact, hij sloot zich op in zijn kamer en oefende, oefende, oefende. Met succes, want hij mag zich nu een sterke gitarist, zanger en songwriter noemen.

Zijn teksten zijn apart, en dat hoor je al bijna aan de titels alleen. Zo schildert "Richmanpoormanbeggarthief" de vier trappen van de teloorgang, de val van de status van hoog naar laag. Deze openingssong heeft wat van de juke-joint nummers van de Mississippi Hillside Country artiesten in zich, net als de volgende song die de zware titel "Wouldn't Mind Dying" (but I have to go by myself) draagt. De song zelf is echter minder dramatisch dan de titel laat vermoeden. Prachting einde overigens! Al is de sound wat minder zwaar, toch steken hier en daar de invloeden van bands als Black Keys en aanverwanten de kop op. Luister maar naar "Hurt Like Mine" met zijn dreunende, dreigende baslijn.

Eén cover, Robert Johnson's "Love In Vain" dat hier een mooie bewerking krijgt, met Thomas' dobro in de glansrol. Heel apart is ook nog "There comes a time" met een aangenaam party sfeertje. De opnames gebeurden losweg op zolderkamers en slaapkamers in de omgeving van Plymouth, een feit dat de spontaniteit die deze indie-cd hoorbaar ademt zeker geholpen heeft. De sfeervolle dromerig klinkende afsluiter "Human after All", een uitvloeier van het snellere "Rest In Pieces" benadrukt nog eens extra die typische Delta sfeer, de Mississippi en de vroegere katoenplantages lagen voor even in Plymouth, U.K.

(RON)


 

Artiest info
   
Myspace  

video