|
||||||||
|
Het wordt elke keer moeilijker om de muziek van Ward Dhoore onder één noemer te klasseren. Niet dat ik daar zelf ook maar de minste behoefte toe voel, maar het format van deze kolommen vereist dat nu eenmaal. Zoals ongeveer iedereen in Vlaanderen, leerde ik Ward kennen als één van de muzikanten van Trio Dhoore, dat zo’n vijftien jaar geleden ons wat ingedommelde muzieklandschap kwam opschudden met muziek die weliswaar in folk geworteld was, maar die toen al voorzichtige stapjes richting jazz, soundscapes en improvisatie zette. Met de collega’s van Snaarmaarwaar ging hij door een vergelijkbare evolutie en, net als broer Hartwin, voelde ook Ward kennelijk de nood om zijn eigen ei kwijt te kunnen. Dat ei is zopas gelegd en ik moet zeggen dat het een Fabergé-exemplaar is geworden: van een aparte schoonheid, heel herkenbaar, broos en toch solide en zo eentje waar je keer op keer naar teruggrijpt. Dat laatste werd ten huize van ondergetekende bijzonder duidelijk in de loop van de voorbije weken:meerdere keren moest ik vaststellen dat mijn recensie-exemplaar pootjes gekregen had en elders in huis in een CD-speler terechtgekomen was. Dat wijst er op dat menigeen geraakt werd door de aparte schoonheid van deze puur instrumentale verzameling van nummers, waarbij je als luisteraar als vanzelf de beelden ziet opdoemen, die, volgens jezelf althans, passen bij de muziekjes. Dhoore ging hierbij meer dan een beetje zorgvuldig tewerk en zocht kompanen, die niet alleen ten dienste staan van zijn composities, maar die er een eigen accent weten aan te geven. Seraphine Stragier is stilaan een bekende naam en haar cello klinkt op vele fraaie plaatsen, van Sara Salverius en Roosbeef tot SunsSunSun, Zita Swoon en Yevgueni. Altvioliste Esther Coorevits kun je dan weer terugvinden in de buurt van Tourist Le Mc of Jan Verstraeten en in Brussels-Groene omgevingen, terwijl drummer Louis Favre veelal in “echte” jazzkringen opereert, al kom je hem ook tegen aan de zijde van Maarten Decombel. Oscar Beerten is dan weer de Noordse tak van de band en zijn hardanger-viool wordt gewaardeerd van bij ons tot ver in Finland. Tenslotte zijn er de tuba en bastrompet van Daniel Herskedal, een Noorse componist en muzikant, die we ooit zagen schitteren aan de zijde van Cathérine Graindorge. Met zo’n ensemble kan je de hort op, op voorwaarde dat de composities deugen en dat doen deze tien zeker: niks in de mouwen, niks in de zakken, gewoon tien heerlijke, ogenschijnlijk eenvoudige en goed in het oor liggende melodieën, waarmee Ward Dhoore zich, voor zover dat nog nodig was, helemaal vestigt als schrijver van muziek die je in woelige tijden als deze het gevoel geven dat het met onze wereld ooit nog goed komt. Als u zelf wil oordelen, begin dan best bij “Can Someone let the Light in” of “Balloon House”, twee echte pareltjes. Daarmee heb ik niks gezegd over de andere acht, maar deze zijn alvast mijn favorieten van deze ronduit schitterende plaat. (Dani Heyvaert)
|
|||||||