|
||||||||
|
Het verhaal achter dit koor is best wel bijzonder te noemen: in 1993 reist een wel heel geïnteresseerde Amerikaan, Frank Kane, naar Parijs om er, via het Instituut voor Oosterse Talen, meer te weten te komen over het fenomeen van de Georgische polyfone zang. Die is in de Georgische cultuur echt toonaangevend en samen zingen is er, zo’n beetje zoals in Corsica, vaste prik bij zowat alle belangrijke gebeurtenissen in een mensenleven. Van doopsel en huwelijk, tot begrafenis…altijd en overal wordt er gezongen. Vaak gebeurt dat zingen helemaal A Cappella, in drie stemmen, maar net zo goed worden er af en toe traditionele percussie-, snaar- of blaasinstrumenten gebruikt voor een vaak minimale begeleiding. Kane komt in de in Frankrijk levende Georgische diaspora al snel bij het ensemble Merani terecht en vormt later van daaruit de groep Marani, die we vandaag leren kennen. Zelf houdt hij het na een zestal jaar voor bekeken, maar het ensemble blijft tot op vandaag voortbestaan en neemt zich tot doel de vooral oraal doorgegeven zangtraditie in leven te houden, via ondermeer een onderzoeksinstituut en regelmatige reizen naar Georgië. Vanuit de Parijse omgeving, de regio Île de France wordt dus, eerst met Amerikaanse en Franse zangers, maar stilaan overgenomen door “echte” Georgiërs, gewerkt aan het instandhouden van wat ondertussen als immaterieel erfgoed erkend is, de polyfone zang. Op deze plaat, ruim een uur lang, krijg je twee dozijn liederen te horen die, zo leerde mij mijn meervoudige beluistering, in het begin wel wat moeite vraagt van de luisteraar: wij zijn hier in het Westen, niet echt meer gewend aan meerstemmig zangwerk en het vraagt dus enige inspanning om de draad te vinden tussen de verschillende stemmen, maar gaandeweg leer je de dingen wel herkennen. In totaal komen er tot twaalf zangers/zangeressen in actie, die een plejade aan regionale en gelegenheidsliederen vertolken. Die gaan van liederen voor bij de Oogst, zoals opener “Odoia”, over “gewone” liefdesliederen zoals het grappige “Lale” of klaagliederen zoals “Ghighini”, maar heel vaak zijn het ook Kerst- of Paasliederen, die al eens willen verschillen, naargelang ze uit deze of gene regio afkomstig zijn. En daar zit hem mede de charme van deze plaat in: je leert over regio’s als Mingrelië, Kakhetië, Abkhazië oif Guria en je ontdekt zelfs dat er in Georgië ook gejodeld wordt, al heet dat daar “Krimanchuli”. Voor mij was dit vooral “ontdekken” en “verrast worden, maar ik merkte wel dat ik na vijf of zes keer luisteren, zowaar helemaal betoverd kan worden. Dit is volksmuziek uit de oude doos, maar wel perfect beluisterbaar na ruim een kwart van de 21ste eeuw. En dat Georgiërs kunnen zingen, dat staat als een stevige paal boven water. Heerlijke ontdekking ! (Dani Heyvaert)
|
|||||||