TROUVEURS @ DEUZONSCHOLE, HOOFDPLAAT (NL) - 28/12/18

‘Etherische schoonheid, iets wat geldt voor het hele concert’

De Brusselse Trouveurs bestaan uit zanger-gitarist Benjamin Steegen (°1975) en mandoline- en gitaarwizzard Jeff Cardey (°1974) uit Winnipeg, Canada. Het duo heeft zich gespecialiseerd in het brengen van versies van vooral Texaanse singer-songwriters, Townes Van Zandt (1944-1997), Guy Clark (1941-2016) en Michael David Fuller. Die laatste zal geen belletje doen rinkelen, maar misschien wel als we vermelden dat hij door het leven ging als Blaze Foley (1949-1989) Ook andere tenoren uit de States krijgen hun plaats in het repertoire van Trouveurs. Die twee zijn allerminst beginnelingen. Steegen richtte mee de Sons Of Navarone op, de Brusselse bijdrage aan de geschiedenis van de bluegrass, en hij zong in deze uitstekende band tot 2011. Daarna verbreedde hij zijn benadering en concentreerde hij zich op de Amerikaanse folk en roots songwriting, zeg maar americana.


Cardey studeerde klassieke gitaar in Toronto. De liefde deed hem in Brussel landen. Zijn muzikale horizon is bijzonder breed en omvat zowat alles van jazz tot bluegrass. Vandaar dat hij op dit ogenblik nog lid is van drie andere bands: Rawhide, zeskoppige Belgische bluegrass band die al in 1977 ontstond, de Amsterdamse Tennessee Studs, een vijftal dat sinds 1999 americana speelt in brede zin, vijfstemmig en met een hele scala aan instrumenten, en de Louvat Bros, een (meestal instrumentaal) trio rond Steve Louvat. Het trio ontstond in 2010. Jeff vervangt sinds enige tijd Steves broer Jefferson Louvat. Bassist is nog immer Michel Vrydag. Louvat Bros brengt niet alleen bluegrass, maar versmelt heel veel verschillende en zelfs contrasterende muziekvormen. Ze treden in vele landen op, waaronder de States en India. Kort voor het optreden van Trouveurs zat Jeff met Louvat Bros nog in India, een reis die duidelijk diepe indruk op hem maakte.

‘Trouveurs’, letterlijk ‘(uit)vinders, bedenkers’ is de minder gebruikte naam die men gaf aan de ‘trouvères’ of de met die eersten vergelijkbare ‘troubadours’ (naam afgeleid van het Occitaanse ‘trobar’, ‘vinden, bedenken’) uit de Middeleeuwen, kunstenaars die zich bekwaamden in zingen, muziekspelen en dichten en actief waren in wat Frankrijk zou zijn. Het is een schitterende naam voor dit duo dat zich minder focust op het bedenken van nummers, maar des te meer op een originele, creatieve uitvoering van andermans boeiende werk. Er is nog een aspect van gelijkenis: de trouvères gingen de woonsten van adel en burgerij af om hun liederen (en daaraan gekoppelde boodschappen, als een soort Middeleeuwse griots) te brengen, zoals Willem van Poitiers (11e eeuw) en Bernard de Ventadour (12e eeuw) deden. Van hun kant zien de Trouveurs hun concerten niet enkel als amusement maar ook als een bescheiden vorm van lering. Het uitdragen van songs van belangrijke maar onterecht minder bekende singer-songwriters heeft iets van een missie, een kerstening.

Daarom dat het de heren deugd deed om te spelen voor een publiek voor wie Townes Van Zandt en Guy Clark allerminst onbekenden zijn: dat lukt hen namelijk niet elke concertavond. Ze merkten al meteen dat ze voor gelijkgestemden speelden, toen ze van wal staken met ‘If I Had A Boat’ van die andere Texaan, Lyle Lovett, een gesmaakte start van het optreden hier in de Deuzonschole. Een school? Jawel, maar één die niet meer als dusdanig gebruikt wordt. Zeeuwse singer-songwriter Ries De Vuyst en Miranda Dieleman kregen ze in bruikleen via een afgemeten deal in Hoofdplaat, rustig dorp in de buurt van Breskens, en verder in the middle of nowhere. Ries had eerder al een poging ondernomen om in de Gentse Muide concerten te organiseren, en dat met hoogstaande namen: Nathan Bell, Dayna Kurtz, Gerard Van Maasakkers & Jeroen Kant. Helaas kregen die door een combinatie van factoren de Gentenaars niet op de been zoals het initiatief dat verdiende. De erg fraaie en ruime Deuzonschole is een doorstart met vele nieuwe mogelijkheden, die meteen beloond werd met een prima publieke opkomst voor Camille Bloom, singer-songwriter uit Seattle, en topical singer (protestzanger) en globetrotter David Rovics.

Ook Trouveurs kon in extremis op een, gezien de beperkte naambekendheid, vrij ruime belangstelling rekenen. ‘If I Had A Boat’ wees uit dat de aanwezigen geen ongelijk hadden: uitmuntende zang van Benjamin en een ragfijne begeleiding deden het poëtische van deze wat enigmatische song alle recht. Daarop volgden drie songs die archetypisch zijn voor hun auteurs: ‘If I Could Only Fly’ van Blaze Foley (vooral bekend via Merle Haggard), ‘Nothing’, credo van eeuwige ‘optimist’ Townes, en ‘The Cape’ van Guy Clark, tegelijk grappig en ‘filosofisch’… en dat laatste door velen meegezongen. De volgende twee verrasten dan weer compleet: eerst het ietwat obscure ‘Walls’ van de in 2018 overleden Tom Petty. Dat werd meer dan een hommage, want de song laat een breekbare kant van Petty horen die ogenschijnlijk niet strookt met zijn image van gestroomlijnde rocker. Zo’n tributes dragen bij om deze muur, dit vooroordeel tegenover een uitstekende songschrijver neer te halen. Dan konden we iets verwachten van de grote bluegrass gitarist Tony Rice, maar het werd ‘Damascus’, een ‘little waltz’ van diens broer, Wyatt Rice, een elegante, zwierige melodie waar Jeff op gitaar virtuoze wonderen mee verrichtte.

