|
||||||||
|
Mensen die de wereldmuziek al even van min of meer nabij volgen, zullen allicht de naam herkennen van componist/zanger en toetsenist Rodrigo Leão: de man draait al meer dan drie decennia mee in gezelschappen als Sétima Legião en (vooral) Madredeus, maar ook zijn soundtracks en zijn samenwerkingen met mensen als Nail Hannon, Ryuichi Sakamoto of Beth Gibbons gingen allesbehalve onopgemerkt voorbij. Men zou haast vergeten dat het intussen al meer dan dertig jaar geleden is dat hij onder eigen naam debuteerde in 1993 met de toen nogal enthousiast onthaalde “Ave Mundi Luminar” en dat Leão ondertussen een status verworven heeft waar je nauwelijks naast kan kijken. Het is eigen aan de echt Groten, dat zij, zelfs na jaren van werken aan een terechte status, er toch in slagen hun publiek -en dat heeft Leão ook hier bij ons- te verrassen. Wel, deze “O Rapaz de Montanha (De Jongen uit de Bergen) is zo’n plaat. Om te beginnen is er de verzameling schitterende illustraties, die van het CD-boekje op zich al een kleinood maken, waar je letterlijk even gaat voor zitten: het werk van graficus Tiago Manuel is nergens minder dan indrukwekkend en het grijpt meteen je aandacht, of je dat nu wil of niet. Daarnaast is deze plaat een tikkeltje verrassend, omdat ze, anders dan bij het grootste deel van Leão’s ander werk, eigenlijk tot stand kwam naar aanleiding van één zinnetje dat deel uitmaakte van Ana Carolina Costa’s tekst voor “Cadeira Preta”. Dat zinnetje klinkt vertaald ongeveer als “als God vergeving schenkt aan al wie mislukt, wie schenkt God dan vergeving?”. Startend van deze overweging werkte Leão gedurende ruim drie jaar aan het componeren en uitwerken van de zestien nummers, die van deze plaat een klein uur intense luisterervaring maken. Aan de muzikale kant valt meteen het gebruik van koorzang op, iets wat al heel lang geleden gedaan werd in de Portugese muziek, maar dat de jongste decennia wat in onbruik geraakt was, doordat het accent meer verschoven was naar de loepzuivere stemmen of de meesterlijke instrumentalisten. Nu dat alles is er ook nu nog, maar het wordt allemaal wat meer ingekapseld in wat Leão zelf zijn “meest Portugese plaat ooit” noemt. Die klinkt bij momenten een tikkeltje theatraal, ze roept onmiskenbaar visuele associaties op en als je aan het eind van de 55 minuten gekomen bent, heb je een beetje het gevoel dat je naar een theatervoorstelling hebt gekeken. Dat geldt zelfs voor wie, zoals ondergetekende, nauwelijks iets van Portugees begrijpt: het is allemaal zo naturel, zo spontaan, zo organisch, dat je hoe dan ook begrijpt wat er gespeeld en verteld wordt. Een plejade van muzikanten passeert op de scene, sommigen bekend van bij Madredeus of Sétima Legião, anderen totaal onbeschreven, maar ze dragen wel bij tot wat zonder de minste twijfel één van de “global”-platen van dit jaar zal uitgroeien. Het is voor mij ruim dertig jaar geleden dat ik Leão en de zijnen nog eens op een podium zag staan. Het wordt tijd dat daar verandering in komt, want met een oeuvre als het zijn en daaraan toegevoegd een meesterwerk als deze “O Rapaz da Montanha”, moet dat voor een zonder twijfel memorabele ervaring kunnen zorgen. Heerlijke muziek is dit! (Dani Heyvaert)
|
|||||||