Via traditional ‘Black Is The Color’ (dat Benjamin leerde kennen dankzij Ierse topperformer Christy Moore, maar nog niet lang geleden maakte Rhiannon Giddens er nog een jazzy versie van) en Van Zandts zielsmooie statement ‘To Live Is To Fly’ kon er weer wat humor af via ‘Oval Room’, een spitante en meezingbare sneer van Blaze aan het adres van de toenmalige (1984) president van de U.S., Ronald Reagan. Na de pauze gingen Trouveurs even smaakvol en geraffineerd verder op hun elan. Ze aarzelden niet om te stellen dat hun repertoire niet meteen bol staat van hartverheffende songs. Het zijn liederen vol (liefdes)verdriet, (harten)pijn, (verlatings)angst, de gevolgen van het eigen, niet zelden door alcohol en andere genotsmiddelen ontspoorde gedrag, enfin, de hele Weltschmertz, gegoten in clevere oneliners en klaaglijke melodieën. Maar Jeff en Benjamin moeten zich geen zorgen maken: deze mooie songs hebben een helende, troostende werking. Bovendien zit er niet zelden een flinke dosis humor in of achter, en meestal hangt aan de song een anekdote vast, wat aanleiding geeft tot vertellen. En dat is wat we allemaal willen horen: sprookjes, avonturen, verhalen. Een mens wordt nooit ouder dan acht!

Eén van de allergrootsten in die liedvorm is John Prine en met diens gedreven ‘Paradise’ zetten Trouveurs (die soms zelf spreken van Les Trouveurs) het deel na de pauze in. Ook Townes schreef love songs, al is ‘Loretta’ dan voor een ‘lady of the night’ gepend en heeft ‘vertedering’ bij Van Zandt wel van een bijzondere klank. ‘Clay Pigeons’ is één van Blaze Foley’s bekendste en beste songs: John Prine bracht de song enkele jaren geleden onder de algemene aandacht (Prines gelauwerde ‘Fair And Square’ uit 2005) Guy Clark vond ‘She Ain’t Going Nowhere’ lange tijd zijn beste song. En Townes was ook te spreken over zijn ‘Tecumseh Valley’, al loopt het in dit lied met mijnwerkersdochter Caroline slecht af, voor de verandering. Maar eens te meer wil ons duo verbazen: ‘Mad World’ was in oorsprong van Tears For Fears, maar de trage uitvoering van Trouveurs leunt meer aan bij de pakkende versie van Gary Jules. In elk geval konden de aanwezigen deze uitvoering bijzonder smaken. Het zou ons niet verwonderen als velen dit een hoogtepunt vonden.

Nog een climax volgde. Benjamin brengt Townes’ ‘Waiting Around To Die’ solo en a capella, zichzelf in los ritme begeleidend met een slag op de dij, in de stijl van de aloude work songs en jailor songs zoals Alan Lomax die in een grijs verleden in het diepe zuiden van de States opnam. In 1975 nam Phil Rosenthal (van bluegrass legende The Seldom Scene, opgericht in 1971), zijn ‘Muddy Water(s)’ op, op ‘Live At The Cellar Door’. Weinigen zullen die versie kennen, maar wel die van Nick Cave. Met ‘I Feel Like Going Home’ van countrylegende Charlie Rich sluit het formele concert af. Ook deze songs kent men vooral van covers: naast de Walkabouts maakten vooral The Notting Hillbillies hier een grootse ‘hymne aan het liefdesverdriet’ van. Ook in duo slagen de Trouveurs erin die trieste grandeur weer te geven. Het had gerust mogen stoppen met dit heerlijke orgelpunt, maar het spreekt vanzelf dat de aanwezigen de Trouveurs niet zomaar zouden laten gaan. Eerst krijgen we het aloude ‘St. James Infirmary’ dat Benjamin en Jeff goed laten aanleunen bij New Orleans. Een teder, lieflijk slot wacht ons nog, een cirkel die gesloten wordt, want Lyle Lovett komt opnieuw aan de beurt met ‘Nobody Knows Me Like My Baby’. Het is een slot dat naar de keel grijpt… ‘I like cream in my coffee, I hate to be alone on Sunday, and nobody knows me… like my baby’. Etherische schoonheid, iets wat geldt voor het hele concert. Gaan zien, die Trouveurs. Zal geen enkele muziekliefhebber spijt van hebben.

Antoine Légat.

P.S. Over de onvoorspelbare vrijbuiter annex cowboy Foley, die vermoord werd op zijn 39e, kan u heel binnenkort een blijkbaar erg goed ontvangen film in regie van Ethan Hawke zien, gewoon ‘Blaze’ getiteld. De trailer is alvast veelbelovend.

Foto's © Adri Voogdt

 

 

 

 

 


 

Artiest info
website  
facebook  

DEUZONSCHOLE, HOOFDPLAAT (NL)